Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   

HSV
(TR)
Toen zijn medeslaven zagen wat er gebeurd was, werden zij erg bedroefd; zij gingen naar hun heer en vertelden hem alles wat er gebeurd was.
NBV
(NA27)
Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen.
NBG51
(N(A))
Toen nu zijn medeslaven zagen, wat er gebeurd was, werden zij zeer verdrietig en gingen hun heer al wat er gebeurd was, mededelen.
NW
(WH)
Toen nu zijn medeslaven zagen wat er gebeurd was, werden zij zeer bedroefd, en zij gingen hun meester duidelijk maken wat er allemaal gebeurd was.
RBV
(BZ+)
Toen zijn medeslaven zagen wat [er] gebeurd was, werden zij zeer bedroefd, en gingen aan hun heer duidelijk maken wat er allemaal gebeurd was.
RBVI
(BZ+)
zagen    toen    de    medeslaven    van hem    wat    er gebeurd was    werden zij bedroefd    zeer    en    gingen    duidelijk maken    aan de    heer    hun    allemaal    wat    er gebeurd was  


zagen  
 
ιδοντες
idontes
G1492..
gebruikte vertalingenzag(15), zie(12), zagen(12), zij zagen(9), jullie weten(9), Hij zag(7), zag Hij(7), hij zag(7), om te zien(6), ik ken(5), weet(4), zien(4), wij weten(4), ik weet(3), zij zien(3), zag hij(2), laten wij zien(2), jullie kennen(2), wij hebben gezien(2), hij wist(2), hebben wij gezien(2), jullie zien(2), jullie kunnen zien(2), doorzag(2), zij kunnen zien(2), zij hadden gezien(2), zagen zij(2), wist(1), keek aan(1), had gemerkt(1), hadden gezien(1), weet hij(1), u kent(1), Hij merkte op(1), zij wisten(1), zij zag(1), had opgemerkt(1), Ik kan bekijken(1), begrijpen jullie(1), wij zien(1), zij hadden {her}kend(1), u wist(1), wij zien hebben(1), hebt U gemerkt(1), zien jullie(1), had geweten(1), hebben wij zien(1), weten(1), jullie {achten}(1), hebben gezien(1), merkte(1), merkte op(1), zij hebben gezien(1)
 G5631..
gebruikte vertalingenzag(14), zagen(11), kwam(10), Hij nam(6), kwamen(6), nam(5), zij kwamen(5), had ontvangen(5), zij zagen(5), kom(4), gingen(4), Hij zag(4), kwamen naar(4), stapte(4), ging weg(4), kwam naar(4), hij zag(4), zij lieten achter(4), namen(3), ging heen(3), Hij kwam(3), zij grepen(3), kwamen naar toe(3), zij gingen(3), viel neer(3), zij kwam(3), merkte op(3), hij ging heen(2), ging(2), er kwamen(2), merkte(2), Hij was gegaan verder(2), herkenden(2), vertrok(2), Hij liet achter(2), zij gaan(2), Hij stond op(2), stond op(2), uit ging(2), ging naar(2), hij komt(2), was gekomen(2), Hij stapte(2), zij