Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   

HSV
(TR)
Maar uw ogen zijn zalig omdat zij zien, en uw oren omdat zij horen.
NBV
(NA27)
Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen!
NBG51
(N(A))
Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen.
NW
(WH)
Gelukkig zijn UW ogen echter omdat ze zien, en UW oren omdat ze horen.
RBV
(BZ+)
Maar gezegend [zijn] jullie ogen, omdat ze zien, en jullie oren, omdat ze horen.
RBVI
(BZ+)
van jullie    maar    gezegend    de    ogen    omdat    ze zien    en    de    oren    van jullie    omdat    het hoort    ze horen  


van jullie  
 
υμων
umòn
G5216..
gebruikte vertalingenvan jullie(73), jullie(23), {als} jullie(1), -(1)

(van) jullie..
G5216(van) jullie

P-2GP
mv pn gen..
woordvormmeervoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) jullie..
gebruikte vertalingenvan jullie(73), jullie(23), {als} jullie(1), -(1)
maar  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
gezegend  
 
μακαριοι
makarioi
G3107..
gebruikte vertalingengezegend(13)

gezegend..
G3107gezegend
gelukkig*

A-NPM
m mv bn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

gezegend..
gebruikte vertalingen
de  
 
οι
oi
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPM
m mv lw nom..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(256), die(59), -(47), dit(2), het(1), deze(1), {sommigen}(1)
ogen  
 
οφθαλμοι
ophthalmoi
G3788..
gebruikte vertalingenogen(17), oog(13), een oog(3)

oog..
G3788oog

N-NPM
m mv zn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

ogen..
gebruikte vertalingenogen(6)
omdat  
 
οτι
oti
G3754..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)

(om)dat..
G3754(om)dat
want, -, waarom

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

dat..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)
ze zien  
 
βλεπουσιν
blepousin
G991..
gebruikte vertalingenlet op(4), pas op(4), jullie zien(3), zien(3), toeziet(3), zagen(2), hij zag(2), zij kijken(2), U ziet(2), U kijkt(2), kijken(2), ik zie(1), ze zien(1), ziet u(1), zag(1), zullen jullie kijken(1), kijkt(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

zien..
G991zien
kijken, toezien, opletten, oppassen

V-PAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) zien..
gebruikte vertalingen
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
de  
 
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPN
o mv lw nom..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(25), het(5), wat(4), -(1)
oren  
 
ωτα
òta
G3775..
gebruikte vertalingenoren(11), oor(1)

oor..
G3775oor

N-NPN
o mv zn nom..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

..
gebruikte vertalingen
van jullie  
 
υμων
umòn
G5216..
gebruikte vertalingenvan jullie(73), jullie(23), {als} jullie(1), -(1)

(van) jullie..
G5216(van) jullie

P-2GP
mv pn gen..
woordvormmeervoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) jullie..
gebruikte vertalingenvan jullie(73), jullie(23), {als} jullie(1), -(1)
omdat  
 
οτι
oti
G3754..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)

(om)dat..
G3754(om)dat
want, -, waarom

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

dat..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)
het hoort  
E??_BZ_TR_V+
ακουει
akouei
G191..
gebruikte vertalingenhoorden(18), hoorde(12), horen(10), om te horen(8), laat hij horen(6), jullie horen(6), hoort(6), jullie hebben gehoord(5), hoor(4), zij hoorden(4), zij hebben gehoord(3), luister(2), hoort U(2), hij luistert(2), zij horen(2), zij hadden gehoord(2), hebben jullie gehoord(2), had horen(1), luisterde(1), zij had gehoord(1), zij luisteren(1), hij hoorde(1), Luister(1), had aangehoord(1), het hoorde(1), hoorde het(1), luisten(1), hij luisterde(1), ze horen(1), zal horen(1), had hoorde(1), aanhoort(1), is gehoord(1), zullen jullie horen(1), hebben zij gehoord(1), het werd {bekend}(1), zou horen(1), het hoort(1), kunnen horen(1), hoor!(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

horen..
G191horen
luisteren

V-PAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) ..
gebruikte vertalingen
ze horen  
O??_WH_NA27_V+
ακουουσιν
akouousin
G191..
gebruikte vertalingenhoorden(18), hoorde(12), horen(10), om te horen(8), laat hij horen(6), jullie horen(6), hoort(6), jullie hebben gehoord(5), hoor(4), zij hoorden(4), zij hebben gehoord(3), luister(2), hoort U(2), hij luistert(2), zij horen(2), zij hadden gehoord(2), hebben jullie gehoord(2), had horen(1), luisterde(1), zij had gehoord(1), zij luisteren(1), hij hoorde(1), Luister(1), had aangehoord(1), het hoorde(1), hoorde het(1), luisten(1), hij luisterde(1), ze horen(1), zal horen(1), had hoorde(1), aanhoort(1), is gehoord(1), zullen jullie horen(1), hebben zij gehoord(1), het werd {bekend}(1), zou horen(1), het hoort(1), kunnen horen(1), hoor!(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

horen..
G191horen
luisteren

V-PAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) horen..
gebruikte vertalingenhoren(2), ze horen(1), zij horen(1)


Afwijkingen
E??_BZ_TR_V+waarschijnlijk niet oorspronkelijk, andere vorm, merkbaar  
O??_WH_NA27_V+waarschijnlijk oorspronkelijk, andere vorm, merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)