Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   

HSV
(TR)
Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader, en tussen een dochter en haar moeder, en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder;
NBV
(NA27)
Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder;
NBG51
(N(A))
Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder;
NW
(WH)
Want ik ben gekomen om verdeeldheid teweeg te brengen tussen een mens en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een jonge vrouw en haar schoonmoeder.
RBV
(BZ+)
Want ik ben gekomen om tweedracht [te brengen], een mens tegen zijn vader, en een dochter tegen haar moeder, en een schoondochter tegen haar schoonmoeder.
RBVI
(BZ+)
Ik ben gekomen    want    om tweedracht    een mens    tegen    de    vader    van hem    en    een dochter    tegen    de    moeder    van haar    en    een schoondochter    tegen    de    schoonmoeder    van haar  


Ik ben gekomen  
 
ηλθον
èlthon
G2064..
gebruikte vertalingenkwam(30), komt(22), zij kwamen(14), komen(13), kwamen(13), Hij kwam(10), kom(6), is gekomen(6), Ik ben gekomen(5), Hij komt(5), kwam Hij(5), zij kwam(4), gekomen is(4), kwam er(3), er kwam(3), te komen(3), kwam{en}(3), kwamen zij(3), hij komt(3), om te komen(2), komende(2), Hij ging(2), er zullen komen(2), zullen komen(2), gingen(2), laat komen(2), er ontstonden(2), was gekomen(2), bent U gekomen(2), gaan(1), {wordt gehaald}(1), komt Hij(1), gingen zij(1), bleven zij komen(1), het komt(1), was {geworden}(1), er kwamen(1), hij zal komen(1), zijn gekomen(1), gekomen(1), gekomen was(1), {komst}(1), zij gingen(1), Ik gekomen ben(1), wij zijn gekomen(1), komen zou(1), ik ben gekomen(1), gekomen waren(1), was gegaan(1), hij kwam(1), kan komen(1), zijn wij gekomen(1), jullie zijn gekomen(1), die komt(1), kunnen komen(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

komen..
G2064komen
gaan, onstaan

V-2AAI-1S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(ik) ben gekomen..
gebruikte vertalingenIk ben gekomen(5), ik ben gekomen(1), Ik gekomen ben(1)
want  
 
γαρ
gar
G1063..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)

want..
G1063want
dan, toch

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

want..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)
om tweedracht  
 
διχασαι
dichasai
G1369..
gebruikte vertalingenom tweedracht(1)
 G5658..
gebruikte vertalingenredden(4), kraait(4), om te halen(4), te scheiden(3), om te ontbinden(3), om te roepen(3), doen(3), plunderen(2), om te doen(2), te spreken(2), om te horen(2), om te bedienen(2), om te vragen(2), om te tonen(2), te waken(2), te grijpen(2), ter dood te laten brengen(2), zitten(2), onrein maken(2), om te berichten(2), ter dood laten brengen(2), om te scheiden van(2), om te vervullen(2), rein maken(2), te bevragen(1), om te kunnen verzadigen(1), zij heeft gezalfd(1), doe(1), aan paal gehangen te worden(1), om te schrijven(1), om te kijken naar(1), te zweren(1), opbouwen(1), spreken(1), afwijzen(1), gesproken had(1), {geven}(1), afbreken(1), roepen tot(1), kwaadspreken(1), om te vernietigen(1), binden(1), om te zaaien(1), in bewang houden(1), voorbereiding op begravenis(1), wit maken(1), om mee te gaan(1), om te grijpen(1), geloven(1), dichtbij komen(1), om te gaan zitten(1), om goed te doen(1), om slecht te doen(1), ter doden(1), te redden(1), weer kijken(1), zouden geloven(1), te pijnigen(1), begraven(1), te begraven(1), doden(1), vernietigen(1), te verbranden(1), onthullen(1), om tweedracht(1), het vragen(1), maken(1), om te doden(1), om terug te keren(1), om eer te betonen(1), kan verwekken(1), {te ontdoen}(1), zweert(1), om te verlangen(1), met verwondering(1), weg te sturen(1), in het openbaar ten schande maken(1), aan een paal te hangen(1), te geselen(1), beroeren(1), om te maken(1), om te misleiden(1), te doen(1), te bespotten(1), te trouwen(1), genezen(1), te tonen(1), wij kunnen verzadigen(1), om te redden(1), houden(1), om te scheiden(1), barmhartig zijn(1), om te kopen(1)

in tweeën delen*..
G1369in tweeën delen*
in tweeën scheiden*, tweedracht

V-AAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

om tweedracht..
gebruikte vertalingen
een mens  
 
ανθρωπον
anthròpon
G444..
gebruikte vertalingenmens(72), mensen(41), iemand(19), een mens(16), een man(7), van mensen(7), man(5), met een mens(3), Man(2), Mens(1)

mens..
G444mens
iemand, man

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

mens..
gebruikte vertalingenmens(10), een mens(3), Man(2), iemand(2), een man(2), man(1)
tegen  
 
