Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   

HSV
(TR)
En er kwamen blinden en kreupelen bij Hem in de tempel en Hij genas hen.
NBV
(NA27)
Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar hem toe, en hij genas hen.
NBG51
(N(A))
En in de tempel kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas hen.
NW
(WH)
Ook kwamen er blinden en kreupelen naar hem toe in de tempel, en hij genas hen.
RBV
(BZ+)
En er kwamen kreupelen en blinden naar Hem toe in de tempel, en Hij genas hen.
RBVI
(BZ+)
en    er kwamen naar    Hem toe    kreupelen    en    blinden    in    de    tempel    en    Hij genas    hen  


en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
er kwamen naar  
 
προσηλθον
prosèlthon
G4334..
gebruikte vertalingenkwamen naar(16), kwam naar(5), kwamen naar toe(3), kwam(3), er kwam naar(3), kwam er naar(3), er kwamen(2), Hij was gegaan verder(2), kwam naderbij(2), ging naar(2), kwamen er naar(2), kwamen(2), er kwamen naar(2), ging hij naar(1), kwamen dichterbij(1), gingen zij naar(1), Hij ging naar(1), hij kwam bij(1), gingen naar toe(1), naderde(1), kwam bij(1), kwamen zij naderbij(1), kwamen er(1)
 G5656..
gebruikte vertalingenverwekte(39), kwamen naar(11), volgden(9), Hij genas(9), vroeg(7), volgde(6), sprak(5), zond hij(5), jullie hebben gehoord(5), brak(5), riep(5), vertrok(5), zij haalden op(4), had opgedragen(4), gaf(4), doodden(4), Hij gaf(4), deed(4), zij vroegen(4), zij brachten(4), bouwde(4), zij riepen(3), liet na(3), hij groef(3), zij deden(3), geëindigd had(3), verborg(3), zij berichtten(3), hij zond(3), Hij gaf opdracht(3), ging liggen(3), werden zij zeer verontwaardigd(3), jullie hebben geloofd(3), hij gaf(3), betoonden eer(3), IK welbehagen heb(3), jullie hebben gegeven(2), Ik had dorst(2), jullie hebben gegrepen(2), jullie hebben te drinken gegeven(2), vroegen(2), wilde(2), gaf bevel(2), plaatste(2), gelastte streng(2), Ik had honger(2), zij wilden(2), zonden(2), jullie hebben gedaan(2), Hij deed(2), Hij vroeg(2), Hij vertrok(2), hij kuste teder(2), grepen(2), droegen weg(2), zij maakten klaar(2), hebben jullie gedaan(2), er kwamen naar(2), jullie hebben opgehaald(2), kraaide(2), vroeg de zegen(2), zij leverden over(2), onder één juk heeft samengebracht(2), liet opstaan(2), plantte(2), heeft gedaan(2), heeft gegeven(2), ging hij naar het buitenland(2), zij bespot hadden(2), afkeurden(2), trokken zij uit(2), trokken aan(2), brachten zij(2), kwam tegemoet(2), berichtten(2), zij verwonderden(2), spreidden uit(2), ik heb gewonnen(2), zijn gevolgd(2), zij gaven(2), eunuch zijn(2), heeft toegestaan(2), Hij stond toe(2), u hebt in beheer gegeven(2), Hij maakte(2), Hij ging zitten(2), zij volgden(2), leverde over(2), heeft Hij gedaan(2), heeft Hij gered(2), heeft geprofeteerd(2), honger had{den}(2), smeekten zij(2), waaiden(2), hebben jullie gehoord(2), vroegen zij(2), vertrok