Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   

HSV
(TR)
Want ieder die heeft, [aan hem] zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van hem die niet heeft, van hem zal afgenomen worden ook wat hij heeft.
NBV
(NA27)
Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.
NBG51
(N(A))
Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden.
NW
(WH)
Want aan een ieder die heeft, zal meer worden gegeven en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal zelfs wat hij heeft, nog ontnomen worden.
RBV
(BZ+)
Want aan ieder die heeft zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, van hem zal zelfs wat hij heeft [nog] afgenomen worden.
RBVI
(BZ+)
aan die    want    heeft    ieder    zal gegeven worden    en    hij zal overvloedig hebben    -    maar    wie    niet    heeft    zelfs    wat    heeft    zal afgenomen worden    van    hem  


aan die  
 
τω

G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-DSM
m ev lw dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
datief

(tot) de..
gebruikte vertalingende(57), het(33), tot de(26), aan de(15), met de(10), voor de(10), -(6), DIE(5), de toe(5), aan die(3), tot(2), die(2), aan(2), voor wie(2), tot het(2), {dat}(1), op de(1), aan het(1), tot die(1), naar de(1), {iemand}(1), van de(1)
want  
 
γαρ
gar
G1063..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)

want..
G1063want
dan, toch

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

want..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)
heeft  
 
εχοντι
echonti
G2192..
gebruikte vertalingenheeft(26), had(16), hebben jullie(10), jullie hebben(8), zij hebben(6), er waren(6), te hebben(6), hebben(5), hij heeft(4), wij hebben(3), is(3), hij had(3), zij hadden(3), heb(2), was(2), hadden zij(2), om te hebben(2), Hij heeft(2), hebben wij(2), zijn(2), u zult hebben(2), zij er zijn(2), {komt}(2), te hebbem(1), had gehad(1), hield(1), ik heb(1), {krijgt}(1), zal worden(1), u hebt(1), zij zullen worden(1), waren(1), zij had(1), hebben gehad(1), zij {vonden}(1), hadden(1), {die} hielden(1), u draagt(1), zij houden(1), zij hielden(1), hij {kon}(1), zij hebben gehad(1), hebt u(1), het was(1), die zijn(1), {heeft}(1), het had(1), {is}(1)
 G5723..
gebruikte vertalingenzei(80), zeiden(45), heeft(11), had(9), zeggen(9), vroegen(7), er waren(6), sprak(6), hoort(5), om op de proef te stellen(5), slapend(5), hij zei(4), aten(4), zij zeiden(4), te hebben(4), zaaier(4), toeziet(3), doet(3), voortbrengt(3), geloven(3), horen(3), Hij liep(3), verkondigde(3), zegt(3), te zeggen(3), uitwerpen(3), bezittingen(3), zeg(3), zagen(2), zij hadden(2), overgebleven(2), toeroepen(2), zou(2), liefheeft(2), begrijpt(2), levende(2), zij onderwijzen(2), kwaadspreekt(2), lopen(2), onrein {maakt}(2), verkopers(2), opbouwt(2), Hij afbreekt(2), schudden(2), {te} werpen(2), spotten(2), toekeken(2), zij volgden(2), jullie hebben(2), eten(2), doopte(2), ging overleveren(2), hij overlevert(2), van levenden(2), onderwijs gaf(2), spreken(2), verkochten(2), heiligt(2), het leest(2), dorst(2), de borst geven(2), zijn(2), afdaalden(2), bouwers(2), vragen(2), zij sterk zijn(2), zoekt(2), zij er zijn(2), leidt(2), zij zochten(2), volgden(2), wil(2), onderwijs gegeven(2), vraagt(2), Hij gaf