Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   

HSV
(TR)
Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.
NBV
(NA27)
Laat wie oren heeft goed luisteren!
NBG51
(N(A))
Wie oren heeft, die hore!
NW
(WH)
Wie oren heeft, hij luistere.
RBV
(BZ+)
Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.
RBVI
(BZ+)
wie    heeft    oren    om te horen    laat hij horen  


wie  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
heeft  
 
εχων
echòn
G2192..
gebruikte vertalingenheeft(26), had(16), hebben jullie(10), jullie hebben(8), zij hebben(6), er waren(6), te hebben(6), hebben(5), hij heeft(4), wij hebben(3), is(3), hij had(3), zij hadden(3), heb(2), was(2), hadden zij(2), om te hebben(2), Hij heeft(2), hebben wij(2), zijn(2), u zult hebben(2), zij er zijn(2), {komt}(2), te hebbem(1), had gehad(1), hield(1), ik heb(1), {krijgt}(1), zal worden(1), u hebt(1), zij zullen worden(1), waren(1), zij had(1), hebben gehad(1), zij {vonden}(1), hadden(1), {die} hielden(1), u draagt(1), zij houden(1), zij hielden(1), hij {kon}(1), zij hebben gehad(1), hebt u(1), het was(1), die zijn(1), {heeft}(1), het had(1), {is}(1)
 G5723..
gebruikte vertalingenzei(80), zeiden(45), heeft(11), had(9), zeggen(9), vroegen(7), er waren(6), sprak(6), hoort(5), om op de proef te stellen(5), slapend(5), hij zei(4), aten(4), zij zeiden(4), te hebben(4), zaaier(4), toeziet(3), doet(3), voortbrengt(3), geloven(3), horen(3), Hij liep(3), verkondigde(3), zegt(3), te zeggen(3), uitwerpen(3), bezittingen(3), zeg(3), zagen(2), zij hadden(2), overgebleven(2), toeroepen(2), zou(2), liefheeft(2), begrijpt(2), levende(2), zij onderwijzen(2), kwaadspreekt(2), lopen(2), onrein {maakt}(2), verkopers(2), opbouwt(2), Hij afbreekt(2), schudden(2), {te} werpen(2), spotten(2), toekeken(2), zij volgden(2), jullie hebben(2), eten(2), doopte(2), ging overleveren(2), hij overlevert(2), van levenden(2), onderwijs gaf(2), spreken(2), verkochten(2), heiligt(2), het leest(2), dorst(2), de borst geven(2), zijn(2), afdaalden(2), bouwers(2), vragen(2), zij sterk zijn(2), zoekt(2), zij er zijn(2), leidt(2), zij zochten(2), volgden(2), wil(2), onderwijs gegeven(2), vraagt(2), Hij gaf onderwijs(2), hij verkondigde(2), genas(2), komende(2), riepen(2), roept(2), neerdalen(2), hebben(2), schreeuwen(1), sneed(1), zij horen(1), zij houden vast aan(1), zij hoedden(1), lag te slapen(1), ontkennen jullie autoriteit(1), gezond van verstand(1), geween(1), gejammer(1), gaan(1), hoorden(1), zij kijken(1), beefde(1), gingen(1), stapte(1), samendringen op(1), verzwakt zijn(1), vasten(1), doop(1), {bewakers}(1), onderwijs(1), hij at(1), Hij omhoog kwam(1), licht