Hij(2), Hij gelastte streng(2), hij strekte uit(2), beëindigd had(2), heeft opgedragen(2), verwonderden(2), stortte(2), verwonderden zij(2), vermaande(2), gaf Hij opdracht(2), verliet(2), zij noemden(2), zond uit(2), Hij sprak(2), zonden weg(2), Hij hield voor(2), verstikten(2), te wonen(2), zaaide(2), blies uit(1), grepen vast(1), gestolen hebben(1), {legde}(1), zij hingen aan een paal(1), deden zij(1), gaven zij(1), spuwden zij(1), zij stompten(1), hij legde(1), verwonderde(1), hij uitgehouwen had(1), rolde hij weg(1), uit blies(1), Hij heeft gelasterd(1), heb gedoopt(1), gingen zoeken(1), Hij maakte het duidelijk(1), haalden zij dakbedekking weg(1), {legde vast}(1), kraaide er(1), zij volgen(1), voerden weg(1), bewogen ertoe(1), sloegen zij(1), twijfelden zij(1), riep Hij(1), scheurde(1), hij schreeuwde luid(1), liet vrij(1), een discipel was geworden(1), bracht terug(1), zij hadden gelegd(1), hij liet vrij(1), is gaan zitten(1), deden om(1), kochten(1), zij hadden geloofd(1), overreedden(1), kochten zij(1), geloofden(1), geloofden zij niet(1), zij hadden overgeleverd(1), berichten(1), zond(1), hij rolde(1), weende(1), riep uit(1), wikkelde in(1), doorstak(1), {gaf}(1), Hij verweet(1), waren gevolgd(1), zij brachten aan(1), dwongen zij(1), legde(1), zetten(1), verkondingden(1), u geloofde(1), zij zwachtelde(1), legde neer(1), wikkelde hij in(1), overgeleverd heeft(1), plaatste er omheen(1), stuurde Hij weg(1), zij zetten voor(1), Ik brak(1), hoorden(1), Hij keerde om(1), jullie hebben gemaakt(1), legde Hij(1), zuchtte(1), jullie hebben doorgegeven(1), ranselden af(1), dwong Hij(1), verdeelde Hij(1), zij dachten(1), zij schreeuwden luid(1), zij hadden begrepen(1), sprak Hij(1), liet(1), krijg Hij honger(1), gelastte Hij streng(1), {hebben} achtergelaten(1), verlaten heeft(1), wij verhinderden(1), heeft hij opgetekent(1), werd Hij zeer verontwaardigd(1), heeft gemaakt(1), zag hij weer(1), bezorgde stuiptrekkingen(1), Hij vermaande(1), Hij zond(1), zag(1), zij namen aan(1), zij lieten begaan(1), konden(1), ik heb gebracht(1), onderwezen hadden(1), zij gedaan(1), gedaan(1), was u in staat(1), raakte(1), stond toe(1), barmhartig is(1), worden verkort(1), Hij gedaan had(1), goot uit(1), betoonde eer(1), vermaande Hij(1), Hij gaf aan(1), aan gaf Hij(1), Hij de naam gaf(1), horen(1), had lief(1), het bracht voort(1), het kwam op(1), genas(1), hoorde het(1), hij bracht(1), zij lieten na(1), onthoofdde(1), zij legden(1), heeft geschreven(1), verwonde zij aan het hoofd(1), doodden zij(1), hij vroeg(1), gaf opdracht(1), vastgezet(1), opgepakt(1), heb onthoofd(1), hij had getrouwd(1), hij zwoer(1), geschapen heeft(1), zou verkorten(1), zij veroordeelden(1), overleed(1), zij hebben gehoord(1), hebben verlangd(1), hebben zij gesloten(1), opkwam(1), voortbracht(1), verzamelden(1), kocht(1), hebt u gezaaid(1), hebben zij