verlieten(2), komt(2), kwam naderbij(2), zij vertrokken(2), zij ging(2), binnenkwam(2), er kwam naar(2), rende(2), {stak op}(2), ging hij er op uit(2), gingen weg(2), wist(2), Hij verliet(2), gaan(2), stond Hij op(2), hij nam(2), was gegaan(2), bleef staan(2), zij ging uit(1), kwam binnen(1), Hij oplegde(1), zij gingen heen(1), binnenkomen(1), waren gegaan(1), Hij ging naar(1), zij vonden(1), kwam Hij binnen(1), Hij verder liep(1), zij hadden ontvangen(1), lieten zij achter(1), Hij gezegd had(1), hij was weggegaan(1), was {geworden}(1), er was uitgegaan(1), Hij naar binnen ging(1), had geleden(1), hadden gezien(1), waren afgedaald(1), gingen uit(1), Hij stuurde weg(1), weggegaan was(1), gaf(1), ging Hij(1), Hij sprak(1), achterliet(1), kwam er(1), binnen gegaan was(1), zij gingen naar buiten(1), zij lieten begaan(1), gekomen was(1), ging hij naar(1), doordrong(1), -(1), waren opgegaan met(1), zij zag(1), op stond(1), nam af(1), hij verliet achter(1), stonden er op(1), gekomen(1), zij waren gegaan(1), jullie laten na(1), ging binnen(1), hij te weten was gekomen(1), zij liepen rond(1), uit gingen(1), zij te weten waren gekomen(1), nam Hij(1), gegeten(1), gegeten hadden(1), legde op(1), rennen er naar(1), Hij nam bij(1), wierp hij af(1), Hij was opgetaan(1), binnengegaan was(1), zijn gekomen(1), keek aan(1), moeten wij gaan(1), goot(1), vertelde(1), erheen gaan(1), had laten weggaan(1), zij gaan naar binnen(1), Hij vertrok(1), overgeleverd heeft(1), vindt(1), vond(1), hij had gevonden(1), kwam naar toe(1), Hij ging(1), kwamen zij(1), in stapten(1), heen ging(1), bijeenbracht(1), zij weggingen(1), ging Hij naar(1), Hij liep verder(1), afdaalde(1), verliet(1), U neervalt(1), kan komen(1), zij vielen neer(1), instapte(1), gingen naar toe(1), er kwam(1), naderde(1), hij stond op(1), gegeven had(1), zij gingen uit(1), doorzag(1), gekomen waren(1), neem(1), hij kwam er(1), kwamen er(1), kwamen dichterbij(1), verlieten(1), grijpen(1), sprak(1), kwamen zij naderbij(1), hij ging naar(1), ik heb overgeleverd(1), daalde neer(1), gingen zij naar(1), kunnen komen(1), gingen zij(1), zij hadden gehouden(1), namen mee(1), ging Hij heen(1), nam Hij mee(1), kwam bij(1), hij kwam bij(1), zij ontvingen(1), hij ging er op uit(1), laat hij achter(1), Hij had gelegd(1), hebben gezien(1), grepen(1), hij bijeen had laten brengen(1), ga(1), had opgemerkt(1), {komst}(1), valt(1), binnen kwam(1), hadden gehouden(1)

