Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

HSV
(TR)
en 's morgens: Vandaag storm, want de hemel is somber rood. Huichelaars! De aanblik van de lucht weet u wel te onderscheiden, en kunt u de tekenen van de tijden niet [onderscheiden]?
NBV
(NA27)
En 's ochtends: 'Storm op til, want het rood aan de hemel is dreigend. ' De aanblik van de hemel weet u wel te duiden, en de tekenen van de tijd niet?
NBG51
(N(A))
En des morgens: Vandaag ruw weer, want de lucht ziet somber rood. Het aanzien van de lucht weet gij te onderscheiden, maar kunt gij het de tekenen der tijden niet?]
NW
(WH)
en 's morgens: 'Vandaag wordt het winters, regenachtig weer, want de lucht is vuurrood maar ziet er somber uit.' Het aanzien van de lucht weet GIJ uit te leggen, maar de tekenen der tijden kunt GIJ niet uitleggen.]]
RBV
(BZ+)
en 's morgens vroeg: 'Vandaag regenachtig weer, want de hemel is somber rood.' [[[Huichelaars,]]] de aanblik van de hemel weten jullie wel te onderscheiden, maar de tekenen van de tijden kunnen jullie niet [onderscheiden]]].
RBVI
(BZ+)
en    's morgens vroeg    vandaag    regenachtig weer    is rood    want    somber    de    hemel    [[[ huichelaars  ]]]  de    wel    aanblik    van de    hemel    weten jullie    te onderscheiden    de    maar    tekenen    van de    tijden    niet    kunnen jullie  


en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
's morgens vroeg  
 
πρωι
pròi
G4404..
gebruikte vertalingen's morgens vroeg(5), vroeg in de morgen(1), vroeg(1), vroeg morgen(1)

's morgens vroeg..
G4404's morgens vroeg
ochtend, vroeg

ADV
bw..
woordvormbijwoord

's morgens vroeg..
gebruikte vertalingen's morgens vroeg(5), vroeg in de morgen(1), vroeg(1), vroeg morgen(1)
vandaag  
 
σημερον
sèmeron
G4594..
gebruikte vertalingenvandaag(9)

vandaag..
G4594vandaag
(letterlijk) van de dag

ADV
bw..
woordvormbijwoord

vandaag..
gebruikte vertalingenvandaag(9)
regenachtig weer  
 
χειμων
cheimòn
G5494..
gebruikte vertalingenwinter(2), regenachtig weer(1)

regenachtig weer..
G5494regenachtig weer
stromende regen, winter

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

regenachtig weer..
gebruikte vertalingen
is rood  
 
πυρραζει
purrazei
G4449..
gebruikte vertalingenis rood(2)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

rood zijn..
G4449rood zijn

V-PAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) rood..
gebruikte vertalingen
want  
 
γαρ
gar
G1063..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)