onderwijs(2), hij verkondigde(2), genas(2), komende(2), riepen(2), roept(2), neerdalen(2), hebben(2), schreeuwen(1), sneed(1), zij horen(1), zij houden vast aan(1), zij hoedden(1), lag te slapen(1), ontkennen jullie autoriteit(1), gezond van verstand(1), geween(1), gejammer(1), gaan(1), hoorden(1), zij kijken(1), beefde(1), gingen(1), stapte(1), samendringen op(1), verzwakt zijn(1), vasten(1), doop(1), {bewakers}(1), onderwijs(1), hij at(1), Hij omhoog kwam(1), licht begon te worden(1), Hij leefde(1), herstellen(1), beproever(1), zij bewaakten(1), om te bedienden(1), waren aan het herstellen(1), met koorts(1), is rein(1), te plukken(1), om te roepen(1), kwam op(1), Hij verder ging(1), brengen(1), Hij verkondigde(1), wierp uit(1), hij smeekte(1), viel op de knielen(1), het groeide(1), overschaduwde(1), overvloed(1), {hebben} geworpen(1), jullie te overleveren(1), uit gevallen(1), zeer verontwaardigd(1), verslinden(1), willen(1), hij had(1), hij stierf(1), discussiëren(1), Hij onderwijs gaf(1), draagt(1), eet(1), bevestigde(1), meewerkte(1), vergezelden(1), zwijgen(1), wachtte op(1), wandelden(1), weenden(1), onderwijs aan het geven(1), zij {vielen}(1), {voorbijganger}(1), treurden(1), zij doden(1), zij afranselden(1), schuim(1), zij renden naar(1), gelooft(1), uitwierp(1), te hebbem(1), ondervroegen(1), bespraken zij(1), weende {om}(1), zij lopen rond(1), stralend(1), in gesprek(1), brachten(1), legde(1), maken jullie los(1), zij voor uit gingen(1), zij kochten(1), rondliep(1), {te bedelen}(1), nemen(1), zij hebben(1), gingen op(1), ging voor uit(1), wilde(1), verzochten zij(1), HIj zei(1), smeekte(1), ik heb(1), vallen(1), vinden(1), spraken(1), gezegd(1), hij zag(1), hij wilde(1), koorst hebben(1), er gegeten(1), liep(1), liepen(1), gegeten(1), omhoog komt(1), vraag(1), bezorgd te zijn(1), hij {kon}(1), vroeg(1), eisten(1), somber(1), klopt(1), zij waren in gesprek waren(1), op de knielen viel(1), doen(1), verzamelen(1), hij drinkt(1), hij eet(1), Hij eet(1), Hij drinkt(1), zwoegen(1), aan een bloedvloeiing leed(1), ging verder(1), spreekt(1), {hen} doden(1), opdrachten te geven(1), zij dragen(1), bijeen brengt(1), zoek(1), zaait(1), zij aan het hoeden waren(1), aanneemt(1), {zaaide}(1), kijken(1), verder ging(1), het leegstaan(1), zij verlangden(1), zij verlangen(1), zien(1), u vast(1), vast(1), verkopen(1), een lange tijd uitbleef(1), naar het buitenland gaat(1), u oogst(1), u brengt bijeen(1), {hen} dronken zijn(1), handelend(1), dronken(1), zij trouwden(1), werden uitgehuwelijkt(1), malen(1), honger(1), welwillend(1), te onderwijzen(1), zeiden zij(1), zij zei(1), {had} over{ge}leverd(1), die verzwakt zijn(1), zij treuren(1), honger hebben(1), dorsten(1), overleveren(1), zij hongeren(1), zij aten(1), kijkt(1), kochten(1), zij vasten(1), liefhebben(1), zuigelingen(1), Hij terugkeerde(1), zei{den}(1), voor uit gingen(1), oordelen(1), op ging(1), zij betoonde eer(1), Hij zei(1), vervolgen(1), zij vroegen(1), doodt(1), stenigt(1), vroegen zij(1), scheidt van(1), doorslikken(1), uitziften(1), was(1), u draagt(1), valselijk beschuldigen(1), haten(1), {luidde}(1)

hebben..
G2192hebben
houden, waren, zijn

V-PAP-DSM
m ev ww act..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
actief