gehoord(1), kwam het op(1), zouden jullie hebben veroordeeld(1), hadden honger(1), onthult(1), IK gekozen heb(1), welbehagen heeft(1), zij kwamen tot inkeer(1), is gekomen(1), Hij breekt(1), hebben jullie begrepen(1), hoorde(1), bent u gaan twijfelen(1), liep(1), zij schreeuwden(1), eer betoonden(1), ontkennen jullie autoriteit(1), eer betonen(1), zij riep luid(1), heeft geplant(1), dwong(1), volgden zij(1), hij verklaarde(1), zij behaagde(1), gebonden(1), gaf hij bevel(1), onthoofden(1), zij begroeven(1), zij bracht(1), U volledig hebt verborgen(1), hadden zij blijven bestaan(1), Hij riep(1), is opgegaan(1), kwamen(1), vervolgden zij(1), overspel heeft gepleegd(1), sloegen tegen(1), hebben wij gedaan(1), hebben wij geprofeteerd(1), had hij honger(1), heeft gewezen(1), hij kwam nauwkeurig te weten(1), hij {gaf}(1), deed hij(1), brachten(1), trokken zij terug(1), vertrok hij(1), hij nauwkeurig te weten was gekomen(1), heb IK geroepen(1), verwonderde Hij(1), u gelooft(1), geëindigd was(1), maakten zij bekend(1), Hij hield vast(1), hebben geprofeteerd(1), wij hebben op de fluit spelen(1), hadden zij tot inkeer gekomen(1), ze tot inkeer kwamen(1), wij hebben klaagliederen gezonden(1), is overleden(1), verheerlijkten(1), Hij heeft gedragen(1), genas Hij(1), brachten zij bij(1), maakten wakker(1), kwamen toegemoet(1), voer over(1), berichtten zij(1), zij wierpen neer(1), zij verheerlijkten(1), wegnam(1), jullie hebben gewild(1), heb IK willen(1), zou hij wakker zijn geweest(1), zou hebben toegestaan(1), maakten in orde(1), werden zij slaperig(1), heeft aangesteld(1), jullie vermoord hebben(1), jullie laten na(1), doodde(1), behandelden onbeschaamd(1), ik heb bereid(1), stak in brand(1), kwamen er naar(1), zijn gaan zitten(1), had de moed(1), Hij tot zwijgen had gebracht(1), in beheer gaf(1), hij maakte(1), wij hebben gediend(1), hebben wij te drinken geven(1), hebben wij gevoed(1), zij goot uit(1), zij gedaan heeft(1), had gegeven(1), waren jullie instaat(1), deden(1), ik was verzwakt(1), ik heb gewand(1), hij verborg(1), hij verborg volledig(1), won(1), bracht(1), u hebt gezaaid(1), ik heb gezaaid(1), u hebt gewand(1), zond hij uit(1), hij zond uit(1), u smeekte(1), ik heb vergeven(1), duidelijk maken(1), barmhartig ben geweest(1), hij leverde over(1), hebben achtergelaten(1), berispten(1), maakte(1), vergaf(1), hij liet gaan(1), straalde(1), hebben onthuld(1), begrepen zij(1), overschaduwde(1), begrepen(1), hebt u gewonnen(1), was voor(1), ik bracht naar(1), heeft verlaten(1), hij deed(1), hebben geloofd(1), had Hij honger(1), hebben gemaakt(1), heen plaatste(1), hij ging naar het buitenland(1), hield(1), zij ranselden af(1), nabij kwam(1), keerde om(1), zij leggen op(1), u behandeld(1), hebben {gewerkt}(1), veronderstelden zij(1), bent u overeengekomen(1), riepen zij(1), zij naderden(1), konden weer zien(1), trok(1)

