Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   

HSV
(TR)
De doop van Johannes, vanwaar was die, uit de hemel of uit de mensen? En zij overlegden met elkaar, en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?
NBV
(NA27)
In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?' Ze overlegden met elkaar en zeiden: 'Als we zeggen: 'Van de hemel,' dan zal hij tegen ons zeggen: 'Waarom hebt u hem dan niet geloofd?'
NBG51
(N(A))
Vanwaar was de doop van Johannes? Uit de hemel of uit de mensen? En zij overlegden onder elkander en spraken: Indien wij zeggen: Uit de hemel, zal Hij tot ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
NW
(WH)
De doop door Johannes, welke oorsprong had die? Uit de hemel of uit de mensen?' Maar zij gingen onder elkaar overleggen en zeiden: 'Als wij zeggen: 'Uit de hemel', dan zal hij tot ons zeggen: 'Waarom hebt GIJ hem dan niet geloofd?'
RBV
(BZ+)
De doop van Johannes, waar was het vandaan? Uit [de] hemel of uit [de] mensen?' Toen gingen zij met elkaar overleggen [en] zeiden: 'Als wij zeggen uit [de] hemel, zal Hij tot ons zeggen: 'Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?'
RBVI
(BZ+)
de    doop    van Johannes    waar vandaan    was het    uit    hemel    of    uit    mensen    -    toen    zij gingen overleggen    met    elkaar    zeiden    als    wij zeggen    uit    hemel    zal Hij zeggen    tot ons    om    waar    dan    niet    jullie hebben geloofd    hem  


de  
 
το
to
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSN
o ev lw nom..
woordvormonzijdig
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingenhet(63), de(56), wat(16), -(9), dat(4), die(3), dit(1), Wat(1)
doop  
 
βαπτισμα
baptisma
G908..
gebruikte vertalingendoop(7), een doop(1)

doop..
G908doop
onderdompeling*

N-NSN
o ev zn nom..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

doop..
gebruikte vertalingendoop(2)
van Johannes  
 
ιωαννου
iòannou
G2491..
gebruikte vertalingenJohannes(42), van Johannes(9), dan Johannes(1), aan Johannes(1)

Johannes..
G2491Johannes

betekent: JEHOVAH is een genadige gever

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) Johannes..
gebruikte vertalingenvan Johannes(9), Johannes(6), dan Johannes(1)
waar vandaan  
 
ποθεν
pothen
G4159..
gebruikte vertalingenwaar vandaan(7), hoe(1)

waar vandaan..
G4159waar vandaan

ADV-I
bw-ov..
woordvormbijwoord-ondervragend

waar vandaan..
gebruikte vertalingenwaar vandaan(7), hoe(1)
was het  
 
ην
èn
G2258..
gebruikte vertalingenwas(26), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), er waren(3), het was(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), had{den}(2), {werd}(2), was het(2), {kwamen}(1), {kwam}(1), was geweest(1), {hielden}(1), er hadden(1), was Hij(1), {bleef}(1), zij was(1)
 G5713..
gebruikte vertalingenwas(26), verklaarde(14), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), Ik was(3), het was(3), er waren(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), was het(2), {werd}(2), had{den}(2), zij was(1), {kwam}(1), {kwamen}(1), was Ik(1), was geweest(1), Hij verklaarde(1), wij hadden {geleefd}(1), er hadden(1), wij waren geweest(1), was Hij(1), {bleef}(1), hij verklaarde(1), {hielden}(1)

waren..
G2258waren
hadden

V-IXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) was..
gebruikte vertalingenwas(24), Hij was(6), er was(6), -(5), hij was(5), het was(3), was het(2), zou zijn geweest(2), had{den}(2), Hij had(2), {werd}(2), was geweest(1), {kwam}(1), zij was(1), {bleef}(1), waren(1), was Hij(1), er waren(1)
uit  
 
εξ
ex
G1537..
gebruikte vertalingenuit(60), van(37), aan(20), vanuit(11), -(5), bij(5), voor(3), vanaf(3), door(3), naar(2)

uit..
G1537uit
van, naar, aan, bij, door, voor, vanuit, vanaf

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

van..
gebruikte vertalingenvan(22), uit(14), vanuit(8), aan(7), -(3), bij(1), door(1)
hemel  
 
ουρανου
ouranou
G3772..
gebruikte vertalingenhemelen(61), hemel(41), van hemel(1), van hemelen(1)

hemel..
G3772hemel

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) hemel..
gebruikte vertalingenhemel(20), van hemel(1)
of  
 