(hij) heeft..
gebruikte vertalingenheeft(2), had(1)
ieder  
 
παντι
panti
G3956..
gebruikte vertalingenal(46), allen(38), alles(36), heel(18), elke(13), ieder(12), alle(9), van allen(6), allemaal(4), elk(3), iedere(3), enkel(2), van alle(2), voor al(2), allerlei(2), dan allen(1), tot allen(1), bij ieder(1), onder allen(1), op allen(1), al{tijd}(1), hele(1)

al..
G3956al
alle, alles, allemaal, allerlei, elk, ieder, heel, enkel

A-DSM
m ev bn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
datief

(tot) ..
gebruikte vertalingen
zal gegeven worden  
 
δοθησεται
dothèsetai
G1325..
gebruikte vertalingengeef(12), Hij gaf(7), zal geven(6), gaf(6), geven(5), om te geven(5), zal gegeven worden(4), te geven(4), zij gaven(3), hij gaf(3), er zal gegeven worden(3), jullie hebben gegeven(2), zij zullen geven(2), moeten wij betalen(2), heeft gegeven(2), ik zal geven(2), om te {betalen}(2), bracht voort(2), het gegeven is(2), is het gegeven(2), zal ik gegeven(1), werd gegeven(1), te moeten geven(1), het bracht voort(1), u geeft(1), zal ik geven(1), hij had gegeven(1), gegegeven(1), gegeven wordt(1), is gegeven(1), gaven zij(1), het zal gegeven worden(1), gegeven had(1), zal worden gegeven(1), gegeven(1), gegeven zou worden(1), Ik zal gegeven(1), had gegeven(1), gegeven kunnen worden(1), moet geven(1)
 G5701..
gebruikte vertalingenzal gegeven worden(4), zal worden genoemd(4), zal gered worden(4), zal afgenomen worden(3), er zal gegeven worden(3), zullen tot struikelen worden gebracht(3), zal vergeven worden(2), zal stand houden(2), zal verduisterd worden(2), er zullen opstaan(2), het zal vergeven worden(2), hij zal overvloedig hebben(2), zullen jullie gedoopt worden(2), zal worden overgeleverd(2), zal opstaan(2), zal ik verlost zijn(2), zullen worden geschokt(2), zal verteld worden(2), {zullen} verstrooid worden(2), zal gezouten worden(2), zullen zij bezwijken(1), zullen opstaan(1), zal toegevoegd worden(1), zal veroordeeld worden(1), afgebroken zal worden(1), zal vernederd worden(1), zal verhoogd worden(1), zullen jullie staan(1), zal hechten(1), {zullen} gemeten worden(1), zullen verkort worden(1), zullen jullie struikelen(1), hij zal verbrijzeld worden(1), vervult zullen worden(1), zal vergeleken worden(1), zullen bijeen komen(1), zullen struikelen(1), zal gebracht worden(1), vergeven zal worden(1), zal tot struikelen worden gebracht(1), zal verkondigd worden(1), zal met wortel en al uitgetrokken worden(1), zullen jullie geoordeeld worden(1), zullen toegevoegd worden(1), zullen jullie gemeten worden(1), het zal gegeven worden(1), zal gezonden worden(1), hij zal vergeleken worden(1), zij verhoord zullen worden(1), u wordt geworpen(1), zullen verzadigd worden(1), zullen vertroost worden(1), zullen barmhartigheid ontvangen(1), zullen worden genoemd(1), zal het gezouten worden(1), zij zullen aanzitten(1), zullen worden geworpen(1), Hij genoemd zal worden(1), zal worden opgewekt(1), zal Hij worden opgewekt(1), zal hechten aan(1), zal worden wegnomen(1), zult u veroordeeld worden(1), zult u rechtvaardig verklaard worden(1), ontdekt zal worden(1), jullie zullen worden gebracht(1), bekend zal worden(1), zult u verhoogd worden(1), zult u {verlaagd} worden(1), zal worden gegeven(1)

geven..
G1325geven
voortbrengen

V-FPI-3S
ev ww pas..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief

(hij/zij/het) zal gegeven worden..
gebruikte vertalingenzal gegeven worden(4), er zal gegeven worden(3), zal worden gegeven(1), het zal gegeven worden(1)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
hij zal overvloedig hebben  
 