komen naar..
G4334komen naar
gaan naar, naderen, naderbij komen, dichterbij komen

V-AAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) kwamen naar..
gebruikte vertalingen
Hem toe  
 
αυτω
autò
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-DSM
m ev pn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) hem..
gebruikte vertalingenHem(101), tot Hem(62), hem(45), tot hem(38), Hem toe(17), Hij(6), bij Hem(6), aan Hem(5), aan hem(5), met Hem(4), voor hem(4), voor Hem(4), met hem(2), hij(2), er(2), naar Hem(2), tegen hem(1), erop(1), hem toe(1), bij hem(1), daar(1), er om(1), voor HEM(1)
kreupelen  
BZ_T+
χωλοι
chòloi
G5560..
gebruikte vertalingenkreupelen(4), kreupel(2)

kreupel..
G5560kreupel
verlamd*, verminkt*

A-NPM
m mv bn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

kreupelen..
gebruikte vertalingen
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
blinden  
BZ_T+
τυφλοι
tuphloi
G5185..
gebruikte vertalingenblinden(9), blinde(7), een blinde(3), blind(2), blinden!(1), van blinden(1)

blinde..
G5185blinde

A-NPM
m mv bn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

blinden..
gebruikte vertalingen
in  
 
εν
en
G1722..
gebruikte vertalingenin(293), op(34), met(29), bij(28), onder(26), door(10), aan(8), tijdens(6), -(6), één(6), vanwege(3), terwijl(3), over(2), binnen(1), {toen}(1), voor(1), te(1), om(1)

in..
G1722in
op, bij, met, onder, door, één, aan, terwijl, vanwege, over, te, tijdens

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

in..
gebruikte vertalingenin(293), op(34), met(29), bij(28), onder(26), door(10), aan(8), tijdens(6), -(6), terwijl(3), vanwege(3), over(2), binnen(1), {toen}(1), om(1), voor(1), te(1)
de  
 
τω

G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-DSN
o ev lw dat..
woordvormonzijdig
enkelvoud
lidwoord
datief

(tot) de..
gebruikte vertalingende(37), het(20), tot de(6), met de(3), aan het(2), DIE(2), in de(2), tot het(1), van(1), voor het(1), op de(1), voor de(1), die(1)
tempel  
 
ιερω
ierò
G2411..
gebruikte vertalingentempel(20)

tempel..
G2411tempel

N-DSN
o ev zn dat..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
datief

(tot) tempel..
gebruikte vertalingentempel(9)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
Hij genas  
 
