Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   

HSV
(TR)
Toen antwoordde Jezus en zei tegen haar: O vrouw, groot is uw geloof; het zal gebeuren zoals u wilt. En haar dochter was vanaf dat moment gezond.
NBV
(NA27)
Toen antwoordde Jezus haar: 'U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren. ' En vanaf dat moment was haar dochter genezen.
NBG51
(N(A))
Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.
NW
(WH)
Daarop gaf Jezus haar ten antwoord: 'O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wenst.' En haar dochter was van dat uur af genezen.
RBV
(BZ+)
Toen antwoordde Jezus [en] zei tot haar: 'O, vrouw, groot is uw geloof, laat het voor u gebeuren, zoals u wilt.' En haar dochter was vanaf dat moment gezond.
RBVI
(BZ+)
toen    antwoordde    de    Jezus    zei    tot haar    o    vrouw    groot    van u    het    geloof    laat het gebeuren    voor u    zoals    u wilt    en    was gezond    de    dochter    van haar    vanaf    de    moment    dat  


toen  
 
τοτε
tote
G5119..
gebruikte vertalingentoen(57), dan(33), dat moment(3), -(2), op dat moment(1)

toen..
G5119toen
dan, (op) dat moment

ADV
bw..
woordvormbijwoord

toen..
gebruikte vertalingentoen(57), dan(33), dat moment(3), -(2), op dat moment(1)
antwoordde  
 
αποκριθεις
apokritheis
G611..
gebruikte vertalingenantwoordde(48), Hij antwoordde(14), antwoordde Hij(8), hij antwoordde(5), zij antwoordden(4), antwoordt U(3), begon te spreken(3), antwoordden(2), antwoorden(2), antwoord(1), Hij had geantwoord(1), zij moesten antwoorden(1), jullie antwoorden(1), had geantwoord(1), begon te antwoorden(1), zullen zij antwoorden(1), zullen antwoorden(1), zal Hij antwoorden(1), HIj antwoordde(1), zij antwoordde(1)
 G5679..
gebruikte vertalingenantwoordde(41), Hij antwoordde(12), ga(7), antwoordde Hij(6), hij antwoordde(5), begon te spreken(3), had medelijden(3), zij antwoordden(3), ging(2), gingen zij heen(1), had hij spijt(1), door demonen bezetene was(1), bevreesd was(1), herinnerde(1), heb medelijden(1), ik werd bevreesd(1), ging heen(1), gingen(1), HIj antwoordde(1), overdacht(1), hij spijt(1), gingen heen(1), begon te antwoorden(1), gaat(1)

antwoorden..
G611antwoorden
beginnen te antwoorden, beginnen te spreken

V-AOP-NSM
m ev ww pas-d..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
passief-deponent

(hij) antwoordde..
gebruikte vertalingenantwoordde(41), Hij antwoordde(12), antwoordde Hij(6), hij antwoordde(5), begon te spreken(3), HIj antwoordde(1), begon te antwoorden(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
Jezus  
 
ιησους
ièsous
G2424..
gebruikte vertalingenJezus(260), van Jezus(5), Jezus!(3), over Jezus(1)

Jezus..
G2424Jezus

betekent: JEHOVAH is redding

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

Jezus..
gebruikte vertalingenJezus(199)
zei  
 
ειπεν
eipen
G2036..
gebruikte vertalingenzei(132), Hij zei(21), zij zeiden(13), zeiden(12), zeg(11), heeft gezegd(6), zei Hij(6), zegt(6), zeiden zij(5), vertel(4), vroegen(3), hij zei(3), wij zeggen(3), spreek(3), te zeggen(3), hebt gezegd(2), Hij heeft gezegd(2), ik heb gezegd(2), om te zeggen(2), zij zeggen(2), Hij sprak(2), vraagt(2), zij zei(2), u vertelt(2), zei hij(2), te vertellen(2), vertelde(2), Hij had gezegd(2), zegt U(1), gezegd had(1), Hij gezegd had(1), zij spraken(1), zouden zeggen(1), hij zegt(1), zeggen wij(1), Hij(1), Hij gesproken had(1), Ik sprak(1), om te vragen(1), spreken(1), ik zeg(1), vroeg Hij(1), zeggen(1), zou zeggen(1), jullie zeggen(1), jullie vertellen(1), sprak(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

zeggen..
G2036zeggen
vertellen, spreken, vragen

V-2AAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) zei..
gebruikte vertalingenzei(132), Hij zei(21), heeft gezegd(6), zei Hij(6), hij zei(3), Hij heeft gezegd(2), Hij had gezegd(2), zei hij(2), zij zei(2), vertelde(1), Hij(1), gezegd had(1), Hij sprak(1), Hij gesproken had(1), om te vragen(1), vroeg Hij(1)
tot haar  
 
αυτη
autè
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-DSF
v ev pn dat..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) haar..
gebruikte vertalingenhaar(10), tot haar(4), aan haar(3), deze(1), tot deze(1), to haar(1), er(1), daar(1), er tegen(1), {eraan}(1)
o  
 