περισσευθησεται
perisseuthèsetai
G4052..
gebruikte vertalingenovergebleven(2), hij zal overvloedig hebben(2), overvloed(1), overvloedig is(1)
 G5701..
gebruikte vertalingenzal gegeven worden(4), zal worden genoemd(4), zal gered worden(4), zal afgenomen worden(3), er zal gegeven worden(3), zullen tot struikelen worden gebracht(3), zal vergeven worden(2), zal stand houden(2), zal verduisterd worden(2), er zullen opstaan(2), het zal vergeven worden(2), hij zal overvloedig hebben(2), zullen jullie gedoopt worden(2), zal worden overgeleverd(2), zal opstaan(2), zal ik verlost zijn(2), zullen worden geschokt(2), zal verteld worden(2), {zullen} verstrooid worden(2), zal gezouten worden(2), zullen zij bezwijken(1), zullen opstaan(1), zal toegevoegd worden(1), zal veroordeeld worden(1), afgebroken zal worden(1), zal vernederd worden(1), zal verhoogd worden(1), zullen jullie staan(1), zal hechten(1), {zullen} gemeten worden(1), zullen verkort worden(1), zullen jullie struikelen(1), hij zal verbrijzeld worden(1), vervult zullen worden(1), zal vergeleken worden(1), zullen bijeen komen(1), zullen struikelen(1), zal gebracht worden(1), vergeven zal worden(1), zal tot struikelen worden gebracht(1), zal verkondigd worden(1), zal met wortel en al uitgetrokken worden(1), zullen jullie geoordeeld worden(1), zullen toegevoegd worden(1), zullen jullie gemeten worden(1), het zal gegeven worden(1), zal gezonden worden(1), hij zal vergeleken worden(1), zij verhoord zullen worden(1), u wordt geworpen(1), zullen verzadigd worden(1), zullen vertroost worden(1), zullen barmhartigheid ontvangen(1), zullen worden genoemd(1), zal het gezouten worden(1), zij zullen aanzitten(1), zullen worden geworpen(1), Hij genoemd zal worden(1), zal worden opgewekt(1), zal Hij worden opgewekt(1), zal hechten aan(1), zal worden wegnomen(1), zult u veroordeeld worden(1), zult u rechtvaardig verklaard worden(1), ontdekt zal worden(1), jullie zullen worden gebracht(1), bekend zal worden(1), zult u verhoogd worden(1), zult u {verlaagd} worden(1), zal worden gegeven(1)

overvloedig hebben..
G4052overvloedig hebben
overblijven

V-FPI-3S
ev ww pas..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief

(hij/zij/het) ..
gebruikte vertalingen
-  
O?_BZ_TR_A
απο
apo
G575..
gebruikte vertalingenvan(73), uit(33), vanaf(19), voor(11), aan(9), weg(7), vanuit(4), {door}(3), vandaan(3), -(2), vanwege(2), {op}(2), door(1), {bij}(1)

van(uit)..
G575van(uit)
uit, vanaf, voor, aan, weg, vanwege, vandaan

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

van(uit)..
gebruikte vertalingenvan(53), uit(31), vanaf(13), voor(11), weg(6), aan(6), vanuit(4), {door}(3), vandaan(2), {op}(2), vanwege(2), door(1), {bij}(1), -(1)
maar  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
wie  
BZ_TR_T-
του
tou
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSM
m ev lw gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) van de..
gebruikte vertalingenvan de(227), de(98), van het(22), het(13), DIE(8), -(8), van(4), dat(3), die(2), aan de(1), {uit} de(1), wie(1), van die(1), van wie(1)
niet  
 
μη

G3361..
gebruikte vertalingenniet(126), geen(28), zins(17), -(16), dan(7), alleen(6), behalve(2), {zonder}(1), {in geval}(1), zeker(1), {anders}(1), soms(1)

niet..
G3361niet
geen, [geen]zins, zeker[geen], dan, alleen, behalve, soms

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(126), geen(28), zins(17), -(16), dan(7), alleen(6), behalve(2), {zonder}(1), {in geval}(1), soms(1)
heeft  
 
