Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   

HSV
(TR)
Dan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien meisjes, die hun lampen namen en op weg gingen, de bruidegom tegemoet.
NBV
(NA27)
Dan zal het met het koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en eropuit trokken, de bruidegom tegemoet.
NBG51
(N(A))
Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet.
NW
(WH)
Dan zal het koninkrijk der hemelen gelijk worden aan tien maagden die hun lampen namen en de bruidegom tegemoet gingen.
RBV
(BZ+)
Dan zal het Koninkrijk van de hemelen vergeleken worden met tien maagden die hun lampen namen, [en] de bruidegom tegemoet gingen.
RBVI
(BZ+)
dan    zal vergeleken worden    het    Koninkrijk    van de    hemelen    met tien    maagden    die    namen    de    lampen    van hun    gingen    -    tegemoet    de    bruidegom  


dan  
 
τοτε
tote
G5119..
gebruikte vertalingentoen(57), dan(33), dat moment(3), -(2), op dat moment(1)

toen..
G5119toen
dan, (op) dat moment

ADV
bw..
woordvormbijwoord

toen..
gebruikte vertalingentoen(57), dan(33), dat moment(3), -(2), op dat moment(1)
zal vergeleken worden  
 
ομοιωθησεται
omoiòthèsetai
G3666..
gebruikte vertalingenkan vergeleken worden(3), zal Ik vergelijken(2), zal vergeleken worden(1), kunnen wij gelijk stellen(1), hij zal vergeleken worden(1), word gelijk(1)
 G5701..
gebruikte vertalingenzal gegeven worden(4), zal worden genoemd(4), zal gered worden(4), zal afgenomen worden(3), er zal gegeven worden(3), zullen tot struikelen worden gebracht(3), zal vergeven worden(2), zal stand houden(2), zal verduisterd worden(2), er zullen opstaan(2), het zal vergeven worden(2), hij zal overvloedig hebben(2), zullen jullie gedoopt worden(2), zal worden overgeleverd(2), zal opstaan(2), zal ik verlost zijn(2), zullen worden geschokt(2), zal verteld worden(2), {zullen} verstrooid worden(2), zal gezouten worden(2), zullen zij bezwijken(1), zullen opstaan(1), zal toegevoegd worden(1), zal veroordeeld worden(1), afgebroken zal worden(1), zal vernederd worden(1), zal verhoogd worden(1), zullen jullie staan(1), zal hechten(1), {zullen} gemeten worden(1), zullen verkort worden(1), zullen jullie struikelen(1), hij zal verbrijzeld worden(1), vervult zullen worden(1), zal vergeleken worden(1), zullen bijeen komen(1), zullen struikelen(1), zal gebracht worden(1), vergeven zal worden(1), zal tot struikelen worden gebracht(1), zal verkondigd worden(1), zal met wortel en al uitgetrokken worden(1), zullen jullie geoordeeld worden(1), zullen toegevoegd worden(1), zullen jullie gemeten worden(1), het zal gegeven worden(1), zal gezonden worden(1), hij zal vergeleken worden(1), zij verhoord zullen worden(1), u wordt geworpen(1), zullen verzadigd worden(1), zullen vertroost worden(1), zullen barmhartigheid ontvangen(1), zullen worden genoemd(1), zal het gezouten worden(1), zij zullen aanzitten(1), zullen worden geworpen(1), Hij genoemd zal worden(1), zal worden opgewekt(1), zal Hij worden opgewekt(1), zal hechten aan(1), zal worden wegnomen(1), zult u veroordeeld worden(1), zult u rechtvaardig verklaard worden(1), ontdekt zal worden(1), jullie zullen worden gebracht(1), bekend zal worden(1), zult u verhoogd worden(1), zult u {verlaagd} worden(1), zal worden gegeven(1)

vergelijken..
G3666vergelijken
vegeleken worden, gelijk worden, gelijk stellen

V-FPI-3S
ev ww pas..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief

(hij/zij/het) zal vergeleken worden..
gebruikte vertalingen
het  
 
η
è
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSF
v ev lw nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(119), het(56), -(8), die(5), deze(2), dit(1), dat(1)
Koninkrijk  
 
βασιλεια
basileia
G932..
gebruikte vertalingenKoninkrijk(67), koninkrijk(9), een koninkrijk(1), koninkrijken(1)

koninkrijk..
G932koninkrijk

N-NSF
v ev zn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

koninkrijk..
gebruikte vertalingenKoninkrijk(25), koninkrijk(5), een koninkrijk(1)
van de  
 
των
tòn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GPM
m mv lw gen..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingenvan de(141), de(80), die(8), van die(7), -(3), voor de(3), onder de(2), van(1), dan de(1)
hemelen  
 
ουρανων
ouranòn
G3772..
gebruikte vertalingenhemelen(61), hemel(41), van hemel(1), van hemelen(1)

hemel..
G3772hemel

N-GPM
m mv zn gen..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) hemelen..
gebruikte vertalingenhemelen(36), van hemelen(1)
met tien  
 