η
è
G2228..
gebruikte vertalingenof(88), dan(13), óf(4), -(2)

of..
G2228of
dan

PRT
prt..
woordvormpartikel

of..
gebruikte vertalingenof(88), dan(13), óf(4), -(2)
uit  
 
εξ
ex
G1537..
gebruikte vertalingenuit(60), van(37), aan(20), vanuit(11), -(5), bij(5), voor(3), vanaf(3), door(3), naar(2)

uit..
G1537uit
van, naar, aan, bij, door, voor, vanuit, vanaf

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

van..
gebruikte vertalingenvan(22), uit(14), vanuit(8), aan(7), -(3), bij(1), door(1)
mensen  
 
ανθρωπων
anthròpòn
G444..
gebruikte vertalingenmens(72), mensen(41), iemand(19), een mens(16), een man(7), van mensen(7), man(5), met een mens(3), Man(2), Mens(1)

mens..
G444mens
iemand, man

N-GPM
m mv zn gen..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) mensen..
gebruikte vertalingenmensen(21), van mensen(7), mens(1)
-  
 
οι
oi
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPM
m mv lw nom..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(256), die(59), -(47), dit(2), het(1), deze(1), {sommigen}(1)
toen  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
zij gingen overleggen  
 
διελογιζοντο
dielogizonto
G1260..
gebruikte vertalingenoverlegden(3), overleggen jullie(3), zij gingen overleggen(2), gingen overleggen(1)
 G5711..
gebruikte vertalingenkon(3), ging zitten(3), zij waren bevreesd(3), had(2), zat(2), lag(2), zij gingen overleggen(2), trokken uit(2), was bevreesd(1), Hij kwam(1), zij gingen(1), begroetten(1), aanraakten(1), overlegden(1), zij gingen overlegden(1), Hij bad(1), hij ontkende(1), zij maakten verwijten(1), vrezen wij(1), vertrok Hij(1), Hij kon(1), werden bevreesd(1), kwam(1), zat Hij aan(1), zat Ik(1), vertrok(1), gingen overleggen(1), met aanzitten(1), Hij zat(1), gelegen heeft(1), zij vertrokken(1), samen aanzaten(1), er zat(1), deed hij navraag(1), bleven zij komen(1), ging bidden(1), zij konden(1)

overleggen..
G1260overleggen
overwegen*, overdenken*

V-INI-3P
mv ww med/pas-d..
woordvormmeervoud
werkwoord
medium/passief-deponent

(ZIJ) overlegden..
gebruikte vertalingenzij gingen overleggen(2), gingen overleggen(1)
met  
O?_BZ_TR_C+
παρ
par
G3844..
gebruikte vertalingenbij(14), langs(6), van(6), {door}(2), -(1), naar(1), naaste(1), met(1), voor(1), {onder}(1), {naar}(1)

bij..
G3844bij
langs, naast*, vanaf*, van, voor, aan*, met

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

bij..
gebruikte vertalingenvan(3), bij(2), -(1), met(1), naaste(1)
elkaar  
 
εαυτοις
eautois
G1438..
gebruikte vertalingenzichzelf(17), elkaar(11), zich(8), Zichzelf(3), jullie zelf(2), jullie(2), {zich}zelf(2), eigen(2), hun(2), voor zichzelf(2), {onder} elkaar(1), {uzelf}(1), Zich(1), voor {u}zelf(1), dan hijzelf(1), hun eigen(1), tot elkaar(1), haar eigen(1)

zichzelf..
G1438zichzelf
zich, uzelf, eigen, elkaar

F-3DPM
m mv vnw-rf dat..
woordvormmannelijk
meervoud
voornaamwoord-reflexsief
datief

(tot) henzelf..
gebruikte vertalingenelkaar(4), zichzelf(3), jullie zelf(2), voor zichzelf(2), zich(1), tot elkaar(1), {onder} elkaar(1)
zeiden  
 