εχοντος
echontos
G2192..
gebruikte vertalingenheeft(26), had(16), hebben jullie(10), jullie hebben(8), zij hebben(6), er waren(6), te hebben(6), hebben(5), hij heeft(4), wij hebben(3), is(3), hij had(3), zij hadden(3), heb(2), was(2), hadden zij(2), om te hebben(2), Hij heeft(2), hebben wij(2), zijn(2), u zult hebben(2), zij er zijn(2), {komt}(2), te hebbem(1), had gehad(1), hield(1), ik heb(1), {krijgt}(1), zal worden(1), u hebt(1), zij zullen worden(1), waren(1), zij had(1), hebben gehad(1), zij {vonden}(1), hadden(1), {die} hielden(1), u draagt(1), zij houden(1), zij hielden(1), hij {kon}(1), zij hebben gehad(1), hebt u(1), het was(1), die zijn(1), {heeft}(1), het had(1), {is}(1)
 G5723..
gebruikte vertalingenzei(80), zeiden(45), heeft(11), had(9), zeggen(9), vroegen(7), er waren(6), sprak(6), hoort(5), om op de proef te stellen(5), slapend(5), hij zei(4), aten(4), zij zeiden(4), te hebben(4), zaaier(4), toeziet(3), doet(3), voortbrengt(3), geloven(3), horen(3), Hij liep(3), verkondigde(3), zegt(3), te zeggen(3), uitwerpen(3), bezittingen(3), zeg(3), zagen(2), zij hadden(2), overgebleven(2), toeroepen(2), zou(2), liefheeft(2), begrijpt(2), levende(2), zij onderwijzen(2), kwaadspreekt(2), lopen(2), onrein {maakt}(2), verkopers(2), opbouwt(2), Hij afbreekt(2), schudden(2), {te} werpen(2), spotten(2), toekeken(2), zij volgden(2), jullie hebben(2), eten(2), doopte(2), ging overleveren(2), hij overlevert(2), van levenden(2), onderwijs gaf(2), spreken(2), verkochten(2), heiligt(2), het leest(2), dorst(2), de borst geven(2), zijn(2), afdaalden(2), bouwers(2), vragen(2), zij sterk zijn(2), zoekt(2), zij er zijn(2), leidt(2), zij zochten(2), volgden(2), wil(2), onderwijs gegeven(2), vraagt(2), Hij gaf onderwijs(2), hij verkondigde(2), genas(2), komende(2), riepen(2), roept(2), neerdalen(2), hebben(2), schreeuwen(1), sneed(1), zij horen(1), zij houden vast aan(1), zij hoedden(1), lag te slapen(1), ontkennen jullie autoriteit(1), gezond van verstand(1), geween(1), gejammer(1), gaan(1), hoorden(1), zij kijken(1), beefde(1), gingen(1), stapte(1), samendringen op(1), verzwakt zijn(1), vasten(1), doop(1), {bewakers}(1), onderwijs(1), hij at(1), Hij omhoog kwam(1), licht begon te worden(1), Hij leefde(1), herstellen(1), beproever(1), zij bewaakten(1), om te bedienden(1), waren aan het herstellen(1), met koorts(1), is rein(1), te plukken(1), om te roepen(1), kwam op(1), Hij verder ging(1), brengen(1), Hij verkondigde(1), wierp uit(1), hij smeekte(1), viel op de knielen(1), het groeide(1), overschaduwde(1), overvloed(1), {hebben} geworpen(1), jullie te overleveren(1), uit gevallen(1), zeer verontwaardigd(1), verslinden(1), willen(1), hij had(1), hij stierf(1), discussiëren(1), Hij onderwijs gaf(1), draagt(1), eet(1), bevestigde(1), meewerkte(1), vergezelden(1), zwijgen(1), wachtte op(1), wandelden(1), weenden(1), onderwijs aan het geven(1), zij {vielen}(1), {voorbijganger}(1), treurden(1), zij doden(1), zij afranselden(1), schuim(1), zij renden naar(1), gelooft(1), uitwierp(1), te hebbem(1), ondervroegen(1), bespraken zij(1), weende {om}(1), zij lopen rond(1), stralend(1), in gesprek(1), brachten(1), legde(1), maken jullie los(1), zij voor uit gingen(1), zij kochten(1), rondliep(1), {te bedelen}(1), nemen(1), zij hebben(1), gingen op(1), ging voor uit(1), wilde(1), verzochten zij(1), HIj zei(1), smeekte(1), ik heb(1), vallen(1), vinden(1), spraken(1), gezegd(1), hij zag(1), hij wilde(1), koorst hebben(1), er gegeten(1), liep(1), liepen(1), gegeten(1), omhoog komt(1), vraag(1), bezorgd te zijn(1), hij {kon}(1), vroeg(1), eisten(1), somber(1), klopt(1), zij waren in gesprek waren(1), op de knielen viel(1), doen(1), verzamelen(1), hij drinkt(1), hij eet(1), Hij eet(1), Hij drinkt(1), zwoegen(1), aan een bloedvloeiing leed(1), ging verder(1), spreekt(1), {hen} doden(1), opdrachten te geven(1), zij dragen(1), bijeen brengt(1), zoek(1), zaait(1), zij aan het hoeden waren(1), aanneemt(1), {zaaide}(1), kijken(1), verder ging(1), het leegstaan(1), zij verlangden(1), zij verlangen(1), zien(1), u vast(1), vast(1), verkopen(1), een lange tijd uitbleef(1), naar het buitenland gaat(1), u oogst(1), u brengt bijeen(1), {hen} dronken zijn(1), handelend(1), dronken(1), zij trouwden(1), werden uitgehuwelijkt(1), malen(1), honger(1), welwillend(1), te onderwijzen(1), zeiden zij(1), zij zei(1), {had} over{ge}leverd(1), die verzwakt zijn(1), zij treuren(1), honger hebben(1), dorsten(1), overleveren(1), zij hongeren(1), zij aten(1), kijkt(1), kochten(1), zij vasten(1), liefhebben(1), zuigelingen(1), Hij terugkeerde(1), zei{den}(1), voor uit gingen(1), oordelen(1), op ging(1), zij betoonde eer(1), Hij zei(1), vervolgen(1), zij vroegen(1), doodt(1), stenigt(1), vroegen zij(1), scheidt van(1), doorslikken(1), uitziften(1), was(1), u draagt(1), valselijk beschuldigen(1), haten(1), {luidde}(1)