zien..
G1492zien
weten, kennen, doorzien, (op)merken, bezien, begrijpen, kijken

V-2AAP-NPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) zagen..
gebruikte vertalingenzagen(11), zij zagen(5), hadden gezien(1), hebben gezien(1)
toen  
O?_BZ_TR_C+
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
de  
 
οι
oi
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPM
m mv lw nom..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(256), die(59), -(47), dit(2), het(1), deze(1), {sommigen}(1)
medeslaven  
 
συνδουλοι
sundouloi
G4889..
gebruikte vertalingenmedeslaven(3), medeslaaf(2)

medeslaaf..
G4889medeslaaf

N-NPM
m mv zn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

..
gebruikte vertalingen
van hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
wat  
 
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APN
o mv lw acc..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(106), wat(16), het(12), -(2), dat(1), die(1)
er gebeurd was  
 
γενομενα
genomena
G1096..
gebruikte vertalingenhet was geworden(13), gebeurde het(12), wordt(9), gebeuren(7), worden(7), er ontstond(5), is gebeurd(4), er gebeurd was(4), laat het gebeuren(4), waren gebeurd(3), werden(3), kwam er(3), is geweest(2), is geworden(2), gebeurt(2), komt(2), het wordt(2), werd(2), kan zijn(2), gebeurd(2), wees(2), jullie worden(2), hij wordt(2), er gebeurt was(1), er gebeurde was(1), ontstond er(1), er kwam(1), is er gekomen(1), laat gebeuren(1), er is gebeurd(1), het geworden was(1), was geworden(1), gekomen was(1), waren geweest(1), het gebeurde(1), heeft plaatsgevonden(1), het gebeurd(1), er was {verstreken}(1), gebeurd is(1), Hij was(1), kwam(1), word(1), laat er {voortkomen}(1), het zal gebeuren(1), zijn gebeurd(1), had het blijven bestaan(1), werd het(1), werd{en}(1), er gebeurt(1), zal gebeuren(1), gebeurd zijn(1), hij er wordt(1), er ontstaat(1), was(1), geweest(1), plaatsvindt(1), was er gekomen(1), kan worden(1), er is geweest(1), er gebeurde(1)
 G5637..
gebruikte vertalingenhet was geworden(12), er gebeurd was(3), Hij pakte vast(1), er was {verstreken}(1), werd(1), Hij was(1), waren geweest(1), voorbij was(1), gekomen was(1), kwam er(1), komt(1), zijn gebeurd(1), gebeurd zijn(1), geweest(1), wordt(1), er gebeurde(1), was(1), het geworden was(1)

