Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   

HSV
(TR)
Want de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.
NBV
(NA27)
Want de Mensenzoon is heer en meester over de sabbat. '
NBG51
(N(A))
Want de Zoon des mensen is heer over de sabbat.
NW
(WH)
Want de Zoon des mensen is Heer van de sabbat.'
RBV
(BZ+)
Want de Zoon van de mens is Heer [[[, óók]]] van de sabbat.'
RBVI
(BZ+)
Heer    want    is    [[[ ook  ]]]  van de    sabbat    de    Zoon    van de    mens  


Heer  
 
κυριος
kurios
G2962..
gebruikte vertalingenHeer!(27), heer(26), Heer(17), JEHOVAH(15), van JEHOVAH(11), HEER(4), heren(2), heer!(2), van heer(1)

heer..
G2962heer
JEHOVAH, meester*

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

heer..
gebruikte vertalingenheer(18), Heer(6), JEHOVAH(5), HEER(2)
want  
 
γαρ
gar
G1063..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)

want..
G1063want
dan, toch

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

want..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)
is  
 
εστιν
estin
G2076..
gebruikte vertalingenis(111), het is(23), betekent(10), is het(9), Hij is(7), er is(7), {hebben}(3), ze is(3), was(2), Hij was(2), het betekent(2), {komt}(2), is er(2), -(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), er zijn(1), het was(1), is hij(1), zijn(1), hij is(1), is Hij(1), {kan} Hij {zijn}(1)
 G5748..
gebruikte vertalingenis(111), zijn(27), het is(23), bent(13), ben(10), betekent(10), is het(9), er is(7), Hij is(7), zij zijn(6), U bent(6), u bent(6), er zijn(5), zijn jullie(4), {hebben}(3), ze is(3), ik ben(3), zijn zij(2), was(2), Hij was(2), -(2), het betekent(2), is er(2), {komt}(2), Ik ben(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), jullie zijn(1), bent u hier(1), jullie {toebehoren}(1), het was(1), wij zijn(1), is hij(1), verklaarde zij(1), hij is(1), ik ben het(1), zij er zijn(1), ben het(1), het bent(1), is Hij(1), zijn er(1), ben Ik(1), bent u(1), {kan} Hij {zijn}(1)

is..
G2076is
betekent, {komt}, {heeft}

V-PXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) is..
gebruikte vertalingenis(111), het is(23), betekent(10), is het(9), Hij is(7), er is(7), {hebben}(3), ze is(3), was(2), Hij was(2), het betekent(2), {komt}(2), is er(2), -(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), er zijn(1), het was(1), is hij(1), zijn(1), hij is(1), is Hij(1), {kan} Hij {zijn}(1)
[[[ ook  ]]]
E_TR_A
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
van de  
 
του
tou
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSN
o ev lw gen..
woordvormonzijdig
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingende(34), van de(28), van het(22), het(16), dan de(2), van(1), aan het(1)
sabbat  
 
σαββατου
sabbatou
G4521..
gebruikte vertalingensabbatten(10), sabbat(7), van week(2), week(1), op een sabbat(1), een sabbat(1), sabat(1)

sabbat..
G4521sabbat
zeven dagen*, week

N-GSN
o ev zn gen..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) sabbat..
gebruikte vertalingensabbat(4), week(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
Zoon  
 
υιος
uios
G5207..
gebruikte vertalingenZoon(80), zonen(19), zoon(12), een Zoon(7), Zoon!(5), {vrienden}(2), een zoon(1), jong(1)

zoon..
G5207zoon
jong

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

zoon..
gebruikte vertalingenZoon(57), een Zoon(5), zoon(2)
van de  
 
του
tou
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSM
m ev lw gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) van de..
gebruikte vertalingenvan de(227), de(98), van het(22), het(13), DIE(8), -(8), van(4), dat(3), die(2), aan de(1), {uit} de(1), wie(1), van die(1), van wie(1)
mens  
 
ανθρωπου
anthròpou
G444..
gebruikte vertalingenmens(72), mensen(41), iemand(19), een mens(16), een man(7), van mensen(7), man(5), met een mens(3), Man(2), Mens(1)

mens..
G444mens
iemand, man

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) mens..
gebruikte vertalingenmens(51), man(1), iemand(1)


Afwijkingen
E_TR_A[[[ vrijwel zeker niet oorspronkelijk, komt voor  ]]]

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)