want..
G1063want
dan, toch

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

want..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)
somber  
 
στυγναζων
stugnazòn
G4768..
gebruikte vertalingenhij werd somber(1), somber(1)
 G5723..
gebruikte vertalingenzei(80), zeiden(45), heeft(11), had(9), zeggen(9), vroegen(7), er waren(6), sprak(6), hoort(5), om op de proef te stellen(5), slapend(5), hij zei(4), aten(4), zij zeiden(4), te hebben(4), zaaier(4), toeziet(3), doet(3), voortbrengt(3), geloven(3), horen(3), Hij liep(3), verkondigde(3), zegt(3), te zeggen(3), uitwerpen(3), bezittingen(3), zeg(3), zagen(2), zij hadden(2), overgebleven(2), toeroepen(2), zou(2), liefheeft(2), begrijpt(2), levende(2), zij onderwijzen(2), kwaadspreekt(2), lopen(2), onrein {maakt}(2), verkopers(2), opbouwt(2), Hij afbreekt(2), schudden(2), {te} werpen(2), spotten(2), toekeken(2), zij volgden(2), jullie hebben(2), eten(2), doopte(2), ging overleveren(2), hij overlevert(2), van levenden(2), onderwijs gaf(2), spreken(2), verkochten(2), heiligt(2), het leest(2), dorst(2), de borst geven(2), zijn(2), afdaalden(2), bouwers(2), vragen(2), zij sterk zijn(2), zoekt(2), zij er zijn(2), leidt(2), zij zochten(2), volgden(2), wil(2), onderwijs gegeven(2), vraagt(2), Hij gaf onderwijs(2), hij verkondigde(2), genas(2), komende(2), riepen(2), roept(2), neerdalen(2), hebben(2), schreeuwen(1), sneed(1), zij horen(1), zij houden vast aan(1), zij hoedden(1), lag te slapen(1), ontkennen jullie autoriteit(1), gezond van verstand(1), geween(1), gejammer(1), gaan(1), hoorden(1), zij kijken(1), beefde(1), gingen(1), stapte(1), samendringen op(1), verzwakt zijn(1), vasten(1), doop(1), {bewakers}(1), onderwijs(1), hij at(1), Hij omhoog kwam(1), licht begon te worden(1), Hij leefde(1), herstellen(1), beproever(1), zij bewaakten(1), om te bedienden(1), waren aan het herstellen(1), met koorts(1), is rein(1), te plukken(1), om te roepen(1), kwam op(1), Hij verder ging(1), brengen(1), Hij verkondigde(1), wierp uit(1), hij smeekte(1), viel op de knielen(1), het groeide(1), overschaduwde(1), overvloed(1), {hebben} geworpen(1), jullie te overleveren(1), uit gevallen(1), zeer verontwaardigd(1), verslinden(1), willen(1), hij had(1), hij stierf(1), discussiëren(1), Hij onderwijs gaf(1), draagt(1), eet(1), bevestigde(1), meewerkte(1), vergezelden(1), zwijgen(1), wachtte op(1), wandelden(1), weenden(1), onderwijs aan het geven(1), zij {vielen}(1), {voorbijganger}(1), treurden(1), zij doden(1), zij afranselden(1), schuim(1), zij renden naar(1), gelooft(1), uitwierp(1), te hebbem(1), ondervroegen(1), bespraken zij(1), weende {om}(1), zij lopen rond(1), stralend(1), in gesprek(1), brachten(1), legde(1), maken jullie los(1), zij voor uit gingen(1), zij kochten(1), rondliep(1), {te bedelen}(1), nemen(1), zij hebben(1), gingen op(1), ging voor uit(1), wilde(1), verzochten zij(1), HIj zei(1), smeekte(1), ik heb(1), vallen(1), vinden(1), spraken(1), gezegd(1), hij zag(1), hij wilde(1), koorst hebben(1), er gegeten(1), liep(1), liepen(1), gegeten(1), omhoog komt(1), vraag(1), bezorgd te zijn(1), hij {kon}(1), vroeg(1), eisten(1), somber(1), klopt(1), zij waren in gesprek waren(1), op de knielen viel(1), doen(1), verzamelen(1), hij drinkt(1), hij eet(1), Hij eet(1), Hij drinkt(1), zwoegen(1), aan een bloedvloeiing leed(1), ging verder(1), spreekt(1), {hen} doden(1), opdrachten te geven(1), zij dragen(1), bijeen brengt(1), zoek(1), zaait(1), zij aan het hoeden waren(1), aanneemt(1), {zaaide}(1), kijken(1), verder ging(1), het leegstaan(1), zij verlangden(1), zij verlangen(1), zien(1), u vast(1), vast(1), verkopen(1), een lange tijd uitbleef(1), naar het buitenland gaat(1), u oogst(1), u brengt bijeen(1), {hen} dronken zijn(1), handelend(1), dronken(1), zij trouwden(1), werden uitgehuwelijkt(1), malen(1), honger(1), welwillend(1), te onderwijzen(1), zeiden zij(1), zij zei(1), {had} over{ge}leverd(1), die verzwakt zijn(1), zij treuren(1), honger hebben(1), dorsten(1), overleveren(1), zij hongeren(1), zij aten(1), kijkt(1), kochten(1), zij vasten(1), liefhebben(1), zuigelingen(1), Hij terugkeerde(1), zei{den}(1), voor uit gingen(1), oordelen(1), op ging(1), zij betoonde eer(1), Hij zei(1), vervolgen(1), zij vroegen(1), doodt(1), stenigt(1), vroegen zij(1), scheidt van(1), doorslikken(1), uitziften(1), was(1), u draagt(1), valselijk beschuldigen(1), haten(1), {luidde}(1)

somber zijn..
G4768somber zijn
treurig zijn

V-PAP-NSM
m ev ww act..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
actief