worden..
G1096worden
gebeuren, zijn, ontstaan, komen, plaatsvinden

V-2ADP-APN
o mv ww med-d..
woordvormonzijdig
meervoud
werkwoord
medium-deponent

was geworden..
gebruikte vertalingen
werden zij bedroefd  
 
ελυπηθησαν
elupèthèsan
G3076..
gebruikte vertalingenbedroefd te worden(2), zij werden bedroefd(2), bedroefd(2), werden zij bedroefd(1), werd bedroefd(1)
 G5681..
gebruikte vertalingener gesproken is(5), kwamen bijeen(4), werden verzadigd(4), Hij is opgewekt(4), werden geopend(3), kan vergeleken worden(3), verdorde het(2), verschroeide het(2), verscheen Hij(2), werd gebracht naar(2), kwam bijeen(2), zou worden gered(2), hij geboren was(2), scheurde(2), veranderde Hij van gedaante(2), raakte hij in beroering(2), hij was hersteld(2), is opgewekt(2), is vervuld(2), was gezond(2), werd vervuld(2), zij waren zichtbaar(1), werd{en} opgewekt(1), wij herinneren(1), beefden(1), zij onderwezen waren(1), spleten(1), werd Hij opgenomen(1), Hij werd gerekend(1), bijeen waren gekomen(1), werd gesloten(1), stonden op(1), herinnerde(1), Hij veroordeeld was(1), wordt bekendgemaakt(1), wordt genoemd(1), beefde(1), is gegeven(1), losgemaakt(1), verscheen(1), was zeer verbaasd(1), droogde op(1), werd geopend(1), hij is opgewekt(1), legden aan(1), herinnerde zich(1), was hersteld(1), zij waren verbaasd(1), gezien was(1), Hij werd gedoopt(1), hij was rein(1), het werd {bekend}(1), stond hij op(1), zij waren zeer verbaasd(1), zij raakten in beroering(1), verdorde(1), is overgedragen(1), wordt gerechtvaardig(1), ontwaakte(1), Hij weggestuurd had(1), hij is verdeeld geworden(1), is vetgemest(1), werd bedroefd(1), vol was(1), gegist was(1), was verlost(1), zij stond op(1), werd hij woedend(1), hij bedrogen was(1), werd bevonden(1), is gehoord(1), gebracht(1), was hij gereinigd(1), is er gesproken(1), overgeleverd was(1), werd gebracht(1), gegeven(1), kon verdorren(1), werd verwekt(1), raakte in opschudding(1), stenigde(1), werd hij boos(1), kwamen zij bijeen(1), werd stil(1), werd gevuld(1), werden gebracht naar(1), geboren worden(1), er aanstoot aan namen(1), werden verlost(1), raakten zij in paniek(1), verschenen(1), was genezen(1), werden zij bedroefd(1), werd er gebracht(1), zij werden bedroefd(1), verkort zouden worden(1)

bedroeven..
G3076bedroeven

V-API-3P
mv ww pas..
woordvormmeervoud
werkwoord
passief

(ZIJ) ..
gebruikte vertalingen
zeer  
 
σφοδρα
sphodra
G4970..
gebruikte vertalingenzeer(8)

zeer..
G4970zeer

ADV
bw..
woordvormbijwoord

zeer..
gebruikte vertalingenzeer(8)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
gingen  
 