begon te worden(1), Hij leefde(1), herstellen(1), beproever(1), zij bewaakten(1), om te bedienden(1), waren aan het herstellen(1), met koorts(1), is rein(1), te plukken(1), om te roepen(1), kwam op(1), Hij verder ging(1), brengen(1), Hij verkondigde(1), wierp uit(1), hij smeekte(1), viel op de knielen(1), het groeide(1), overschaduwde(1), overvloed(1), {hebben} geworpen(1), jullie te overleveren(1), uit gevallen(1), zeer verontwaardigd(1), verslinden(1), willen(1), hij had(1), hij stierf(1), discussiëren(1), Hij onderwijs gaf(1), draagt(1), eet(1), bevestigde(1), meewerkte(1), vergezelden(1), zwijgen(1), wachtte op(1), wandelden(1), weenden(1), onderwijs aan het geven(1), zij {vielen}(1), {voorbijganger}(1), treurden(1), zij doden(1), zij afranselden(1), schuim(1), zij renden naar(1), gelooft(1), uitwierp(1), te hebbem(1), ondervroegen(1), bespraken zij(1), weende {om}(1), zij lopen rond(1), stralend(1), in gesprek(1), brachten(1), legde(1), maken jullie los(1), zij voor uit gingen(1), zij kochten(1), rondliep(1), {te bedelen}(1), nemen(1), zij hebben(1), gingen op(1), ging voor uit(1), wilde(1), verzochten zij(1), HIj zei(1), smeekte(1), ik heb(1), vallen(1), vinden(1), spraken(1), gezegd(1), hij zag(1), hij wilde(1), koorst hebben(1), er gegeten(1), liep(1), liepen(1), gegeten(1), omhoog komt(1), vraag(1), bezorgd te zijn(1), hij {kon}(1), vroeg(1), eisten(1), somber(1), klopt(1), zij waren in gesprek waren(1), op de knielen viel(1), doen(1), verzamelen(1), hij drinkt(1), hij eet(1), Hij eet(1), Hij drinkt(1), zwoegen(1), aan een bloedvloeiing leed(1), ging verder(1), spreekt(1), {hen} doden(1), opdrachten te geven(1), zij dragen(1), bijeen brengt(1), zoek(1), zaait(1), zij aan het hoeden waren(1), aanneemt(1), {zaaide}(1), kijken(1), verder ging(1), het leegstaan(1), zij verlangden(1), zij verlangen(1), zien(1), u vast(1), vast(1), verkopen(1), een lange tijd uitbleef(1), naar het buitenland gaat(1), u oogst(1), u brengt bijeen(1), {hen} dronken zijn(1), handelend(1), dronken(1), zij trouwden(1), werden uitgehuwelijkt(1), malen(1), honger(1), welwillend(1), te onderwijzen(1), zeiden zij(1), zij zei(1), {had} over{ge}leverd(1), die verzwakt zijn(1), zij treuren(1), honger hebben(1), dorsten(1), overleveren(1), zij hongeren(1), zij aten(1), kijkt(1), kochten(1), zij vasten(1), liefhebben(1), zuigelingen(1), Hij terugkeerde(1), zei{den}(1), voor uit gingen(1), oordelen(1), op ging(1), zij betoonde eer(1), Hij zei(1), vervolgen(1), zij vroegen(1), doodt(1), stenigt(1), vroegen zij(1), scheidt van(1), doorslikken(1), uitziften(1), was(1), u draagt(1), valselijk beschuldigen(1), haten(1), {luidde}(1)