λεγοντες
legontes
G3004..
gebruikte vertalingenzei(150), zeiden(64), Ik zeg(62), Hij zei(38), zij zeiden(24), zeggen(20), hij zei(14), zei Hij(14), te zeggen(13), zeg(11), zegt(10), wordt genoemd(10), zeg Ik(10), zeiden zij(9), vroegen(7), zij vroegen(4), werd genoemd(4), zij zei(4), zij zeggen(3), zei hij(3), te spreken(2), had gezegd(2), noemt u(2), vroeg(2), ik zeg(2), Hij had gezegd(1), vraagt(1), jullie noemen(1), sprak(1), genoemd werd(1), jullie spreken(1), vertelden(1), noemt(1), heeft gezegd(1), spreekt(1), hij zegt(1), gezegd(1), zegt hij(1), zeggen jullie(1), vraag(1), HIj zei(1), te kunnen zeggen(1), hij vroeg(1), zei{den}(1), u spreekt(1), vroegen zij(1), jullie zeggen(1), Hij vroeg(1), {luidde}(1)
 G5723..
gebruikte vertalingenzei(80), zeiden(45), heeft(11), had(9), zeggen(9), vroegen(7), er waren(6), sprak(6), hoort(5), om op de proef te stellen(5), slapend(5), hij zei(4), aten(4), zij zeiden(4), te hebben(4), zaaier(4), toeziet(3), doet(3), voortbrengt(3), geloven(3), horen(3), Hij liep(3), verkondigde(3), zegt(3), te zeggen(3), uitwerpen(3), bezittingen(3), zeg(3), zagen(2), zij hadden(2), overgebleven(2), toeroepen(2), zou(2), liefheeft(2), begrijpt(2), levende(2), zij onderwijzen(2), kwaadspreekt(2), lopen(2), onrein {maakt}(2), verkopers(2), opbouwt(2), Hij afbreekt(2), schudden(2), {te} werpen(2), spotten(2), toekeken(2), zij volgden(2), jullie hebben(2), eten(2), doopte(2), ging overleveren(2), hij overlevert(2), van levenden(2), onderwijs gaf(2), spreken(2), verkochten(2), heiligt(2), het leest(2), dorst(2), de borst geven(2), zijn(2), afdaalden(2), bouwers(2), vragen(2), zij sterk zijn(2), zoekt(2), zij er zijn(2), leidt(2), zij zochten(2), volgden(2), wil(2), onderwijs gegeven(2), vraagt(2), Hij gaf onderwijs(2), hij verkondigde(2), genas(2), komende(2), riepen(2), roept(2), neerdalen(2), hebben(2), schreeuwen(1), sneed(1), zij horen(1), zij houden vast aan(1), zij hoedden(1), lag te slapen(1), ontkennen jullie autoriteit(1), gezond van verstand(1), geween(1), gejammer(1), gaan(1), hoorden(1), zij kijken(1), beefde(1), gingen(1), stapte(1), samendringen op(1), verzwakt zijn(1), vasten(1), doop(1), {bewakers}(1), onderwijs(1), hij at(1), Hij omhoog kwam(1), licht begon te worden(1), Hij leefde(1), herstellen(1), beproever(1), zij bewaakten(1), om te bedienden(1), waren aan het herstellen(1), met koorts(1), is rein(1), te plukken(1), om te roepen(1), kwam op(1), Hij verder ging(1), brengen(1), Hij verkondigde(1), wierp uit(1), hij smeekte(1), viel op de knielen(1), het groeide(1), overschaduwde(1), overvloed(1), {hebben} geworpen(1), jullie te overleveren(1), uit gevallen(1), zeer verontwaardigd(1), verslinden(1), willen(1), hij had(1), hij stierf(1), discussiëren(1), Hij onderwijs gaf(1), draagt(1), eet(1), bevestigde(1), meewerkte(1), vergezelden(1), zwijgen(1), wachtte op(1), wandelden(1), weenden(1), onderwijs aan het geven(1), zij {vielen}(1), {voorbijganger}(1), treurden(1), zij doden(1), zij afranselden(1), schuim(1), zij renden naar(1), gelooft(1), uitwierp(1), te hebbem(1), ondervroegen(1), bespraken zij(1), weende {om}(1), zij lopen rond(1), stralend(1), in gesprek(1), brachten(1), legde(1), maken jullie los(1), zij voor uit gingen(1), zij kochten(1), rondliep(1), {te bedelen}(1), nemen(1), zij hebben(1), gingen op(1), ging voor uit(1), wilde(1), verzochten zij(1), HIj zei(1), smeekte(1), ik heb(1), vallen(1), vinden(1), spraken(1), gezegd(1), hij zag(1), hij wilde(1), koorst hebben(1), er gegeten(1), liep(1), liepen(1), gegeten(1), omhoog komt(1), vraag(1), bezorgd te zijn(1), hij {kon}(1), vroeg(1), eisten(1), somber(1), klopt(1), zij waren in gesprek waren(1), op de knielen viel(1), doen(1), verzamelen(1), hij drinkt(1), hij eet(1), Hij eet(1), Hij drinkt(1), zwoegen(1), aan een bloedvloeiing leed(1), ging verder(1), spreekt(1), {hen} doden(1), opdrachten te geven(1), zij dragen(1), bijeen brengt(1), zoek(1), zaait(1), zij aan het hoeden waren(1), aanneemt(1), {zaaide}(1), kijken(1), verder ging(1), het leegstaan(1), zij verlangden(1), zij verlangen(1), zien(1), u vast(1), vast(1), verkopen(1), een lange tijd uitbleef(1), naar het buitenland gaat(1), u oogst(1), u brengt bijeen(1), {hen} dronken zijn(1), handelend(1), dronken(1), zij trouwden(1), werden uitgehuwelijkt(1), malen(1), honger(1), welwillend(1), te onderwijzen(1), zeiden zij(1), zij zei(1), {had} over{ge}leverd(1), die verzwakt zijn(1), zij treuren(1), honger hebben(1), dorsten(1), overleveren(1), zij hongeren(1), zij aten(1), kijkt(1), kochten(1), zij vasten(1), liefhebben(1), zuigelingen(1), Hij terugkeerde(1), zei{den}(1), voor uit gingen(1), oordelen(1), op ging(1), zij betoonde eer(1), Hij zei(1), vervolgen(1), zij vroegen(1), doodt(1), stenigt(1), vroegen zij(1), scheidt van(1), doorslikken(1), uitziften(1), was(1), u draagt(1), valselijk beschuldigen(1), haten(1), {luidde}(1)