ελθοντες
elthontes
G2064..
gebruikte vertalingenkwam(30), komt(22), zij kwamen(14), komen(13), kwamen(13), Hij kwam(10), kom(6), is gekomen(6), Ik ben gekomen(5), Hij komt(5), kwam Hij(5), zij kwam(4), gekomen is(4), kwam er(3), er kwam(3), te komen(3), kwam{en}(3), kwamen zij(3), hij komt(3), om te komen(2), komende(2), Hij ging(2), er zullen komen(2), zullen komen(2), gingen(2), laat komen(2), er ontstonden(2), was gekomen(2), bent U gekomen(2), gaan(1), {wordt gehaald}(1), komt Hij(1), gingen zij(1), bleven zij komen(1), het komt(1), was {geworden}(1), er kwamen(1), hij zal komen(1), zijn gekomen(1), gekomen(1), gekomen was(1), {komst}(1), zij gingen(1), Ik gekomen ben(1), wij zijn gekomen(1), komen zou(1), ik ben gekomen(1), gekomen waren(1), was gegaan(1), hij kwam(1), kan komen(1), zijn wij gekomen(1), jullie zijn gekomen(1), die komt(1), kunnen komen(1)
 G5631..
gebruikte vertalingenzag(14), zagen(11), kwam(10), Hij nam(6), kwamen(6), nam(5), zij kwamen(5), had ontvangen(5), zij zagen(5), kom(4), gingen(4), Hij zag(4), kwamen naar(4), stapte(4), ging weg(4), kwam naar(4), hij zag(4), zij lieten achter(4), namen(3), ging heen(3), Hij kwam(3), zij grepen(3), kwamen naar toe(3), zij gingen(3), viel neer(3), zij kwam(3), merkte op(3), hij ging heen(2), ging(2), er kwamen(2), merkte(2), Hij was gegaan verder(2), herkenden(2), vertrok(2), Hij liet achter(2), zij gaan(2), Hij stond op(2), stond op(2), uit ging(2), ging naar(2), hij komt(2), was gekomen(2), Hij stapte(2), zij verlieten(2), komt(2), kwam naderbij(2), zij vertrokken(2), zij ging(2), binnenkwam(2), er kwam naar(2), rende(2), {stak op}(2), ging hij er op uit(2), gingen weg(2), wist(2), Hij verliet(2), gaan(2), stond Hij op(2), hij nam(2), was gegaan(2), bleef staan(2), zij ging uit(1), kwam binnen(1), Hij oplegde(1), zij gingen heen(1), binnenkomen(1), waren gegaan(1), Hij ging naar(1), zij vonden(1), kwam Hij binnen(1), Hij verder liep(1), zij hadden ontvangen(1), lieten zij achter(1), Hij gezegd had(1), hij was weggegaan(1), was {geworden}(1), er was uitgegaan(1), Hij naar binnen ging(1), had geleden(1), hadden gezien(1), waren afgedaald(1), gingen uit(1), Hij stuurde weg(1), weggegaan was(1), gaf(1), ging Hij(1), Hij sprak(1), achterliet(1), kwam er(1), binnen gegaan was(1), zij gingen naar buiten(1), zij lieten begaan(1), gekomen was(1), ging hij naar(1), doordrong(1), -(1), waren opgegaan met(1), zij zag(1), op stond(1), nam af(1), hij verliet achter(1), stonden er op(1), gekomen(1), zij waren gegaan(1), jullie laten na(1), ging binnen(1), hij te weten was gekomen(1), zij liepen rond(1), uit gingen(1), zij te weten waren gekomen(1), nam Hij(1), gegeten(1), gegeten hadden(1), legde op(1), rennen er naar(1), Hij nam bij(1), wierp hij af(1), Hij was opgetaan(1), binnengegaan was(1), zijn gekomen(1), keek aan(1), moeten wij gaan(1), goot(1), vertelde(1), erheen gaan(1), had laten weggaan(1), zij gaan naar binnen(1), Hij vertrok(1), overgeleverd heeft(1), vindt(1), vond(1), hij had gevonden(1), kwam naar toe(1), Hij ging(1), kwamen zij(1), in stapten(1), heen ging(1), bijeenbracht(1), zij weggingen(1), ging Hij naar(1), Hij liep verder(1), afdaalde(1), verliet(1), U neervalt(1), kan komen(1), zij vielen neer(1), instapte(1), gingen naar toe(1), er kwam(1), naderde(1), hij stond op(1), gegeven had(1), zij gingen uit(1), doorzag(1), gekomen waren(1), neem(1), hij kwam er(1), kwamen er(1), kwamen dichterbij(1), verlieten(1), grijpen(1), sprak(1), kwamen zij naderbij(1), hij ging naar(1), ik heb overgeleverd(1), daalde neer(1), gingen zij naar(1), kunnen komen(1), gingen zij(1), zij hadden gehouden(1), namen mee(1), ging Hij heen(1), nam Hij mee(1), kwam bij(1), hij kwam bij(1), zij ontvingen(1), hij ging er op uit(1), laat hij achter(1), Hij had gelegd(1), hebben gezien(1), grepen(1), hij bijeen had laten brengen(1), ga(1), had opgemerkt(1), {komst}(1), valt(1), binnen kwam(1), hadden gehouden(1)