hebben..
G2192hebben
houden, waren, zijn

V-PAP-NSM
m ev ww act..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
actief

(hij) heeft..
gebruikte vertalingenheeft(7), had(5), hij had(1), u draagt(1), ik heb(1)
oren  
 
ωτα
òta
G3775..
gebruikte vertalingenoren(11), oor(1)

oor..
G3775oor

N-APN
o mv zn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

oren..
gebruikte vertalingenoren(8)
om te horen  
O?_BZ_TR_A
ακουειν
akouein
G191..
gebruikte vertalingenhoorden(18), hoorde(12), horen(10), om te horen(8), laat hij horen(6), jullie horen(6), hoort(6), jullie hebben gehoord(5), hoor(4), zij hoorden(4), zij hebben gehoord(3), luister(2), hoort U(2), hij luistert(2), zij horen(2), zij hadden gehoord(2), hebben jullie gehoord(2), had horen(1), luisterde(1), zij had gehoord(1), zij luisteren(1), hij hoorde(1), Luister(1), had aangehoord(1), het hoorde(1), hoorde het(1), luisten(1), hij luisterde(1), ze horen(1), zal horen(1), had hoorde(1), aanhoort(1), is gehoord(1), zullen jullie horen(1), hebben zij gehoord(1), het werd {bekend}(1), zou horen(1), het hoort(1), kunnen horen(1), hoor!(1)
 G5721..
gebruikte vertalingente zeggen(10), om te horen(6), te verkondigen(4), had(4), om te genezen(3), onderwijs te geven(3), zeer verontrust te worden(2), horen(2), spreken(2), om aan te houden(2), voor te gaan(2), pas op(2), zeiden(2), te drinken(2), te eten(2), zaaien(2), te vloeken(2), te vermanen(2), voortbrengen(2), dienen(2), om te vergeven(2), om te hebben(2), vasten(2), verwonderde(2), lief te hebben(2), uit te zenden(1), te {banen}(1), te smeken(1), luisten(1), om te verkondigen(1), om uit te werpen(1), uitwerpen(1), nestellen(1), op aandrongen(1), te onderwijzen(1), rondlopen(1), te spreken(1), Hij uit te werpen(1), te misleiden(1), te bespuwen(1), lang bleef(1), te stompen(1), te bedekken(1), te roepen(1), voornaamsten zijn(1), te ondervragen(1), vasthouden(1), te dragen naar(1), verheerlijkten(1), volgen(1), zeer verontwaardigd te worden(1), overkomen(1), roeien(1), om te geven(1), te doen(1), om te doen(1), te plukken(1), sprak(1), zag(1), sliepen(1), om te zaaien(1), te verwijten(1), om te onderwijzen(1), doen(1), te kunnen zeggen(1), te geven(1), kon(1), zij konden uitwerpen(1), treuren(1), er nestelen(1), te hebben(1), vrij te laten(1), te zweren(1), zij spraken(1), om te spreken(1), er plaats was(1), bekend te maken(1), te slaan(1), te zoeken(1), in te laten zien(1), te onderscheiden(1), te lijden(1), houden(1), na te laten(1), er plaats maken(1), vergeven(1)

horen..
G191horen
luisteren

V-PAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

om te horen..
gebruikte vertalingenom te horen(6), horen(2), luisten(1)
laat hij horen  
 
ακουετω
akouetò
G191..
gebruikte vertalingenhoorden(18), hoorde(12), horen(10), om te horen(8), laat hij horen(6), jullie horen(6), hoort(6), jullie hebben gehoord(5), hoor(4), zij hoorden(4), zij hebben gehoord(3), luister(2), hoort U(2), hij luistert(2), zij horen(2), zij hadden gehoord(2), hebben jullie gehoord(2), had horen(1), luisterde(1), zij had gehoord(1), zij luisteren(1), hij hoorde(1), Luister(1), had aangehoord(1), het hoorde(1), hoorde het(1), luisten(1), hij luisterde(1), ze horen(1), zal horen(1), had hoorde(1), aanhoort(1), is gehoord(1), zullen jullie horen(1), hebben zij gehoord(1), het werd {bekend}(1), zou horen(1), het hoort(1), kunnen horen(1), hoor!(1)
 G5720..
gebruikte vertalingenga(28), pas op(8), blijf waken(8), laat hij horen(6), heb goede moed(5), volg(5), breng(4), let op(4), goedendag(4), eer(4), zie toe(3), blijf doen(3), geloof(3), kom tot inkeer(3), verhinder(3), blijven volgen(2), hoor(2), moet {gebracht worden}(2), begrijp(2), help(2), laat scheiden(2), maak(2), heb(2), laat zij vluchten(2), laat hij begrijpen(2), vlucht(2), luister(2), kijk uit(2), blijf zoeken(2), verzamel schatten(2), loop(2), hoor!(1), weten jullie(1), zwijg(1), wees bezorgd(1), zijn jullie bezorgd(1), blijf wakker(1), laat hij naar beneden gaan(1), ga weg(1), heb geloof(1), blijf(1), vergeef(1), wees van tevoren bezorgt(1), overdenk(1), vrede(1), blijf zegenen(1), oordeel(1), Luister(1), spreek(1), zie erop toe(1), verkondig(1), laat het weten(1), geloven jullie(1), weest verheugd(1), brengen(1), wek op(1), maak rein(1), werp uit(1), vertrek(1), geef(1), blijf vragen(1), houd jullie aan(1), doe(1), laat hij er plaats voor maken(1), blijf kloppen(1), blijf liefhebben(1), ga weg jullie(1), Zie toe(1), genees(1)

horen..
G191horen
luisteren

V-PAM-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) laat horen..
gebruikte vertalingenlaat hij horen(6)


Afwijkingen
O?_BZ_TR_Awaarschijnlijk oorspronkelijk, komt voor  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)