Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   

HSV
(TR)
Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten.
NBV
(NA27)
'Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten. '
NBG51
(N(A))
Waarom overtreden uw discipelen de overlevering der ouden?
NW
(WH)
'Waarom overtreden uw discipelen de overlevering van de mannen uit vroeger tijden? Zij wassen bijvoorbeeld hun handen niet vlak voordat zij een maaltijd nuttigen.'
RBV
(BZ+)
Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de oudere mannen? Want zij wassen hun handen niet wanneer zij brood gaan eten.
RBVI
(BZ+)
om    waar    de    discipelen    van U    overtreden    de    overlevering    van de    oudere mannen    niet    want    zij wassen    de    handen    van hun    wanneer    brood    zij gaan eten  


om  
 
δια
dia
G1223..
gebruikte vertalingenom(28), door(26), vanwege(20), omdat(4), over(3), voor(2), {uit}(2), {in}(2), {aan}(1), {tijd}(1), {van}(1), {na}(1)

om..
G1223om
door [bemiddeling van], vanwege, omdat, over, voor, omwille

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

door..
gebruikte vertalingenom(27), door(21), vanwege(20), omdat(4), voor(2), over(2), {uit}(2), {in}(2), {aan}(1), {van}(1), {tijd}(1)
waar  
 
τι
ti
G5101..
gebruikte vertalingenwat(69), wie(27), waarom(24), waar(18), van wie(5), wat?(4), waarover(3), {iets}(3), waarmee(3), Wie(2), wie?(2), -(2), hoe(2), waarom?(1), iets(1)

wat..
G5101wat
wie, waarom, waar, waarmee, hoe, waarover, {iets}

I-ASN
o ev vnw-ov acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
voornaamwoord-ondervragend
acusatief

wat..
gebruikte vertalingenwat(53), waarom(19), waar(17), waarover(3), {iets}(3), wat?(1), waarom?(1), iets(1)
de  
 
οι
oi
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPM
m mv lw nom..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(256), die(59), -(47), dit(2), het(1), deze(1), {sommigen}(1)
discipelen  
 
μαθηται
mathètai
G3101..
gebruikte vertalingendiscipelen(116), discipel(2), aan discipelen(1), van een discipel(1)

discipel..
G3101discipel
leerling*

N-NPM
m mv zn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

discipelen..
gebruikte vertalingendiscipelen(60)
van U  
 
σου
sou
G4675..
gebruikte vertalingenvan u(107), van U(32), u(11), U(9), uw(1)

(van) u..
G4675(van) u

P-2GS
ev pn gen..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) u..
gebruikte vertalingenvan u(107), van U(32), u(11), U(9), uw(1)
overtreden  
 
παραβαινουσιν
parabainousin
G3845..
gebruikte vertalingenovertreden(2)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

overtreden..
G3845overtreden

V-PAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) overtreden..
gebruikte vertalingen
de  
 
την
tèn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASF
v ev lw acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(226), het(103), -(8), dat(5), {wie}(1), wat(1)
overlevering  
 
παραδοσιν
paradosin
G3862..
gebruikte vertalingenoverlevering(8)

overlevering..
G3862overlevering

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

overlevering..
gebruikte vertalingenoverlevering(7)
van de  
 
των
tòn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GPM
m mv lw gen..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingenvan de(141), de(80), die(8), van die(7), -(3), voor de(3), onder de(2), van(1), dan de(1)
oudere mannen  
 
πρεσβυτερων
presbuteròn
G4245..
gebruikte vertalingenoudere mannen(20)

oudere mannen..
G4245oudere mannen

A-GPM
m mv bn gen..
woordvormmannelijk
meervoud
bijvoegelijk-naamwoord
genetief

(van) oudere mannen..
gebruikte vertalingenoudere mannen(11)
niet  
 
ου
ou
G3756..
gebruikte vertalingenniet(256), geen(45), geens(13), zeker(12), nee(4), ?(1), -(1), {alleen}(1), niet{s}(1)

niet..
G3756niet
geen, geens[zins], zeker [niet], nee, niet{s}

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(99), geen(21), zeker(12), geens(12), nee(3)
want  
 
γαρ
gar
G1063..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)

want..
G1063want
dan, toch

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

want..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)
zij wassen  
 
νιπτονται
niptontai
G3538..
gebruikte vertalingenhebben gewassen(1), zij wassen(1), was(1)
 G5731..
gebruikte vertalingenrusten jullie(2), jullie vragen(2), vragen(1), verdeelden zij(1), wij aan het vergaan zijn(1), Ik loof(1), wij zijn aan het vergaan(1), zij wassen(1)

wassen..
G3538wassen

V-PMI-3P
mv ww med..
woordvormmeervoud
werkwoord
medium

(ZIJ) wassen..
gebruikte vertalingen
de  
 
τας
tas
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APF
v mv lw acc..
woordvormvrouwelijk
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(66), het(2), -(2), die(1)
handen  
 
χειρας
cheiras
G5495..
gebruikte vertalingenhanden(25), hand(22), een hand(2)

hand..
G5495hand

N-APF
v mv zn acc..
woordvormvrouwelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

handen..
gebruikte vertalingenhanden(20)
van hun  
O?_BZ_TR_NA27_A
αυτων
autòn
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GPM
m mv pn gen..
woordvormmannelijk
meervoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) -..
gebruikte vertalingenvan hun(89), hen(21), zij(15), van hen(9), hun(3), er(2), -(2), {met} hun(1), {ervoor}(1), ze(1), {naar} hen(1), van {hem}(1)
wanneer  
 
οταν
otan
G3752..
gebruikte vertalingenwanneer(34), {dat}(3), {zolang}(1), als(1)

wanneer..
G3752wanneer
als

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

wanneer..
gebruikte vertalingenwanneer(34), {dat}(3), {zolang}(1), als(1)
brood  
 
αρτον
arton
G740..
gebruikte vertalingenbroden(29), brood(11), een brood(3)

brood..
G740brood

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

brood..
gebruikte vertalingenbrood(8), een brood(3)
zij gaan eten  
 
εσθιωσιν
esthiòsin
G2068..
gebruikte vertalingeneten(5), aten(4), eet(2), te eten(2), eten zij(2), eet Hij(1), hij at(1), zij gaan eten(1), hij eet(1), Hij eet(1), er gegeten(1), gegeten(1)
 G5725..
gebruikte vertalingenwil(6), doet struikelen(3), laten wij gaan(3), uitspruiten(2), doden(2), Ik drink(2), jullie willen(2), laten wij doden(2), jullie hebben(2), hij slaapt(1), zullen(1), te waken(1), heeft(1), horen(1), begrijpen(1), te doen(1), jullie standvastig zijn(1), mee te nemen(1), u wilt(1), kijken(1), komt op(1), u doet(1), te spreken(1), U het wilt(1), zij overleveren(1), zij vervolgen(1), kan neer leggen(1), U wilt(1), doen(1), zij gaan eten(1), de weg wijst(1), er steeds bij blijven(1), zij samengedringen(1), u brengt(1), te hebben(1), jullie vasten(1), uit zenden(1)

eten..
G2068eten

V-PAS-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) eten..
gebruikte vertalingen


Afwijkingen
O?_BZ_TR_NA27_Awaarschijnlijk oorspronkelijk, komt voor  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)