komen..
G2064komen
gaan, onstaan

V-2AAP-NPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) kwamen..
gebruikte vertalingenkwamen(4), zij kwamen(4), gingen(2), zijn gekomen(1), kunnen komen(1), kwamen zij(1), zij gingen(1)
duidelijk maken  
 
διεσαφησαν
diesaphèsan
G1285..
gebruikte vertalingenduidelijk maken(1)
 G5656..
gebruikte vertalingenverwekte(39), kwamen naar(11), volgden(9), Hij genas(9), vroeg(7), volgde(6), sprak(5), zond hij(5), jullie hebben gehoord(5), brak(5), riep(5), vertrok(5), zij haalden op(4), had opgedragen(4), gaf(4), doodden(4), Hij gaf(4), deed(4), zij vroegen(4), zij brachten(4), bouwde(4), zij riepen(3), liet na(3), hij groef(3), zij deden(3), geëindigd had(3), verborg(3), zij berichtten(3), hij zond(3), Hij gaf opdracht(3), ging liggen(3), werden zij zeer verontwaardigd(3), jullie hebben geloofd(3), hij gaf(3), betoonden eer(3), IK welbehagen heb(3), jullie hebben gegeven(2), Ik had dorst(2), jullie hebben gegrepen(2), jullie hebben te drinken gegeven(2), vroegen(2), wilde(2), gaf bevel(2), plaatste(2), gelastte streng(2), Ik had honger(2), zij wilden(2), zonden(2), jullie hebben gedaan(2), Hij deed(2), Hij vroeg(2), Hij vertrok(2), hij kuste teder(2), grepen(2), droegen weg(2), zij maakten klaar(2), hebben jullie gedaan(2), er kwamen naar(2), jullie hebben opgehaald(2), kraaide(2), vroeg de zegen(2), zij leverden over(2), onder één juk heeft samengebracht(2), liet opstaan(2), plantte(2), heeft gedaan(2), heeft gegeven(2), ging hij naar het buitenland(2), zij bespot hadden(2), afkeurden(2), trokken zij uit(2), trokken aan(2), brachten zij(2), kwam tegemoet(2), berichtten(2), zij verwonderden(2), spreidden uit(2), ik heb gewonnen(2), zijn gevolgd(2), zij gaven(2), eunuch zijn(2), heeft toegestaan(2), Hij stond toe(2), u hebt in beheer gegeven(2), Hij maakte(2), Hij ging zitten(2), zij volgden(2), leverde over(2), heeft Hij gedaan(2), heeft Hij gered(2), heeft geprofeteerd(2), honger had{den}(2), smeekten zij(2), waaiden(2), hebben jullie gehoord(2), vroegen zij(2), vertrok Hij(2), Hij gelastte streng(2), hij strekte uit(2), beëindigd had(2), heeft opgedragen(2), verwonderden(2), stortte(2), verwonderden zij(2), vermaande(2), gaf Hij opdracht(2), verliet(2), zij noemden(2), zond uit(2), Hij sprak(2), zonden weg(2), Hij hield voor(2), verstikten(2), te wonen(2), zaaide(2), blies uit(1), grepen vast(1), gestolen hebben(1), {legde}(1), zij hingen aan een paal(1), deden zij(1), gaven zij(1), spuwden zij(1), zij stompten(1), hij legde(1), verwonderde(1), hij uitgehouwen had(1), rolde hij weg(1), uit blies(1), Hij heeft gelasterd(1), heb gedoopt(1), gingen zoeken(1), Hij maakte het duidelijk(1), haalden zij dakbedekking weg(1), {legde vast}(1), kraaide er(1), zij volgen(1), voerden weg(1), bewogen ertoe(1), sloegen zij(1), twijfelden zij(1), riep Hij(1), scheurde(1), hij schreeuwde luid(1), liet vrij(1), een discipel was geworden(1), bracht terug(1), zij hadden gelegd(1), hij liet vrij(1), is gaan zitten(1), deden om(1), kochten(1), zij hadden geloofd(1), overreedden(1), kochten zij(1), geloofden(1), geloofden zij niet(1), zij hadden overgeleverd(1), berichten(1), zond(1), hij rolde(1), weende(1), riep uit(1), wikkelde in(1), doorstak(1), {gaf}(1), Hij verweet(1), waren gevolgd(1), zij brachten aan(1), dwongen zij(1), legde(1), zetten(1), verkondingden(1), u geloofde(1), zij zwachtelde(1), legde neer(1), wikkelde hij in(1), overgeleverd heeft(1), plaatste er omheen(1), stuurde Hij weg(1), zij zetten voor(1), Ik brak(1), hoorden(1), Hij keerde om(1), jullie hebben gemaakt(1), legde Hij(1), zuchtte(1), jullie hebben doorgegeven(1), ranselden af(1), dwong Hij(1), verdeelde Hij(1), zij dachten(1), zij schreeuwden luid(1), zij hadden begrepen(1), sprak Hij(1), liet(1), krijg Hij honger(1), gelastte Hij streng(1), {hebben} achtergelaten(1), verlaten heeft(1), wij verhinderden(1), heeft hij