δεκα
deka
G1176..
gebruikte vertalingentien(3), met tien(1)

tien..
G1176tien

A-NUI
bn nom..
woordvormbijvoegelijk-naamwoord
nominatief

tien..
gebruikte vertalingentien(3), met tien(1)
maagden  
 
παρθενοις
parthenois
G3933..
gebruikte vertalingenmaagden(3), maagd(2), een maagd(1)

maagd..
G3933maagd

N-DPF
v mv zn dat..
woordvormvrouwelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
datief

(tot) maagden..
gebruikte vertalingen
die  
 
αιτινες
aitines
G3748..
gebruikte vertalingendie(19), wie(5), ieder die(3), één die(3), iemand(2), dat(1), deze(1), Eén Die(1)

(één) die..
G3748(één) die
wie, ieder die, deze, dat, iemand

R-NPF
v mv vnw-rl nom..
woordvormvrouwelijk
meervoud
voornaamwoord-relatief
nominatief

die..
gebruikte vertalingen
namen  
 
λαβουσαι
labousai
G2983..
gebruikte vertalingennam(8), Hij nam(7), had ontvangen(6), zij namen(4), zij grepen(3), neem(3), zullen jullie ontvangen(3), te nemen(3), namen(3), zal ontvangen(3), zij ontvingen(2), om in ontvangst te nemen(2), ontvangt(2), grepen(2), hielden(2), jullie hebben opgehaald(2), hij nam(2), grijpen(1), zij hadden gehouden(1), nemen zij aan(1), moet nemen(1), zij zullen ontvangen(1), jullie ontvangen(1), mee te nemen(1), zij hadden ontvangen(1), nam Hij(1), hadden gehouden(1), ontvingen(1), wij hebben meegenomen(1), aanneemt(1), op neemt(1), jullie hebben ontvangen(1), jullie hebben meegenomen(1), eisten(1), zij hielden(1), om tenemen(1), zij zouden ontvangen(1), ontvangen(1), meenamen(1)
 G5631..
gebruikte vertalingenzag(14), zagen(11), kwam(10), Hij nam(6), kwamen(6), nam(5), zij kwamen(5), had ontvangen(5), zij zagen(5), kom(4), gingen(4), Hij zag(4), kwamen naar(4), stapte(4), ging weg(4), kwam naar(4), hij zag(4), zij lieten achter(4), namen(3), ging heen(3), Hij kwam(3), zij grepen(3), kwamen naar toe(3), zij gingen(3), viel neer(3), zij kwam(3), merkte op(3), hij ging heen(2), ging(2), er kwamen(2), merkte(2), Hij was gegaan verder(2), herkenden(2), vertrok(2), Hij liet achter(2), zij gaan(2), Hij stond op(2), stond op(2), uit ging(2), ging naar(2), hij komt(2), was gekomen(2), Hij stapte(2), zij verlieten(2), komt(2), kwam naderbij(2), zij vertrokken(2), zij ging(2), binnenkwam(2), er kwam naar(2), rende(2), {stak op}(2), ging hij er op uit(2), gingen weg(2), wist(2), Hij verliet(2), gaan(2), stond Hij op(2), hij nam(2), was gegaan(2), bleef staan(2), zij ging uit(1), kwam binnen(1), Hij oplegde(1), zij gingen heen(1), binnenkomen(1), waren gegaan(1), Hij ging naar(1), zij vonden(1), kwam Hij binnen(1), Hij verder liep(1), zij hadden ontvangen(1), lieten zij achter(1), Hij gezegd had(1), hij was weggegaan(1), was {geworden}(1), er was uitgegaan(1), Hij naar binnen ging(1), had geleden(1), hadden gezien(1), waren afgedaald(1), gingen uit(1), Hij stuurde weg(1), weggegaan was(1), gaf(1), ging Hij(1), Hij sprak(1), achterliet(1), kwam er(1), binnen gegaan was(1), zij gingen naar buiten(1), zij lieten begaan(1), gekomen was(1), ging hij naar(1), doordrong(1), -(1), waren opgegaan met(1), zij zag(1), op stond(1), nam af(1), hij verliet achter(1), stonden er op(1), gekomen(1), zij waren gegaan(1), jullie laten na(1), ging binnen(1), hij te weten was gekomen(1), zij liepen rond(1), uit gingen(1), zij te weten waren gekomen(1), nam Hij(1), gegeten(1), gegeten hadden(1), legde op(1), rennen er naar(1), Hij nam bij(1), wierp hij af(1), Hij was opgetaan(1), binnengegaan was(1), zijn gekomen(1), keek aan(1), moeten wij gaan(1), goot(1), vertelde(1), erheen gaan(1), had laten weggaan(1), zij gaan naar binnen(1), Hij vertrok(1), overgeleverd heeft(1), vindt(1), vond(1), hij had gevonden(1), kwam naar toe(1), Hij ging(1), kwamen zij(1), in stapten(1), heen ging(1), bijeenbracht(1), zij weggingen(1), ging Hij naar(1), Hij liep verder(1), afdaalde(1), verliet(1), U neervalt(1), kan komen(1), zij vielen neer(1), instapte(1), gingen naar toe(1), er kwam(1), naderde(1), hij stond op(1), gegeven had(1), zij gingen uit(1), doorzag(1), gekomen waren(1), neem(1), hij kwam er(1), kwamen er(1), kwamen dichterbij(1), verlieten(1), grijpen(1), sprak(1), kwamen zij naderbij(1), hij ging naar(1), ik heb overgeleverd(1), daalde neer(1), gingen zij naar(1), kunnen komen(1), gingen zij(1), zij hadden gehouden(1), namen mee(1), ging Hij heen(1), nam Hij mee(1), kwam bij(1), hij kwam bij(1), zij ontvingen(1), hij ging er op uit(1), laat hij achter(1), Hij had gelegd(1), hebben gezien(1), grepen(1), hij bijeen had laten brengen(1), ga(1), had opgemerkt(1), {komst}(1), valt(1), binnen kwam(1), hadden gehouden(1)