εθεραπευσεν
etherapeusen
G2323..
gebruikte vertalingenHij genas(9), genas(3), om te genezen(3), zou genezen(1), genazen(1), was genezen(1), genezen(1), zal genezen(1), genees(1), genas Hij(1)
 G5656..
gebruikte vertalingenverwekte(39), kwamen naar(11), volgden(9), Hij genas(9), vroeg(7), volgde(6), sprak(5), zond hij(5), jullie hebben gehoord(5), brak(5), riep(5), vertrok(5), zij haalden op(4), had opgedragen(4), gaf(4), doodden(4), Hij gaf(4), deed(4), zij vroegen(4), zij brachten(4), bouwde(4), zij riepen(3), liet na(3), hij groef(3), zij deden(3), geëindigd had(3), verborg(3), zij berichtten(3), hij zond(3), Hij gaf opdracht(3), ging liggen(3), werden zij zeer verontwaardigd(3), jullie hebben geloofd(3), hij gaf(3), betoonden eer(3), IK welbehagen heb(3), jullie hebben gegeven(2), Ik had dorst(2), jullie hebben gegrepen(2), jullie hebben te drinken gegeven(2), vroegen(2), wilde(2), gaf bevel(2), plaatste(2), gelastte streng(2), Ik had honger(2), zij wilden(2), zonden(2), jullie hebben gedaan(2), Hij deed(2), Hij vroeg(2), Hij vertrok(2), hij kuste teder(2), grepen(2), droegen weg(2), zij maakten klaar(2), hebben jullie gedaan(2), er kwamen naar(2), jullie hebben opgehaald(2), kraaide(2), vroeg de zegen(2), zij leverden over(2), onder één juk heeft samengebracht(2), liet opstaan(2), plantte(2), heeft gedaan(2), heeft gegeven(2), ging hij naar het buitenland(2), zij bespot hadden(2), afkeurden(2), trokken zij uit(2), trokken aan(2), brachten zij(2), kwam tegemoet(2), berichtten(2), zij verwonderden(2), spreidden uit(2), ik heb gewonnen(2), zijn gevolgd(2), zij gaven(2), eunuch zijn(2), heeft toegestaan(2), Hij stond toe(2), u hebt in beheer gegeven(2), Hij maakte(2), Hij ging zitten(2), zij volgden(2), leverde over(2), heeft Hij gedaan(2), heeft Hij gered(2), heeft geprofeteerd(2), honger had{den}(2), smeekten zij(2), waaiden(2), hebben jullie gehoord(2), vroegen zij(2), vertrok Hij(2), Hij gelastte streng(2), hij strekte uit(2), beëindigd had(2), heeft opgedragen(2), verwonderden(2), stortte(2), verwonderden zij(2), vermaande(2), gaf Hij opdracht(2), verliet(2), zij noemden(2), zond uit(2), Hij sprak(2), zonden weg(2), Hij hield voor(2), verstikten(2), te wonen(2), zaaide(2), blies uit(1), grepen vast(1), gestolen hebben(1), {legde}(1), zij hingen aan een paal(1), deden zij(1), gaven zij(1), spuwden zij(1), zij stompten(1), hij legde(1), verwonderde(1), hij uitgehouwen had(1), rolde hij weg(1), uit blies(1), Hij heeft gelasterd(1), heb gedoopt(1), gingen zoeken(1), Hij maakte het duidelijk(1), haalden zij dakbedekking weg(1), {legde vast}(1), kraaide er(1), zij volgen(1), voerden weg(1), bewogen ertoe(1), sloegen zij(1), twijfelden zij(1), riep Hij(1), scheurde(1), hij schreeuwde luid(1), liet vrij(1), een discipel was geworden(1), bracht terug(1), zij hadden gelegd(1), hij liet vrij(1), is gaan zitten(1), deden om(1), kochten(1), zij hadden geloofd(1), overreedden(1), kochten zij(1), geloofden(1), geloofden zij niet(1), zij hadden overgeleverd(1), berichten(1), zond(1), hij rolde(1), weende(1), riep uit(1), wikkelde in(1), doorstak(1), {gaf}(1), Hij verweet(1), waren gevolgd(1), zij brachten aan(1), dwongen zij(1), legde(1), zetten(1), verkondingden(1), u geloofde(1), zij zwachtelde(1), legde neer(1), wikkelde hij in(1), overgeleverd heeft(1), plaatste er omheen(1), stuurde Hij weg(1), zij zetten voor(1), Ik brak(1), hoorden(1), Hij keerde om(1), jullie hebben gemaakt(1), legde Hij(1), zuchtte(1), jullie hebben doorgegeven(1), ranselden af(1), dwong Hij(1), verdeelde Hij(1), zij dachten(1), zij schreeuwden luid(1), zij hadden begrepen(1), sprak Hij(1), liet(1), krijg Hij honger(1), gelastte Hij streng(1), {hebben} achtergelaten(1), verlaten heeft(1), wij verhinderden(1), heeft hij opgetekent(1), werd Hij zeer verontwaardigd(1), heeft gemaakt(1), zag hij weer(1), bezorgde stuiptrekkingen(1), Hij vermaande(1), Hij zond(1), zag(1), zij namen aan(1), zij lieten begaan(1), konden(1), ik heb gebracht(1), onderwezen hadden(1), zij gedaan(1), gedaan(1), was u in staat(1), raakte(1), stond