zeggen..
G3004zeggen
noemen, vragen, spreken, vertellen

V-PAP-NPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) zeggen..
gebruikte vertalingenzeiden(41), vroegen(7), zeggen(6), zij zeiden(3), zeg(2), te zeggen(1), zeiden zij(1), vraag(1), zij vroegen(1), vroegen zij(1)
als  
 
εαν
ean
G1437..
gebruikte vertalingenals(62), -(38), {ook}(6), ook(1)

als..
G1437als
-

COND
vw-c..
woordvormvoegwoord-conditie

als..
gebruikte vertalingenals(62), -(38), {ook}(6), ook(1)
wij zeggen  
 
ειπωμεν
eipòmen
G2036..
gebruikte vertalingenzei(132), Hij zei(21), zij zeiden(13), zeiden(12), zeg(11), heeft gezegd(6), zei Hij(6), zegt(6), zeiden zij(5), vertel(4), vroegen(3), hij zei(3), wij zeggen(3), spreek(3), te zeggen(3), hebt gezegd(2), Hij heeft gezegd(2), ik heb gezegd(2), om te zeggen(2), zij zeggen(2), Hij sprak(2), vraagt(2), zij zei(2), u vertelt(2), zei hij(2), te vertellen(2), vertelde(2), Hij had gezegd(2), zegt U(1), gezegd had(1), Hij gezegd had(1), zij spraken(1), zouden zeggen(1), hij zegt(1), zeggen wij(1), Hij(1), Hij gesproken had(1), Ik sprak(1), om te vragen(1), spreken(1), ik zeg(1), vroeg Hij(1), zeggen(1), zou zeggen(1), jullie zeggen(1), jullie vertellen(1), sprak(1)
 G5632..
gebruikte vertalingenzegt(9), te eten(5), komt(4), zien(3), jullie binnenkomen(3), Ik drink(3), zij zien(3), gaat voorbij(3), wij zeggen(3), uit te werpen(2), jullie zien(2), te vertellen(2), moeten wij betalen(2), jullie vertrekken(2), vraagt(2), zij zeggen(2), IK plaats(2), valt(2), u vertelt(2), gaan voorbij(2), jullie vergeven(2), laten wij zien(2), hij terugbetaald zou hebben(2), overlevert(2), vertel(2), over te kunnen leveren(2), sterft(2), kom(2), zij kunnen zien(2), jullie komen(2), Hij komt(1), zij konden voorzetten(1), U kan leggen op(1), wij in kunnen gaan(1), laten wij gaan(1), kunnen wij vergelijken(1), te laten weten(1), u geeft(1), leggen op(1), was opgestaan(1), geven(1), voor te zetten(1), droeg(1), zij wegleiden(1), zij opstaan(1), zij zijn opgestaan(1), moet nemen(1), vind(1), binnengaat(1), zij drinken(1), wij zien(1), voorbij kon gaan(1), Ik kan eten(1), nalaat(1), achterlaat(1), ontvangt(1), kan binnenkomen(1), te weten zou komen(1), kan vastgrijpen(1), heeft opgelevert(1), hij zegt(1), Ik kan bekijken(1), om in ontvangst te nemen(1), zeggen wij(1), vergeeft(1), Hij moet lijden(1), jullie zeggen(1), U komt(1), werp(1), geef(1), te vertrekken(1), HIJ uitzendt(1), Hij neemt weg(1), ga binnen(1), ga(1), mij halen(1), kunnen wij drinken(1), voorbijgaa{n}(1), spreken(1), ik zeg(1), u zult uitkomen(1), u hebt betaald(1), kunnen we eten(1), jullie drinken(1), jullie eten(1), uitgaat(1), kunnen begrijpen(1), zou zeggen(1), moeten jullie naar toe gaan(1), jullie vinden(1), over te leveren(1), te zeggen(1), het komt(1), zij moeten gaan(1), zouden zeggen(1), zien jullie(1), kunnen jullie ontkomen(1), {vergeeft}(1), kunnen jullie binnenkomen(1), is opgestaan(1), Hij kon leggen op(1), zeggen(1), jullie kunnen vinden(1), behouden(1), jullie vertellen(1), werpt(1)

zeggen..
G2036zeggen
vertellen, spreken, vragen

V-2AAS-1P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(WIJ) (wij zeggen)..
gebruikte vertalingenwij zeggen(3), zeggen wij(1)
uit  
 