opgetekent(1), werd Hij zeer verontwaardigd(1), heeft gemaakt(1), zag hij weer(1), bezorgde stuiptrekkingen(1), Hij vermaande(1), Hij zond(1), zag(1), zij namen aan(1), zij lieten begaan(1), konden(1), ik heb gebracht(1), onderwezen hadden(1), zij gedaan(1), gedaan(1), was u in staat(1), raakte(1), stond toe(1), barmhartig is(1), worden verkort(1), Hij gedaan had(1), goot uit(1), betoonde eer(1), vermaande Hij(1), Hij gaf aan(1), aan gaf Hij(1), Hij de naam gaf(1), horen(1), had lief(1), het bracht voort(1), het kwam op(1), genas(1), hoorde het(1), hij bracht(1), zij lieten na(1), onthoofdde(1), zij legden(1), heeft geschreven(1), verwonde zij aan het hoofd(1), doodden zij(1), hij vroeg(1), gaf opdracht(1), vastgezet(1), opgepakt(1), heb onthoofd(1), hij had getrouwd(1), hij zwoer(1), geschapen heeft(1), zou verkorten(1), zij veroordeelden(1), overleed(1), zij hebben gehoord(1), hebben verlangd(1), hebben zij gesloten(1), opkwam(1), voortbracht(1), verzamelden(1), kocht(1), hebt u gezaaid(1), hebben zij gehoord(1), kwam het op(1), zouden jullie hebben veroordeeld(1), hadden honger(1), onthult(1), IK gekozen heb(1), welbehagen heeft(1), zij kwamen tot inkeer(1), is gekomen(1), Hij breekt(1), hebben jullie begrepen(1), hoorde(1), bent u gaan twijfelen(1), liep(1), zij schreeuwden(1), eer betoonden(1), ontkennen jullie autoriteit(1), eer betonen(1), zij riep luid(1), heeft geplant(1), dwong(1), volgden zij(1), hij verklaarde(1), zij behaagde(1), gebonden(1), gaf hij bevel(1), onthoofden(1), zij begroeven(1), zij bracht(1), U volledig hebt verborgen(1), hadden zij blijven bestaan(1), Hij riep(1), is opgegaan(1), kwamen(1), vervolgden zij(1), overspel heeft gepleegd(1), sloegen tegen(1), hebben wij gedaan(1), hebben wij geprofeteerd(1), had hij honger(1), heeft gewezen(1), hij kwam nauwkeurig te weten(1), hij {gaf}(1), deed hij(1), brachten(1), trokken zij terug(1), vertrok hij(1), hij nauwkeurig te weten was gekomen(1), heb IK geroepen(1), verwonderde Hij(1), u gelooft(1), geëindigd was(1), maakten zij bekend(1), Hij hield vast(1), hebben geprofeteerd(1), wij hebben op de fluit spelen(1), hadden zij tot inkeer gekomen(1), ze tot inkeer kwamen(1), wij hebben klaagliederen gezonden(1), is overleden(1), verheerlijkten(1), Hij heeft gedragen(1), genas Hij(1), brachten zij bij(1), maakten wakker(1), kwamen toegemoet(1), voer over(1), berichtten zij(1), zij wierpen neer(1), zij verheerlijkten(1), wegnam(1), jullie hebben gewild(1), heb IK willen(1), zou hij wakker zijn geweest(1), zou hebben toegestaan(1), maakten in orde(1), werden zij slaperig(1), heeft aangesteld(1), jullie vermoord hebben(1), jullie laten na(1), doodde(1), behandelden onbeschaamd(1), ik heb bereid(1), stak in brand(1), kwamen er naar(1), zijn gaan zitten(1), had de moed(1), Hij tot zwijgen had gebracht(1), in beheer gaf(1), hij maakte(1), wij hebben gediend(1), hebben wij te drinken geven(1), hebben wij gevoed(1), zij goot uit(1), zij gedaan heeft(1), had gegeven(1), waren jullie instaat(1), deden(1), ik was verzwakt(1), ik heb gewand(1), hij verborg(1), hij verborg volledig(1), won(1), bracht(1), u hebt gezaaid(1), ik heb gezaaid(1), u hebt gewand(1), zond hij uit(1), hij zond uit(1), u smeekte(1), ik heb vergeven(1), duidelijk maken(1), barmhartig ben geweest(1), hij leverde over(1), hebben achtergelaten(1), berispten(1), maakte(1), vergaf(1), hij liet gaan(1), straalde(1), hebben onthuld(1), begrepen zij(1), overschaduwde(1), begrepen(1), hebt u gewonnen(1), was voor(1), ik bracht naar(1), heeft verlaten(1), hij deed(1), hebben geloofd(1), had Hij honger(1), hebben gemaakt(1), heen plaatste(1), hij ging naar het buitenland(1), hield(1), zij ranselden af(1), nabij kwam(1), keerde om(1), zij leggen op(1), u behandeld(1), hebben {gewerkt}(1), veronderstelden zij(1), bent u overeengekomen(1), riepen zij(1), zij naderden(1), konden weer zien(1), trok(1)

