Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   

HSV
(TR)
Petrus antwoordde Hem en zei: Heere, als U het bent, geef mij dan bevel over het water naar U toe te komen.
NBV
(NA27)
Petrus antwoordde: 'Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen. '
NBG51
(N(A))
Petrus antwoordde Hem en zeide: Here, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water.
NW
(WH)
Petrus gaf hem ten antwoord: 'Heer, als gij het zijt, gebied mij dan over het water naar u toe te komen.'
RBV
(BZ+)
En Petrus antwoordde Hem [en] zei: 'Heer als U het bent, geef mij [dan] opdracht om over het water naar U toe te komen.'
RBVI
(BZ+)
antwoordde    maar    Hem    de    Petrus    zei    Heer    als    U    het bent    geef opdracht    mij    naar    U    om te komen    over    het    water  


antwoordde  
 
αποκριθεις
apokritheis
G611..
gebruikte vertalingenantwoordde(48), Hij antwoordde(14), antwoordde Hij(8), hij antwoordde(5), zij antwoordden(4), antwoordt U(3), begon te spreken(3), antwoordden(2), antwoorden(2), antwoord(1), Hij had geantwoord(1), zij moesten antwoorden(1), jullie antwoorden(1), had geantwoord(1), begon te antwoorden(1), zullen zij antwoorden(1), zullen antwoorden(1), zal Hij antwoorden(1), HIj antwoordde(1), zij antwoordde(1)
 G5679..
gebruikte vertalingenantwoordde(41), Hij antwoordde(12), ga(7), antwoordde Hij(6), hij antwoordde(5), begon te spreken(3), had medelijden(3), zij antwoordden(3), ging(2), gingen zij heen(1), had hij spijt(1), door demonen bezetene was(1), bevreesd was(1), herinnerde(1), heb medelijden(1), ik werd bevreesd(1), ging heen(1), gingen(1), HIj antwoordde(1), overdacht(1), hij spijt(1), gingen heen(1), begon te antwoorden(1), gaat(1)

antwoorden..
G611antwoorden
beginnen te antwoorden, beginnen te spreken

V-AOP-NSM
m ev ww pas-d..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
passief-deponent

(hij) antwoordde..
gebruikte vertalingenantwoordde(41), Hij antwoordde(12), antwoordde Hij(6), hij antwoordde(5), begon te spreken(3), HIj antwoordde(1), begon te antwoorden(1)
maar  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
Hem  
O_BZ_TR_NA27_T+
αυτω
autò
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-DSM
m ev pn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) hem..
gebruikte vertalingenHem(101), tot Hem(62), hem(45), tot hem(38), Hem toe(17), Hij(6), bij Hem(6), aan Hem(5), aan hem(5), met Hem(4), voor hem(4), voor Hem(4), met hem(2), hij(2), er(2), naar Hem(2), tegen hem(1), erop(1), hem toe(1), bij hem(1), daar(1), er om(1), voor HEM(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
Petrus  
 
πετρος
petros
G4074..
gebruikte vertalingenPetrus(42), van Petrus(1)

Petrus..
G4074Petrus

betekent: een rotsblok

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

Petrus..
gebruikte vertalingenPetrus(25)
zei  
 
ειπεν
eipen
G2036..
gebruikte vertalingenzei(132), Hij zei(21), zij zeiden(13), zeiden(12), zeg(11), heeft gezegd(6), zei Hij(6), zegt(6), zeiden zij(5), vertel(4), vroegen(3), hij zei(3), wij zeggen(3), spreek(3), te zeggen(3), hebt gezegd(2), Hij heeft gezegd(2), ik heb gezegd(2), om te zeggen(2), zij zeggen(2), Hij sprak(2), vraagt(2), zij zei(2), u vertelt(2), zei hij(2), te vertellen(2), vertelde(2), Hij had gezegd(2), zegt U(1), gezegd had(1), Hij gezegd had(1), zij spraken(1), zouden zeggen(1), hij zegt(1), zeggen wij(1), Hij(1), Hij gesproken had(1), Ik sprak(1), om te vragen(1), spreken(1), ik zeg(1), vroeg Hij(1), zeggen(1), zou zeggen(1), jullie zeggen(1), jullie vertellen(1), sprak(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

zeggen..
G2036zeggen
vertellen, spreken, vragen

V-2AAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) zei..
gebruikte vertalingenzei(132), Hij zei(21), heeft gezegd(6), zei Hij(6), hij zei(3), Hij heeft gezegd(2), Hij had gezegd(2), zei hij(2), zij zei(2), vertelde(1), Hij(1), gezegd had(1), Hij sprak(1), Hij gesproken had(1), om te vragen(1), vroeg Hij(1)
Heer  
 