εξ
ex
G1537..
gebruikte vertalingenuit(60), van(37), aan(20), vanuit(11), -(5), bij(5), voor(3), vanaf(3), door(3), naar(2)

uit..
G1537uit
van, naar, aan, bij, door, voor, vanuit, vanaf

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

van..
gebruikte vertalingenvan(22), uit(14), vanuit(8), aan(7), -(3), bij(1), door(1)
hemel  
 
ουρανου
ouranou
G3772..
gebruikte vertalingenhemelen(61), hemel(41), van hemel(1), van hemelen(1)

hemel..
G3772hemel

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) hemel..
gebruikte vertalingenhemel(20), van hemel(1)
zal Hij zeggen  
 
ερει
erei
G2046..
gebruikte vertalingenzal Hij zeggen(3), zal zeggen(2), zal Ik zeggen(2), zullen jullie zeggen(2), gezegd had(1), zullen zeggen(1), zal ik zeggen(1), zult u zeggen(1)
 G5692..
gebruikte vertalingenu zult liefhebben(6), zal geven(6), zal overleveren(6), zij zullen overleveren(5), zal vergeven(3), zal belonen(3), zal verliezen(3), zal doen(3), zal Hij zeggen(3), zal komen(3), zij zullen veroordelen(3), zij zullen misleiden(3), zal vinden(2), gereed zal maken(2), zal Ik vergelijken(2), zij zullen ter dood laten brengen(2), zal erkennen(2), zullen zij vasten(2), zal vernederen(2), zal zeggen(2), zij zullen geven(2), ik zal slaan(2), zal ik voorgaan(2), doden(2), ik zal geven(2), zal Ik zeggen(2), zullen jullie vinden(2), zal geven aan(2), zij zullen doden(2), zal ik terugbetalen(2), zal verlaten(2), u zult hebben(2), zij zullen werpen(2), zullen jullie zeggen(2), u zult overspel plegen(2), zal redden(2), u zult moorden(2), zal dopen(2), jullie zullen vinden(2), zij zullen samen bijeenbrengen(1), HIJ zal uitzenden(1), zij zullen haten(1), zullen doden(1), aangetroffen zal worden(1), Hij zal grondig ziften(1), hij zal met de grootste strengheid straffen(1), Hij zal scheiden(1), zal Hij plaatsen(1), zal Hij zitten(1), zal ik aanstellen(1), zal toewijzen(1), ik zal aanstellen(1), hij zal aanstellen(1), zullen zij overleveren(1), zal trouwen met(1), {verwekken}(1), zal verpulverd worden(1), zullen geven(1), zal hij doen(1), zal hij doden(1), zal verhogen(1), zullen jullie doden(1), zal bijeen brengen(1), zullen jullie(1), zal Hij verbranden(1), zullen jullie vervolgen(1), jullie zullen aan een paal hangen(1), zullen jullie geselen(1), wij voorbereidingen zullen treffen(1), zij zullen {geven}(1), zal jullie laten zien(1), zal afbreken(1), Ik zal bouwen(1), zal tegemoet komen(1), zullen samen brengen(1), zal vragen(1), zal Hij uitzenden(1), zal wegrollen(1), zullen vergezellen(1), zij zullen worden(1), zal hij doen terugkeren(1), zij leggen(1), zullen zij wegnemen(1), zullen zij uitwerpen(1), zullen zij spreken(1), Hij zou vinden(1), naar spuwen(1), zullen overreden(1), zullen hebben(1), wij zullen geloven(1), zal ik doen(1), zullen zij dragen(1), Hij zal bijstaan(1), Ik zal doen(1), zou genezen(1), bespotten(1), geselen(1), zullen jullie het kruiden(1), hij zeggen moest(1), zal worden(1), zal het baten(1), zal weiden(1), Ik zal vragen(1), IK zal leggen(1), zal hij bekendmaken(1), Hij zal twisten(1), {eruit} tillen(1), grijpen(1), zal rust geven(1), {heeft}(1), Hij zal luid roepen(1), zal horen(1), u zult terugbetalen(1), zij zal veroordelen(1), zullen moeten geven(1), zal hij plunderen(1), zal Hij uitdoven(1), zullen hoop hebben(1), zal slaan(1), zal dwingen te gaan(1), zullen komen(1), ik zal volgen(1), zal genezen(1), zult u inzicht hebben(1), zullen zeggen(1), zal Ik openlijk verklaren(1), zult u zeggen(1), zal zorgen hebben(1), hij zal haten(1), u zult haten(1), hij zal liefhebben(1), zal hij verachten(1), zullen zij geselen(1), jullie zullen spreken(1), ik zal terugkeren(1), zullen jullie horen(1), Ik zal maken(1), zult u heilige dienst verrichten(1), zullen beërven(1), {moet} ik vergeven(1), u zult vinden(1), {kan} zondigen(1), u zult stelen stelen(1), u zult vals getuigenis afleggen(1), zullen jullie doen(1), hij zal vragen(1), zal ik gegeven(1), zal ik geven(1), zult u eer betonen(1), zal beërven(1), zal onmogelijk zijn(1), u zult {geven}(1), zal uitzenden(1), zij zullen verzamelen(1), Ik zal openen(1), zal ik zeggen(1), zullen jullie kijken(1), wij zullen verzamelen(1), u zult eed breken(1), zullen stralen(1), zal Hij belonen(1), zal herstellen(1), Ik zal gegeven(1), zullen overweldigen(1), zij zullen afscheiden(1), zal ik bouwen(1), u zult op de proef stellen(1)