(hij) is somber..
gebruikte vertalingen
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
hemel  
 
ουρανος
ouranos
G3772..
gebruikte vertalingenhemelen(61), hemel(41), van hemel(1), van hemelen(1)

hemel..
G3772hemel

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

hemel..
gebruikte vertalingenhemel(5)
[[[ huichelaars  ]]]
E?_BZ_TR_A
υποκριται
upokritai
G5273..
gebruikte vertalingenhuichelaars(15), huichelaar(1)

huichelaar..
G5273huichelaar

N-VPM
m mv zn..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord

huichelaars..
gebruikte vertalingen
de  
 
το
to
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASN
o ev lw acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(132), het(96), -(13), dat(8), wat(8), deze(1)
wel  
 
μεν
men
G3303..
gebruikte vertalingenwel(17), -(6), inderdaad(3), zo(1), sommige(1)

wel..
G3303wel
inderdaad, sommige, zo

PRT
prt..
woordvormpartikel

wel..
gebruikte vertalingenwel(17), -(6), inderdaad(3), zo(1), sommige(1)
aanblik  
 
προσωπον
prosòpon
G4383..
gebruikte vertalingenaangezicht(6), gezicht(3), aanzien(2), aanblik(2)

aangezicht..
G4383aangezicht
aanzien, aanblik

N-ASN
o ev zn acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

aanblik..
gebruikte vertalingenaangezicht(4), gezicht(2), aanzien(2), aanblik(1)
van de  
 
του
tou
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSM
m ev lw gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) van de..
gebruikte vertalingenvan de(227), de(98), van het(22), het(13), DIE(8), -(8), van(4), dat(3), die(2), aan de(1), {uit} de(1), wie(1), van die(1), van wie(1)
hemel  
 
ουρανου
ouranou
G3772..
gebruikte vertalingenhemelen(61), hemel(41), van hemel(1), van hemelen(1)

hemel..
G3772hemel

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) hemel..
gebruikte vertalingenhemel(20), van hemel(1)
weten jullie  
 
γινωσκετε
ginòskete
G1097..
gebruikte vertalingenweten jullie(5), merkte op(3), te weten zou komen(2), te kennen(1), ik wist(1), had opgemerkt(1), zullen jullie begrijpen(1), te laten weten(1), hij wist(1), hij te weten was gekomen(1), zij begrepen(1), zij te weten waren gekomen(1), hij weet(1), zij merkte(1), zij merkten(1), bekend zal worden(1), laat het weten(1), Ik heb gekend(1), laat weten(1), jullie hadden begrepen(1), wist(1), hij had gemeenschap met(1), begrepen zij(1), om te kennen(1), wordt gekend(1), weet(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

kennen..
G1097kennen
weten, merken, begrijpen, opmerken, gemeenschap, te weten komen

V-PAI-2P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(JULLIE) kennen..
gebruikte vertalingenweten jullie(4), weet(1)
te onderscheiden  
 
διακρινειν
diakrinein
G1252..
gebruikte vertalingentwijfelt(1), twijfelen(1), te onderscheiden(1)
 G5721..
gebruikte vertalingente zeggen(10), om te horen(6), te verkondigen(4), had(4), om te genezen(3), onderwijs te geven(3), zeer verontrust te worden(2), horen(2), spreken(2), om aan te houden(2), voor te gaan(2), pas op(2), zeiden(2), te drinken(2), te eten(2), zaaien(2), te vloeken(2), te vermanen(2), voortbrengen(2), dienen(2), om te vergeven(2), om te hebben(2), vasten(2), verwonderde(2), lief te hebben(2), uit te zenden(1), te {banen}(1), te smeken(1), luisten(1), om te verkondigen(1), om uit te werpen(1), uitwerpen(1), nestellen(1), op aandrongen(1), te onderwijzen(1), rondlopen(1), te spreken(1), Hij uit te werpen(1), te misleiden(1), te bespuwen(1), lang bleef(1), te stompen(1), te bedekken(1), te roepen(1), voornaamsten zijn(1), te ondervragen(1), vasthouden(1), te dragen naar(1), verheerlijkten(1), volgen(1), zeer verontwaardigd te worden(1), overkomen(1), roeien(1), om te geven(1), te doen(1), om te doen(1), te plukken(1), sprak(1), zag(1), sliepen(1), om te zaaien(1), te verwijten(1), om te onderwijzen(1), doen(1), te kunnen zeggen(1), te geven(1), kon(1), zij konden uitwerpen(1), treuren(1), er nestelen(1), te hebben(1), vrij te laten(1), te zweren(1), zij spraken(1), om te spreken(1), er plaats was(1), bekend te maken(1), te slaan(1), te zoeken(1), in te laten zien(1), te onderscheiden(1), te lijden(1), houden(1), na te laten(1), er plaats maken(1), vergeven(1)