ω
ò
G5599..
gebruikte vertalingeno(3)

o..
G5599o

INJ
tw..
woordvormtussenwerpsel

o..
gebruikte vertalingeno(3)
vrouw  
 
γυναι
gunai
G1135..
gebruikte vertalingenvrouw(33), een vrouw(10), vrouwen(5), van vrouwen(1)

vrouw..
G1135vrouw

N-VSF
v ev zn..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord

vrouw..
gebruikte vertalingen
groot  
 
μεγαλη
megalè
G3173..
gebruikte vertalingengrote(17), groot(7), luide(6), groter(3), groten(2), zeer(1), zware(1), luid(1)

groot..
G3173groot
luid, zwaar, zeer

A-NSF
v ev bn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

grote..
gebruikte vertalingengrote(6), groot(2), zware(1)
van u  
 
σου
sou
G4675..
gebruikte vertalingenvan u(107), van U(32), u(11), U(9), uw(1)

(van) u..
G4675(van) u

P-2GS
ev pn gen..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) u..
gebruikte vertalingenvan u(107), van U(32), u(11), U(9), uw(1)
het  
 
η
è
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSF
v ev lw nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(119), het(56), -(8), die(5), deze(2), dit(1), dat(1)
geloof  
 
πιστις
pistis
G4102..
gebruikte vertalingengeloof(13)

geloof..
G4102geloof
overtuiging*, vertrouwen*

N-NSF
v ev zn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

geloof..
gebruikte vertalingengeloof(4)
laat het gebeuren  
 
γενηθητω
genèthètò
G1096..
gebruikte vertalingenhet was geworden(13), gebeurde het(12), wordt(9), gebeuren(7), worden(7), er ontstond(5), is gebeurd(4), er gebeurd was(4), laat het gebeuren(4), waren gebeurd(3), werden(3), kwam er(3), is geweest(2), is geworden(2), gebeurt(2), komt(2), het wordt(2), werd(2), kan zijn(2), gebeurd(2), wees(2), jullie worden(2), hij wordt(2), er gebeurt was(1), er gebeurde was(1), ontstond er(1), er kwam(1), is er gekomen(1), laat gebeuren(1), er is gebeurd(1), het geworden was(1), was geworden(1), gekomen was(1), waren geweest(1), het gebeurde(1), heeft plaatsgevonden(1), het gebeurd(1), er was {verstreken}(1), gebeurd is(1), Hij was(1), kwam(1), word(1), laat er {voortkomen}(1), het zal gebeuren(1), zijn gebeurd(1), had het blijven bestaan(1), werd het(1), werd{en}(1), er gebeurt(1), zal gebeuren(1), gebeurd zijn(1), hij er wordt(1), er ontstaat(1), was(1), geweest(1), plaatsvindt(1), was er gekomen(1), kan worden(1), er is geweest(1), er gebeurde(1)
 G5676..
gebruikte vertalingenlaat het gebeuren(4), jullie antwoorden(1), antwoord(1), wordt bevreesd(1), smeek(1), ga(1), laat gebeuren(1), wees bevreesd voor(1)

worden..
G1096worden
gebeuren, zijn, ontstaan, komen, plaatsvinden

V-AOM-3S
ev ww pas-d..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief-deponent

(hij/zij/het) laat het worden..
gebruikte vertalingen
voor u  
 
σοι
soi
G4671..
gebruikte vertalingenu(29), voor u(15), U(13), voor U(5), met U(4), aan U(3), {van} u(1), met u(1), tot u(1), aan u(1)

(tot) u..
G4671(tot) u
(voor) u, (aan) u

P-2DS
ev pn dat..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) u..
gebruikte vertalingenu(29), voor u(15), U(13), voor U(5), met U(4), aan U(3), {van} u(1), met u(1), tot u(1), aan u(1)
zoals  
 
ως
òs
G5613..
gebruikte vertalingenals(31), zoals(20), voor(3), zo(3), ongeveer(2), hoe(2), {al}(1), hetzelfde als(1)

(zo)als..
G5613(zo)als
voor, hoe, ongeveer

ADV
bw..
woordvormbijwoord

(zo)als..
gebruikte vertalingenals(31), zoals(20), voor(3), zo(3), ongeveer(2), hoe(2), {al}(1), hetzelfde als(1)
u wilt  
 
θελεις
theleis
G2309..
gebruikte vertalingenwil(11), wilde(7), willen jullie(7), u wilt(4), wilt u(4), zij wilden(4), Ik wil(4), ik wil(3), jullie willen(3), wij willen(2), IK wil(2), U wilt(2), hij wilde(2), U het wilt(1), HIJ behagen in heeft(1), Ik wil het(1), Hij wilde(1), willen(1), wilt U(1), zij wilde(1), wilt(1), wilde hij(1), zij willen(1), heb IK willen(1), jullie hebben gewild(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

willen..
G2309willen
wensen*, behagen in hebben, begeren

V-PAI-2S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(u) wilt..
gebruikte vertalingenwilt u(4), u wilt(3), wilt U(1), U wilt(1)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
was gezond  
 