zeggen..
G2046zeggen

V-FAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) zal zeggen..
gebruikte vertalingenzal Hij zeggen(3), zal zeggen(2)
tot ons  
 
ημιν
èmin
G2254..
gebruikte vertalingenons(16), voor ons(7), wij(3), tot ons(1), met wij(1), met ons(1)

(tot) ons..
G2254(tot) ons
voor ons, wij

P-1DP
mv pn dat..
woordvormmeervoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) ons..
gebruikte vertalingenons(16), voor ons(7), wij(3), tot ons(1), met wij(1), met ons(1)
om  
 
δια
dia
G1223..
gebruikte vertalingenom(28), door(26), vanwege(20), omdat(4), over(3), voor(2), {uit}(2), {in}(2), {aan}(1), {tijd}(1), {van}(1), {na}(1)

om..
G1223om
door [bemiddeling van], vanwege, omdat, over, voor, omwille

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

door..
gebruikte vertalingenom(27), door(21), vanwege(20), omdat(4), voor(2), over(2), {uit}(2), {in}(2), {aan}(1), {van}(1), {tijd}(1)
waar  
 
τι
ti
G5101..
gebruikte vertalingenwat(69), wie(27), waarom(24), waar(18), van wie(5), wat?(4), waarover(3), {iets}(3), waarmee(3), Wie(2), wie?(2), -(2), hoe(2), waarom?(1), iets(1)

wat..
G5101wat
wie, waarom, waar, waarmee, hoe, waarover, {iets}

I-ASN
o ev vnw-ov acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
voornaamwoord-ondervragend
acusatief

wat..
gebruikte vertalingenwat(53), waarom(19), waar(17), waarover(3), {iets}(3), wat?(1), waarom?(1), iets(1)
dan  
 
ουν
oun
G3767..
gebruikte vertalingendan(35), daarom(19), dus(6), nu(5), om(2)

dan..
G3767dan
dus, nu, om, daarom

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

dan..
gebruikte vertalingendan(35), daarom(19), dus(6), nu(5), om(2)
niet  
 
ουκ
ouk
G3756..
gebruikte vertalingenniet(256), geen(45), geens(13), zeker(12), nee(4), ?(1), -(1), {alleen}(1), niet{s}(1)

niet..
G3756niet
geen, geens[zins], zeker [niet], nee, niet{s}

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(145), geen(21), -(1), ?(1), nee(1), {alleen}(1), niet{s}(1), geens(1)
jullie hebben geloofd  
 