toe(1), barmhartig is(1), worden verkort(1), Hij gedaan had(1), goot uit(1), betoonde eer(1), vermaande Hij(1), Hij gaf aan(1), aan gaf Hij(1), Hij de naam gaf(1), horen(1), had lief(1), het bracht voort(1), het kwam op(1), genas(1), hoorde het(1), hij bracht(1), zij lieten na(1), onthoofdde(1), zij legden(1), heeft geschreven(1), verwonde zij aan het hoofd(1), doodden zij(1), hij vroeg(1), gaf opdracht(1), vastgezet(1), opgepakt(1), heb onthoofd(1), hij had getrouwd(1), hij zwoer(1), geschapen heeft(1), zou verkorten(1), zij veroordeelden(1), overleed(1), zij hebben gehoord(1), hebben verlangd(1), hebben zij gesloten(1), opkwam(1), voortbracht(1), verzamelden(1), kocht(1), hebt u gezaaid(1), hebben zij gehoord(1), kwam het op(1), zouden jullie hebben veroordeeld(1), hadden honger(1), onthult(1), IK gekozen heb(1), welbehagen heeft(1), zij kwamen tot inkeer(1), is gekomen(1), Hij breekt(1), hebben jullie begrepen(1), hoorde(1), bent u gaan twijfelen(1), liep(1), zij schreeuwden(1), eer betoonden(1), ontkennen jullie autoriteit(1), eer betonen(1), zij riep luid(1), heeft geplant(1), dwong(1), volgden zij(1), hij verklaarde(1), zij behaagde(1), gebonden(1), gaf hij bevel(1), onthoofden(1), zij begroeven(1), zij bracht(1), U volledig hebt verborgen(1), hadden zij blijven bestaan(1), Hij riep(1), is opgegaan(1), kwamen(1), vervolgden zij(1), overspel heeft gepleegd(1), sloegen tegen(1), hebben wij gedaan(1), hebben wij geprofeteerd(1), had hij honger(1), heeft gewezen(1), hij kwam nauwkeurig te weten(1), hij {gaf}(1), deed hij(1), brachten(1), trokken zij terug(1), vertrok hij(1), hij nauwkeurig te weten was gekomen(1), heb IK geroepen(1), verwonderde Hij(1), u gelooft(1), geëindigd was(1), maakten zij bekend(1), Hij hield vast(1), hebben geprofeteerd(1), wij hebben op de fluit spelen(1), hadden zij tot inkeer gekomen(1), ze tot inkeer kwamen(1), wij hebben klaagliederen gezonden(1), is overleden(1), verheerlijkten(1), Hij heeft gedragen(1), genas Hij(1), brachten zij bij(1), maakten wakker(1), kwamen toegemoet(1), voer over(1), berichtten zij(1), zij wierpen neer(1), zij verheerlijkten(1), wegnam(1), jullie hebben gewild(1), heb IK willen(1), zou hij wakker zijn geweest(1), zou hebben toegestaan(1), maakten in orde(1), werden zij slaperig(1), heeft aangesteld(1), jullie vermoord hebben(1), jullie laten na(1), doodde(1), behandelden onbeschaamd(1), ik heb bereid(1), stak in brand(1), kwamen er naar(1), zijn gaan zitten(1), had de moed(1), Hij tot zwijgen had gebracht(1), in beheer gaf(1), hij maakte(1), wij hebben gediend(1), hebben wij te drinken geven(1), hebben wij gevoed(1), zij goot uit(1), zij gedaan heeft(1), had gegeven(1), waren jullie instaat(1), deden(1), ik was verzwakt(1), ik heb gewand(1), hij verborg(1), hij verborg volledig(1), won(1), bracht(1), u hebt gezaaid(1), ik heb gezaaid(1), u hebt gewand(1), zond hij uit(1), hij zond uit(1), u smeekte(1), ik heb vergeven(1), duidelijk maken(1), barmhartig ben geweest(1), hij leverde over(1), hebben achtergelaten(1), berispten(1), maakte(1), vergaf(1), hij liet gaan(1), straalde(1), hebben onthuld(1), begrepen zij(1), overschaduwde(1), begrepen(1), hebt u gewonnen(1), was voor(1), ik bracht naar(1), heeft verlaten(1), hij deed(1), hebben geloofd(1), had Hij honger(1), hebben gemaakt(1), heen plaatste(1), hij ging naar het buitenland(1), hield(1), zij ranselden af(1), nabij kwam(1), keerde om(1), zij leggen op(1), u behandeld(1), hebben {gewerkt}(1), veronderstelden zij(1), bent u overeengekomen(1), riepen zij(1), zij naderden(1), konden weer zien(1), trok(1)

genezen..
G2323genezen
(letterlijk) bedienen*

V-AAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) genas..
gebruikte vertalingenHij genas(9), genas(1), genas Hij(1)
hen  
 
αυτους
autous
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-APM
m mv pn acc..
woordvormmannelijk
meervoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

hen..
gebruikte vertalingenhen(77), zij(7), ze(6), hun(3)


Afwijkingen
BZ_T+andere plaats, merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)