κυριε
kurie
G2962..
gebruikte vertalingenHeer!(27), heer(26), Heer(17), JEHOVAH(15), van JEHOVAH(11), HEER(4), heren(2), heer!(2), van heer(1)

heer..
G2962heer
JEHOVAH, meester*

N-VSM
m ev zn..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord

heer!..
gebruikte vertalingenHeer!(27), Heer(5), heer(4), heer!(2), HEER(1)
als  
 
ει
ei
G1487..
gebruikte vertalingenals(47), behalve(15), of(8), dan(6), anders(5), -(4), {maar}(4), al(2), indien(2), {dat}(1), {geen}(1), {om}(1)

als..
G1487als
behalve, anders, dan, of, {maar}, -, indien

COND
vw-c..
woordvormvoegwoord-conditie

als..
gebruikte vertalingenals(47), behalve(15), of(8), dan(6), anders(5), -(4), {maar}(4), al(2), indien(2), {dat}(1), {geen}(1), {om}(1)
U  
 
συ
su
G4771..
gebruikte vertalingenU(14), u(14)

u..
G4771u

P-2NS
ev pn nom..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
nominatief

u..
gebruikte vertalingenU(14), u(14)
het bent  
 
ει
ei
G1488..
gebruikte vertalingenbent(13), U bent(6), u bent(6), bent u(1), het bent(1)
 G5748..
gebruikte vertalingenis(111), zijn(27), het is(23), bent(13), ben(10), betekent(10), is het(9), er is(7), Hij is(7), zij zijn(6), U bent(6), u bent(6), er zijn(5), zijn jullie(4), {hebben}(3), ze is(3), ik ben(3), zijn zij(2), was(2), Hij was(2), -(2), het betekent(2), is er(2), {komt}(2), Ik ben(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), jullie zijn(1), bent u hier(1), jullie {toebehoren}(1), het was(1), wij zijn(1), is hij(1), verklaarde zij(1), hij is(1), ik ben het(1), zij er zijn(1), ben het(1), het bent(1), is Hij(1), zijn er(1), ben Ik(1), bent u(1), {kan} Hij {zijn}(1)

bent..
G1488bent

V-PXI-2S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(u) bent..
gebruikte vertalingenbent(13), U bent(6), u bent(6), bent u(1), het bent(1)
geef opdracht  
 
κελευσον
keleuson
G2753..
gebruikte vertalingengaf bevel(2), Hij gaf opdracht(2), geef bevel(1), gaf hij bevel(1), geef opdracht(1), gaf Hij opdracht(1)
 G5657..
gebruikte vertalingenzie(10), wees barmhartig(6), hak af(4), red(4), til op(4), bericht(4), stuur weg(3), toon(3), blijf(2), grijp(2), hoor(2), maak(2), verkoop(2), leg uit(2), ga zitten(2), op nemen(2), heb geduld(2), strek uit(2), profeteer(2), maak gereed(2), hang aan een paal(2), schudt af(2), beërf(1), neem af(1), verkondingen(1), doe open(1), laat hij keren(1), koop(1), maak klaar(1), volg(1), maak discipelen(1), geef bevel(1), maak vol(1), zend(1), vraag(1), laat hij terugkeren(1), help(1), {steek terug}(1), wijs terecht(1), sta toe(1), wees barmhartig!(1), onderzoek(1), verblijf(1), staat toe(1), doe(1), breng voort(1), laat schijnen(1), keer(1), kijk(1), verkonding(1), neem op(1), roep(1), neem(1), nodig uit(1), draag weg(1), houdt u aan(1), doe onderzoek(1), verzamel(1), bind(1), geef opdracht(1), reinig(1)

opdracht geven..
G2753opdracht geven
bevel geven

V-AAM-2S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(u) geef opdracht..
gebruikte vertalingen
mij  
 
με
me
G3165..
gebruikte vertalingenMij(40), mij(11), Ik(7), MIJ(4), ik(2), van Mij(1)

mij..
G3165mij
ik

P-1AS
ev pn acc..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

mij..
gebruikte vertalingenMij(40), mij(11), Ik(7), MIJ(4), ik(2), van Mij(1)
naar  
 