duidelijk maken..
G1285duidelijk maken
uitleggen*

V-AAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) ..
gebruikte vertalingen
aan de  
 
τω

G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-DSM
m ev lw dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
datief

(tot) de..
gebruikte vertalingende(57), het(33), tot de(26), aan de(15), met de(10), voor de(10), -(6), DIE(5), de toe(5), aan die(3), tot(2), die(2), aan(2), voor wie(2), tot het(2), {dat}(1), op de(1), aan het(1), tot die(1), naar de(1), {iemand}(1), van de(1)
heer  
 
κυριω
kuriò
G2962..
gebruikte vertalingenHeer!(27), heer(26), Heer(17), JEHOVAH(15), van JEHOVAH(11), HEER(4), heren(2), heer!(2), van heer(1)

heer..
G2962heer
JEHOVAH, meester*

N-DSM
m ev zn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
datief

(tot) heer..
gebruikte vertalingenHeer(2), heer(1), JEHOVAH(1)
hun  
BZ_WH_NA27_C-
εαυτων
eautòn
G1438..
gebruikte vertalingenzichzelf(17), elkaar(11), zich(8), Zichzelf(3), jullie zelf(2), jullie(2), {zich}zelf(2), eigen(2), hun(2), voor zichzelf(2), {onder} elkaar(1), {uzelf}(1), Zich(1), voor {u}zelf(1), dan hijzelf(1), hun eigen(1), tot elkaar(1), haar eigen(1)

zichzelf..
G1438zichzelf
zich, uzelf, eigen, elkaar

F-3GPM
m mv vnw-rf gen..
woordvormmannelijk
meervoud
voornaamwoord-reflexsief
genetief

(van) henzelf..
gebruikte vertalingenzich(5), hun(2), jullie(2), hun eigen(1)
allemaal  
 
παντα
panta
G3956..
gebruikte vertalingenal(46), allen(38), alles(36), heel(18), elke(13), ieder(12), alle(9), van allen(6), allemaal(4), elk(3), iedere(3), enkel(2), van alle(2), voor al(2), allerlei(2), dan allen(1), tot allen(1), bij ieder(1), onder allen(1), op allen(1), al{tijd}(1), hele(1)

al..
G3956al
alle, alles, allemaal, allerlei, elk, ieder, heel, enkel

A-APN
o mv bn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
bijvoegelijk-naamwoord
acusatief

al(les)..
gebruikte vertalingenalles(21), al(12), allemaal(3), alle(1)
wat  
 
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APN
o mv lw acc..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(106), wat(16), het(12), -(2), dat(1), die(1)
er gebeurd was  
 
γενομενα
genomena
G1096..
gebruikte vertalingenhet was geworden(13), gebeurde het(12), wordt(9), gebeuren(7), worden(7), er ontstond(5), is gebeurd(4), er gebeurd was(4), laat het gebeuren(4), waren gebeurd(3), werden(3), kwam er(3), is geweest(2), is geworden(2), gebeurt(2), komt(2), het wordt(2), werd(2), kan zijn(2), gebeurd(2), wees(2), jullie worden(2), hij wordt(2), er gebeurt was(1), er gebeurde was(1), ontstond er(1), er kwam(1), is er gekomen(1), laat gebeuren(1), er is gebeurd(1), het geworden was(1), was geworden(1), gekomen was(1), waren geweest(1), het gebeurde(1), heeft plaatsgevonden(1), het gebeurd(1), er was {verstreken}(1), gebeurd is(1), Hij was(1), kwam(1), word(1), laat er {voortkomen}(1), het zal gebeuren(1), zijn gebeurd(1), had het blijven bestaan(1), werd het(1), werd{en}(1), er gebeurt(1), zal gebeuren(1), gebeurd zijn(1), hij er wordt(1), er ontstaat(1), was(1), geweest(1), plaatsvindt(1), was er gekomen(1), kan worden(1), er is geweest(1), er gebeurde(1)
 G5637..
gebruikte vertalingenhet was geworden(12), er gebeurd was(3), Hij pakte vast(1), er was {verstreken}(1), werd(1), Hij was(1), waren geweest(1), voorbij was(1), gekomen was(1), kwam er(1), komt(1), zijn gebeurd(1), gebeurd zijn(1), geweest(1), wordt(1), er gebeurde(1), was(1), het geworden was(1)

worden..
G1096worden
gebeuren, zijn, ontstaan, komen, plaatsvinden

V-2ADP-APN
o mv ww med-d..
woordvormonzijdig
meervoud
werkwoord
medium-deponent

was geworden..
gebruikte vertalingen


Afwijkingen
O?_BZ_TR_C+waarschijnlijk oorspronkelijk, ander woord, merkbaar  
BZ_WH_NA27_C-ander woord, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)