nemen..
G2983nemen
meenemen, opnemen, aannemen, ontvangen, ophalen, grijpen, eisen

V-2AAP-NPF
v mv ww act..
woordvormvrouwelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) namen..
gebruikte vertalingen
de  
 
τας
tas
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APF
v mv lw acc..
woordvormvrouwelijk
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(66), het(2), -(2), die(1)
lampen  
 
λαμπαδας
lampadas
G2985..
gebruikte vertalingenlampen(5)

lamp..
G2985lamp

N-APF
v mv zn acc..
woordvormvrouwelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

lampen..
gebruikte vertalingen
van hun  
O?_BZ_TR_C+
αυτων
autòn
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GPF
v mv pn gen..
woordvormvrouwelijk
meervoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hun..
gebruikte vertalingen
gingen  
 
εξηλθον
exèlthon
G1831..
gebruikte vertalingenzijn jullie uitgegaan(5), ging weg(4), ga uit(4), gingen(4), ging uit(3), Hij vertrok(2), uit ging(2), zij vertrokken(2), ging(2), ging hij er op uit(2), vertrok(2), gingen zij(2), jullie vertrekken(2), kwamen(2), gingen weg(2), ging voort(2), zij gingen(1), er was uitgegaan(1), zij ging uit(1), er kwamen(1), gingen zij weg(1), hij was weggegaan(1), u zult uitkomen(1), uit gingen(1), was gegaan(1), gingen uit(1), is uitgegaan(1), zij waren gegaan(1), hij vertrok naar(1), zij gingen naar buiten(1), zij gingen heen(1), ging Hij(1), uitgaan(1), was uitgegaan(1), weggegaan was(1), ging hij uit(1), ben Ik uitgegaan(1), hij ging(1), weggingen(1), kwam naar toe(1), er op ging uit(1), hij ging er op uit(1), komen voort(1), komt voort(1), ik weggegaan ben(1), vertrek uit(1), zullen uitgaan(1), zij weggingen(1), moeten jullie naar toe gaan(1), zij vetrokken(1), er kwam uit(1), uitgaat(1), waren gegaan(1), hij ging naar(1), zij gingen uit(1), komt(1), trok uit(1), zal voortkomen(1), vertrok vandaar(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

uitgaan..
G1831uitgaan
weggaan, voortgaan, gaan naar, gaan, vertrekken uit, vertrekken, uitkomen, voortkomen, komen naar, komen, heen gaan

V-2AAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) gaan uit..
gebruikte vertalingengingen(3), kwamen(1), er kwamen(1), gingen zij weg(1), gingen zij(1)
-  
 
εις
eis
G1519..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)

in..
G1519in
naar, tot, voor, -, om, aan, tegen, tussen, bij

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

in..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)
tegemoet  
BZ_TR_C-
απαντησιν
apantèsin
G529..
gebruikte vertalingentegemoet(2)

tegemoet..
G529tegemoet
ontmoeting*

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

ontmoeting..
gebruikte vertalingen
de  
 
του
tou
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSM
m ev lw gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) van de..
gebruikte vertalingenvan de(227), de(98), van het(22), het(13), DIE(8), -(8), van(4), dat(3), die(2), aan de(1), {uit} de(1), wie(1), van die(1), van wie(1)
bruidegom  
 
νυμφιου
numphiou
G3566..
gebruikte vertalingenbruidegom(9)

bruidegom..
G3566bruidegom

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) bruidegom..
gebruikte vertalingen


Afwijkingen
O?_BZ_TR_C+waarschijnlijk oorspronkelijk, ander woord, merkbaar  
BZ_TR_C-ander woord, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)