επιστευσατε
episteusate
G4100..
gebruikte vertalingengeloven(6), gelooft(3), geloof(3), jullie hebben geloofd(3), moeten jullie geloven(2), ik geloof(1), zij hadden geloofd(1), u geloofde(1), geloofden(1), wij zullen geloven(1), geloven jullie(1), hebben geloofd(1), zouden geloven(1), u gelooft(1), heb geloof(1)
 G5656..
gebruikte vertalingenverwekte(39), kwamen naar(11), volgden(9), Hij genas(9), vroeg(7), volgde(6), sprak(5), zond hij(5), jullie hebben gehoord(5), brak(5), riep(5), vertrok(5), zij haalden op(4), had opgedragen(4), gaf(4), doodden(4), Hij gaf(4), deed(4), zij vroegen(4), zij brachten(4), bouwde(4), zij riepen(3), liet na(3), hij groef(3), zij deden(3), geëindigd had(3), verborg(3), zij berichtten(3), hij zond(3), Hij gaf opdracht(3), ging liggen(3), werden zij zeer verontwaardigd(3), jullie hebben geloofd(3), hij gaf(3), betoonden eer(3), IK welbehagen heb(3), jullie hebben gegeven(2), Ik had dorst(2), jullie hebben gegrepen(2), jullie hebben te drinken gegeven(2), vroegen(2), wilde(2), gaf bevel(2), plaatste(2), gelastte streng(2), Ik had honger(2), zij wilden(2), zonden(2), jullie hebben gedaan(2), Hij deed(2), Hij vroeg(2), Hij vertrok(2), hij kuste teder(2), grepen(2), droegen weg(2), zij maakten klaar(2), hebben jullie gedaan(2), er kwamen naar(2), jullie hebben opgehaald(2), kraaide(2), vroeg de zegen(2), zij leverden over(2), onder één juk heeft samengebracht(2), liet opstaan(2), plantte(2), heeft gedaan(2), heeft gegeven(2), ging hij naar het buitenland(2), zij bespot hadden(2), afkeurden(2), trokken zij uit(2), trokken aan(2), brachten zij(2), kwam tegemoet(2), berichtten(2), zij verwonderden(2), spreidden uit(2), ik heb gewonnen(2), zijn gevolgd(2), zij gaven(2), eunuch zijn(2), heeft toegestaan(2), Hij stond toe(2), u hebt in beheer gegeven(2), Hij maakte(2), Hij ging zitten(2), zij volgden(2), leverde over(2), heeft Hij gedaan(2), heeft Hij gered(2), heeft geprofeteerd(2), honger had{den}(2), smeekten zij(2), waaiden(2), hebben jullie gehoord(2), vroegen zij(2), vertrok Hij(2), Hij gelastte streng(2), hij strekte uit(2), beëindigd had(2), heeft opgedragen(2), verwonderden(2), stortte(2), verwonderden zij(2), vermaande(2), gaf Hij opdracht(2), verliet(2), zij noemden(2), zond uit(2), Hij sprak(2), zonden weg(2), Hij hield voor(2), verstikten(2), te wonen(2), zaaide(2), blies uit(1), grepen vast(1), gestolen hebben(1), {legde}(1), zij hingen aan een paal(1), deden zij(1), gaven zij(1), spuwden zij(1), zij stompten(1), hij legde(1), verwonderde(1), hij uitgehouwen had(1), rolde hij weg(1), uit blies(1), Hij heeft gelasterd(1), heb gedoopt(1), gingen zoeken(1), Hij maakte het duidelijk(1), haalden zij dakbedekking weg(1), {legde vast}(1), kraaide er(1), zij volgen(1), voerden weg(1), bewogen ertoe(1), sloegen zij(1), twijfelden zij(1), riep Hij(1), scheurde(1), hij schreeuwde luid(1), liet vrij(1), een discipel was geworden(1), bracht terug(1), zij hadden gelegd(1), hij liet vrij(1), is gaan zitten(1), deden om(1), kochten(1), zij hadden geloofd(1), overreedden(1), kochten zij(1), geloofden(1), geloofden zij niet(1), zij hadden overgeleverd(1), berichten(1), zond(1), hij rolde(1), weende(1), riep uit(1), wikkelde in(1), doorstak(1), {gaf}(1), Hij verweet(1), waren gevolgd(1), zij brachten aan(1), dwongen zij(1), legde(1), zetten(1), verkondingden(1), u geloofde(1), zij zwachtelde(1), legde neer(1), wikkelde hij in(1), overgeleverd heeft(1), plaatste er omheen(1), stuurde Hij weg(1), zij zetten voor(1), Ik brak(1), hoorden(1), Hij keerde om(1), jullie hebben gemaakt(1), legde Hij(1), zuchtte(1), jullie hebben doorgegeven(1), ranselden af(1), dwong Hij(1), verdeelde Hij(1), zij dachten(1), zij schreeuwden luid(1), zij hadden begrepen(1), sprak Hij(1), liet(1), krijg Hij honger(1), gelastte Hij streng(1), {hebben} achtergelaten(1), verlaten heeft(1), wij verhinderden(1), heeft hij opgetekent(1), werd Hij zeer verontwaardigd(1), heeft gemaakt(1), zag hij weer(1), bezorgde stuiptrekkingen(1), Hij vermaande(1), Hij zond(1), zag(1), zij namen aan(1), zij lieten begaan(1), konden(1), ik heb gebracht(1), onderwezen hadden(1), zij gedaan(1), gedaan(1), was u in staat(1), raakte(1), stond toe(1), barmhartig is(1), worden verkort(1), Hij gedaan