κατα
kata
G2596..
gebruikte vertalingentegen(20), -(11), in(8), overeenkomstig(5), {bij}(4), {na}(3), {af}(2), over(1), op(1), {vanwege}(1), {met}(1), volgens(1)

onder..
G2596onder
tegen, in, overeenkomtig, {op}, {bij}, {af}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

tegen..
gebruikte vertalingentegen(11), overeenkomstig(5), {bij}(3), in(2), {af}(2), over(1), {vanwege}(1), volgens(1)
de  
 
του
tou
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSM
m ev lw gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) van de..
gebruikte vertalingenvan de(227), de(98), van het(22), het(13), DIE(8), -(8), van(4), dat(3), die(2), aan de(1), {uit} de(1), wie(1), van die(1), van wie(1)
vader  
 
πατρος
patros
G3962..
gebruikte vertalingenVADER(48), vader(29), vaders(2), een vader(2)

vader..
G3962vader

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) vader..
gebruikte vertalingenVADER(17), vader(5)
van hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
een dochter  
 
θυγατερα
thugatera
G2364..
gebruikte vertalingendochter(13), een dochter(1)

dochter..
G2364dochter

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

dochter..
gebruikte vertalingendochter(2), een dochter(1)
tegen  
 
κατα
kata
G2596..
gebruikte vertalingentegen(20), -(11), in(8), overeenkomstig(5), {bij}(4), {na}(3), {af}(2), over(1), op(1), {vanwege}(1), {met}(1), volgens(1)

onder..
G2596onder
tegen, in, overeenkomtig, {op}, {bij}, {af}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

tegen..
gebruikte vertalingentegen(11), overeenkomstig(5), {bij}(3), in(2), {af}(2), over(1), {vanwege}(1), volgens(1)
de  
 
της
tès
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSF
v ev lw gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingende(96), van de(48), het(35), van het(19), -(3), voor het(2), {in} de(2), bij de(1), {met} de(1), {naar} de(1), die(1), dan het(1)
moeder  
 
μητρος
mètros
G3384..
gebruikte vertalingenmoeder(42), moeders(1), van moeder(1)

moeder..
G3384moeder

N-GSF
v ev zn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) moeder..
gebruikte vertalingen
van haar  
 
αυτης
autès
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSF
v ev pn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) haar..
gebruikte vertalingenvan haar(28), haar(5), aan haar(2), van {hem}(2), van deze(1), -(1), ervan(1), daar(1)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
een schoondochter  
 
νυμφην
numphèn
G3565..
gebruikte vertalingeneen schoondochter(1)

bruid*..
G3565bruid*
pasgetouwde vrouw*, schoondochter

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

schoondochter..
gebruikte vertalingen
tegen  
 
κατα
kata
G2596..
gebruikte vertalingentegen(20), -(11), in(8), overeenkomstig(5), {bij}(4), {na}(3), {af}(2), over(1), op(1), {vanwege}(1), {met}(1), volgens(1)

onder..
G2596onder
tegen, in, overeenkomtig, {op}, {bij}, {af}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

tegen..
gebruikte vertalingentegen(11), overeenkomstig(5), {bij}(3), in(2), {af}(2), over(1), {vanwege}(1), volgens(1)
de  
 
της
tès
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSF
v ev lw gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingende(96), van de(48), het(35), van het(19), -(3), voor het(2), {in} de(2), bij de(1), {met} de(1), {naar} de(1), die(1), dan het(1)
schoonmoeder  
 
πενθερας
pentheras
G3994..
gebruikte vertalingenschoonmoeder(3)

schoonmoeder..
G3994schoonmoeder

N-GSF
v ev zn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) schoonmoeder..
gebruikte vertalingen
van haar  
 
αυτης
autès
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSF
v ev pn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) haar..
gebruikte vertalingenvan haar(28), haar(5), aan haar(2), van {hem}(2), van deze(1), -(1), ervan(1), daar(1)


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)