ιαθη
iathè
G2390..
gebruikte vertalingenwas gezond(2), genezen was(1), IK gezond zal maken(1), zal gezonden worden(1)
 G5681..
gebruikte vertalingener gesproken is(5), kwamen bijeen(4), werden verzadigd(4), Hij is opgewekt(4), werden geopend(3), kan vergeleken worden(3), verdorde het(2), verschroeide het(2), verscheen Hij(2), werd gebracht naar(2), kwam bijeen(2), zou worden gered(2), hij geboren was(2), scheurde(2), veranderde Hij van gedaante(2), raakte hij in beroering(2), hij was hersteld(2), is opgewekt(2), is vervuld(2), was gezond(2), werd vervuld(2), zij waren zichtbaar(1), werd{en} opgewekt(1), wij herinneren(1), beefden(1), zij onderwezen waren(1), spleten(1), werd Hij opgenomen(1), Hij werd gerekend(1), bijeen waren gekomen(1), werd gesloten(1), stonden op(1), herinnerde(1), Hij veroordeeld was(1), wordt bekendgemaakt(1), wordt genoemd(1), beefde(1), is gegeven(1), losgemaakt(1), verscheen(1), was zeer verbaasd(1), droogde op(1), werd geopend(1), hij is opgewekt(1), legden aan(1), herinnerde zich(1), was hersteld(1), zij waren verbaasd(1), gezien was(1), Hij werd gedoopt(1), hij was rein(1), het werd {bekend}(1), stond hij op(1), zij waren zeer verbaasd(1), zij raakten in beroering(1), verdorde(1), is overgedragen(1), wordt gerechtvaardig(1), ontwaakte(1), Hij weggestuurd had(1), hij is verdeeld geworden(1), is vetgemest(1), werd bedroefd(1), vol was(1), gegist was(1), was verlost(1), zij stond op(1), werd hij woedend(1), hij bedrogen was(1), werd bevonden(1), is gehoord(1), gebracht(1), was hij gereinigd(1), is er gesproken(1), overgeleverd was(1), werd gebracht(1), gegeven(1), kon verdorren(1), werd verwekt(1), raakte in opschudding(1), stenigde(1), werd hij boos(1), kwamen zij bijeen(1), werd stil(1), werd gevuld(1), werden gebracht naar(1), geboren worden(1), er aanstoot aan namen(1), werden verlost(1), raakten zij in paniek(1), verschenen(1), was genezen(1), werden zij bedroefd(1), werd er gebracht(1), zij werden bedroefd(1), verkort zouden worden(1)

gezond worden..
G2390gezond worden
gezond maken, genezen, genezen zijn

V-API-3S
ev ww pas..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief

(hij/zij/het) was gezond..
gebruikte vertalingen
de  
 
η
è
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSF
v ev lw nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(119), het(56), -(8), die(5), deze(2), dit(1), dat(1)
dochter  
 
θυγατηρ
thugatèr
G2364..
gebruikte vertalingendochter(13), een dochter(1)

dochter..
G2364dochter

N-NSF
v ev zn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

dochter..
gebruikte vertalingendochter(5)
van haar  
 
αυτης
autès
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSF
v ev pn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) haar..
gebruikte vertalingenvan haar(28), haar(5), aan haar(2), van {hem}(2), van deze(1), -(1), ervan(1), daar(1)
vanaf  
 
απο
apo
G575..
gebruikte vertalingenvan(73), uit(33), vanaf(19), voor(11), aan(9), weg(7), vanuit(4), {door}(3), vandaan(3), -(2), vanwege(2), {op}(2), door(1), {bij}(1)

van(uit)..
G575van(uit)
uit, vanaf, voor, aan, weg, vanwege, vandaan

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

van(uit)..
gebruikte vertalingenvan(53), uit(31), vanaf(13), voor(11), weg(6), aan(6), vanuit(4), {door}(3), vandaan(2), {op}(2), vanwege(2), door(1), {bij}(1), -(1)
de  
 
της
tès
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSF
v ev lw gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingende(96), van de(48), het(35), van het(19), -(3), voor het(2), {in} de(2), bij de(1), {met} de(1), {naar} de(1), die(1), dan het(1)
moment  
 
ωρας
òras
G5610..
gebruikte vertalingenuur(23), moment(7), tijd(2), een uur(2), -(1)

uur..
G5610uur
moment, tijd

N-GSF
v ev zn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) uur..
gebruikte vertalingenuur(6), moment(3), -(1), tijd(1)
dat  
 
εκεινης
ekeinès
G1565..
gebruikte vertalingendie(52), dat(24), -(1), voor die(1), aan {hen}(1), tot {hen}(1)

die..
G1565die
dat

D-GSF
v ev vnw-d gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
voornaamwoord-demonstratief
genetief

(van) die..
gebruikte vertalingendie(7), dat(3)


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)