had(1), goot uit(1), betoonde eer(1), vermaande Hij(1), Hij gaf aan(1), aan gaf Hij(1), Hij de naam gaf(1), horen(1), had lief(1), het bracht voort(1), het kwam op(1), genas(1), hoorde het(1), hij bracht(1), zij lieten na(1), onthoofdde(1), zij legden(1), heeft geschreven(1), verwonde zij aan het hoofd(1), doodden zij(1), hij vroeg(1), gaf opdracht(1), vastgezet(1), opgepakt(1), heb onthoofd(1), hij had getrouwd(1), hij zwoer(1), geschapen heeft(1), zou verkorten(1), zij veroordeelden(1), overleed(1), zij hebben gehoord(1), hebben verlangd(1), hebben zij gesloten(1), opkwam(1), voortbracht(1), verzamelden(1), kocht(1), hebt u gezaaid(1), hebben zij gehoord(1), kwam het op(1), zouden jullie hebben veroordeeld(1), hadden honger(1), onthult(1), IK gekozen heb(1), welbehagen heeft(1), zij kwamen tot inkeer(1), is gekomen(1), Hij breekt(1), hebben jullie begrepen(1), hoorde(1), bent u gaan twijfelen(1), liep(1), zij schreeuwden(1), eer betoonden(1), ontkennen jullie autoriteit(1), eer betonen(1), zij riep luid(1), heeft geplant(1), dwong(1), volgden zij(1), hij verklaarde(1), zij behaagde(1), gebonden(1), gaf hij bevel(1), onthoofden(1), zij begroeven(1), zij bracht(1), U volledig hebt verborgen(1), hadden zij blijven bestaan(1), Hij riep(1), is opgegaan(1), kwamen(1), vervolgden zij(1), overspel heeft gepleegd(1), sloegen tegen(1), hebben wij gedaan(1), hebben wij geprofeteerd(1), had hij honger(1), heeft gewezen(1), hij kwam nauwkeurig te weten(1), hij {gaf}(1), deed hij(1), brachten(1), trokken zij terug(1), vertrok hij(1), hij nauwkeurig te weten was gekomen(1), heb IK geroepen(1), verwonderde Hij(1), u gelooft(1), geëindigd was(1), maakten zij bekend(1), Hij hield vast(1), hebben geprofeteerd(1), wij hebben op de fluit spelen(1), hadden zij tot inkeer gekomen(1), ze tot inkeer kwamen(1), wij hebben klaagliederen gezonden(1), is overleden(1), verheerlijkten(1), Hij heeft gedragen(1), genas Hij(1), brachten zij bij(1), maakten wakker(1), kwamen toegemoet(1), voer over(1), berichtten zij(1), zij wierpen neer(1), zij verheerlijkten(1), wegnam(1), jullie hebben gewild(1), heb IK willen(1), zou hij wakker zijn geweest(1), zou hebben toegestaan(1), maakten in orde(1), werden zij slaperig(1), heeft aangesteld(1), jullie vermoord hebben(1), jullie laten na(1), doodde(1), behandelden onbeschaamd(1), ik heb bereid(1), stak in brand(1), kwamen er naar(1), zijn gaan zitten(1), had de moed(1), Hij tot zwijgen had gebracht(1), in beheer gaf(1), hij maakte(1), wij hebben gediend(1), hebben wij te drinken geven(1), hebben wij gevoed(1), zij goot uit(1), zij gedaan heeft(1), had gegeven(1), waren jullie instaat(1), deden(1), ik was verzwakt(1), ik heb gewand(1), hij verborg(1), hij verborg volledig(1), won(1), bracht(1), u hebt gezaaid(1), ik heb gezaaid(1), u hebt gewand(1), zond hij uit(1), hij zond uit(1), u smeekte(1), ik heb vergeven(1), duidelijk maken(1), barmhartig ben geweest(1), hij leverde over(1), hebben achtergelaten(1), berispten(1), maakte(1), vergaf(1), hij liet gaan(1), straalde(1), hebben onthuld(1), begrepen zij(1), overschaduwde(1), begrepen(1), hebt u gewonnen(1), was voor(1), ik bracht naar(1), heeft verlaten(1), hij deed(1), hebben geloofd(1), had Hij honger(1), hebben gemaakt(1), heen plaatste(1), hij ging naar het buitenland(1), hield(1), zij ranselden af(1), nabij kwam(1), keerde om(1), zij leggen op(1), u behandeld(1), hebben {gewerkt}(1), veronderstelden zij(1), bent u overeengekomen(1), riepen zij(1), zij naderden(1), konden weer zien(1), trok(1)

geloven..
G4100geloven
vertrouwen

V-AAI-2P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(JULLIE) (jullie hebben geloofd)..
gebruikte vertalingenjullie hebben geloofd(3)
hem  
 
αυτω
autò
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-DSM
m ev pn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) hem..
gebruikte vertalingenHem(101), tot Hem(62), hem(45), tot hem(38), Hem toe(17), Hij(6), bij Hem(6), aan Hem(5), aan hem(5), met Hem(4), voor hem(4), voor Hem(4), met hem(2), hij(2), er(2), naar Hem(2), tegen hem(1), erop(1), hem toe(1), bij hem(1), daar(1), er om(1), voor HEM(1)


Afwijkingen
O?_BZ_TR_C+waarschijnlijk oorspronkelijk, ander woord, merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)