onderscheiden..
G1252onderscheiden
beoordelen*, twijfelen

V-PAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

..
gebruikte vertalingen
de  
 
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APN
o mv lw acc..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(106), wat(16), het(12), -(2), dat(1), die(1)
maar  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
tekenen  
 
σημεια
sèmeia
G4592..
gebruikte vertalingeneen teken(8), teken(7), tekenen(5)

teken..
G4592teken

N-APN
o mv zn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

tekenen..
gebruikte vertalingentekenen(3)
van de  
 
των
tòn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GPM
m mv lw gen..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingenvan de(141), de(80), die(8), van die(7), -(3), voor de(3), onder de(2), van(1), dan de(1)
tijden  
 
καιρων
kairòn
G2540..
gebruikte vertalingentijd(9), moment(3), bestemde tijd(2), juiste moment(1), tijden(1)

tijd..
G2540tijd
bestemde tijd, moment

N-GPM
m mv zn gen..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) tijden..
gebruikte vertalingen
niet  
 
ου
ou
G3756..
gebruikte vertalingenniet(256), geen(45), geens(13), zeker(12), nee(4), ?(1), -(1), {alleen}(1), niet{s}(1)

niet..
G3756niet
geen, geens[zins], zeker [niet], nee, niet{s}

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(99), geen(21), zeker(12), geens(12), nee(3)
kunnen jullie  
 
δυνασθε
dunasthe
G1410..
gebruikte vertalingenkan(19), kunnen jullie(6), kunnen(5), kon(4), zij konden(3), Ik kan(3), zal kunnen(2), kunnen wij(2), had(2), hebben kunnen(2), kunt U(2), U kan(1), U kunt(1), kan er(1), kan Hij(1), u kunt(1), Hij kon(1), Hij kan(1), kunnen zij(1), konden(1), kan hij(1), kon Hij(1)
 G5736..
gebruikte vertalingenkan(17), komt(14), kwam(8), zij kwamen(8), kunnen jullie(6), ontvangt(5), wordt(4), Hij kwam(4), kwamen(4), overleggen jullie(3), pleegt overspel(3), kwam Hij(3), Ik kan(3), antwoordt U(3), komen voort(2), vereren zij(2), Ik heb medelijden(2), kunnen wij(2), kunnen(2), het wordt(2), kwamen samen(2), komen(2), kunt U(2), worden(2), ligt(1), Hij ging binnen(1), Hij riep bij Zich(1), het komt(1), ontstond er(1), {wordt gehaald}(1), kan hij(1), aannemen(1), {terecht} komt(1), riep bij Zich(1), er kwam samen(1), U kan(1), kan Hij(1), kan er(1), gingen naar(1), ik weet(1), gebeurt(1), pleegt zij overspel(1), kunnen zij(1), er kwamen(1), kwamen zij(1), U kunt(1), er wordt {gehangen}(1), komen uit(1), komt Hij(1), overdenken(1), zij is door een demon bezeten(1), hij heeft epilepsie(1), gaat uit(1), hij komt(1), komt voort(1), kwamen er naar(1), kwamen naar(1), gaat hij(1), gaat hij heen(1), hij wordt(1), vrezen wij(1), komen er binnen(1), Hij kan(1), zij gingen binnen(1), er kwam(1), overspel pleegt(1), er ontstond(1), hij gaat(1), u kunt(1), plaatsvindt(1), hij kwam(1), kom(1), overlegden(1)

kunnen..
G1410kunnen
in staat zijn*, mogelijk zijn*

V-PNI-2P
mv ww med/pas-d..
woordvormmeervoud
werkwoord
medium/passief-deponent

(JULLIE) kunnen..
gebruikte vertalingenkunnen jullie(6)


Afwijkingen
E?_BZ_TR_A[[[ waarschijnlijk niet oorspronkelijk, komt voor  ]]]

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)