προς
pros
G4314..
gebruikte vertalingennaar(41), bij(38), om(7), tot(7), met(6), voor(4), -(3), aan(3), onder(1), naar toe(1), {over}(1)

naar..
G4314naar
bij, tot, om, voor, aan, met

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

naar..
gebruikte vertalingennaar(41), bij(38), om(7), tot(7), met(6), voor(4), -(3), aan(3), onder(1), naar toe(1), {over}(1)
U  
 
σε
se
G4571..
gebruikte vertalingenu(29), U(17)

u..
G4571u

P-2AS
ev pn acc..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

u..
gebruikte vertalingenu(29), U(17)
om te komen  
BZ_TR_T-
ελθειν
elthein
G2064..
gebruikte vertalingenkwam(30), komt(22), zij kwamen(14), komen(13), kwamen(13), Hij kwam(10), kom(6), is gekomen(6), Ik ben gekomen(5), Hij komt(5), kwam Hij(5), zij kwam(4), gekomen is(4), kwam er(3), er kwam(3), te komen(3), kwam{en}(3), kwamen zij(3), hij komt(3), om te komen(2), komende(2), Hij ging(2), er zullen komen(2), zullen komen(2), gingen(2), laat komen(2), er ontstonden(2), was gekomen(2), bent U gekomen(2), gaan(1), {wordt gehaald}(1), komt Hij(1), gingen zij(1), bleven zij komen(1), het komt(1), was {geworden}(1), er kwamen(1), hij zal komen(1), zijn gekomen(1), gekomen(1), gekomen was(1), {komst}(1), zij gingen(1), Ik gekomen ben(1), wij zijn gekomen(1), komen zou(1), ik ben gekomen(1), gekomen waren(1), was gegaan(1), hij kwam(1), kan komen(1), zijn wij gekomen(1), jullie zijn gekomen(1), die komt(1), kunnen komen(1)
 G5629..
gebruikte vertalingenbinnen te komen(7), te eten(6), om te zien(6), komen(4), om te geven(4), om te eten(4), te geven(3), drinken(3), te nemen(3), komt(3), te komen(3), te werpen(2), te gaan zitten(2), uitwerpen(2), om te stappen(2), om te grijpen(2), om te komen(2), voorbij gaan(2), om te zeggen(2), gaan(2), te drinken(2), geven(2), te zeggen(2), {om te brengen}(2), binnenkomen(2), om te {betalen}(2), zij konden eten(1), kon binnengaan(1), om te werpen(1), om te weg gaan(1), uitgaan(1), opstaan(1), om binnen te komen(1), samen sterven(1), voort zou brengen(1), eraf halen(1), zou opstaan(1), zou lijden(1), te weten zou komen(1), sterven(1), onopgemerkt blijven(1), zij moesten voorzetten(1), mee te nemen(1), te kennen(1), gevonden(1), om te halen(1), te gaan(1), weg te gaan(1), om te gaan(1), toevoegen(1), om tenemen(1), om mee te nemen(1), heen te gaan(1), om te ontkomen(1), bied tegenstand(1), zien(1), om te kennen(1), door te gaan(1), om in ontvangst te nemen(1), om binnen tekomen(1), samen bijeen brengen(1), terug betalen(1), samen gekomen waren(1), {zij} weggaan(1), eten(1), zou moeten lijden(1), {storten}(1)

komen..
G2064komen
gaan, onstaan

V-2AAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

te komen..
gebruikte vertalingenkomen(4), komt(3), om te komen(2), te komen(1)
over  
 
επι
epi
G1909..
gebruikte vertalingenop(88), over(39), in(12), tegen(12), bij(12), met(11), van(10), voor(8), aan(5), {naar}(3), {ten tijde}(2), -(2), jegens(1), {om}(1), {tussen}(1), {langs}(1)

op..
G1909op
over, bij, tegen, met, van, voor, in, aan, {ten tijde}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

op..
gebruikte vertalingenop(78), over(30), van(9), tegen(8), in(8), bij(7), met(5), voor(5), aan(3), {ten tijde}(2), {naar}(2), {langs}(1), {om}(1), {tussen}(1)
het  
 
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APN
o mv lw acc..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(106), wat(16), het(12), -(2), dat(1), die(1)
water  
 
υδατα
udata
G5204..
gebruikte vertalingenwater(12), met water(1)

water..
G5204water

N-APN
o mv zn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

water..
gebruikte vertalingenwater(3)


Afwijkingen
O_BZ_TR_NA27_T+vrijwel zeker oorspronkelijk, andere plaats, merkbaar  
BZ_TR_T-andere plaats, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)