hebben..
G2192hebben
houden, waren, zijn

V-PAP-GSM
m ev ww act..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
actief

(hij) heeft..
gebruikte vertalingen
zelfs  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
wat  
 
ο
o
G3739..
gebruikte vertalingenwie(54), wat(51), die(46), dat(21), welke(5), waar{mee}(4), waar(4), Wie(4), aan de(3), de(3), Die(3), -(3), {voor Hem}(2), {hen}(2), aan wie(2), waarvan(2), van wie(2), waarover(1), voor wie(1), waarin(1), hij(1), deze(1), {iemand}(1), van {Hem}(1), waar{op}(1), het(1), welk(1), {als}(1)

wie..
G3739wie
wat, welke, waar, die, dat, deze, de

R-ASN
o ev vnw-rl acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
voornaamwoord-relatief
acusatief

wat..
gebruikte vertalingenwat(25), dat(6), die(4), waar{mee}(4), waarin(1)
heeft  
 
εχει
echei
G2192..
gebruikte vertalingenheeft(26), had(16), hebben jullie(10), jullie hebben(8), zij hebben(6), er waren(6), te hebben(6), hebben(5), hij heeft(4), wij hebben(3), is(3), hij had(3), zij hadden(3), heb(2), was(2), hadden zij(2), om te hebben(2), Hij heeft(2), hebben wij(2), zijn(2), u zult hebben(2), zij er zijn(2), {komt}(2), te hebbem(1), had gehad(1), hield(1), ik heb(1), {krijgt}(1), zal worden(1), u hebt(1), zij zullen worden(1), waren(1), zij had(1), hebben gehad(1), zij {vonden}(1), hadden(1), {die} hielden(1), u draagt(1), zij houden(1), zij hielden(1), hij {kon}(1), zij hebben gehad(1), hebt u(1), het was(1), die zijn(1), {heeft}(1), het had(1), {is}(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

hebben..
G2192hebben
houden, waren, zijn

V-PAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) heeft..
gebruikte vertalingenheeft(13), hij heeft(4), Hij heeft(2), {komt}(2), is(1), {krijgt}(1)
zal afgenomen worden  
 
αρθησεται
arthèsetai
G142..
gebruikte vertalingenzij haalden op(4), om te halen(4), til op(4), zal afgenomen worden(3), word opgetild(2), jullie hebben opgehaald(2), te dragen(2), op nemen(2), neem op(2), droegen weg(2), zullen zij wegnemen(1), {trekt aan}(1), neemt weg(1), mee te nemen(1), tilde op(1), mocht nemen(1), draag weg(1), neem(1), {trekt}(1), zal worden wegnomen(1), zullen zij dragen(1), neem af(1), wegnam(1), werd gedragen(1)
 G5701..
gebruikte vertalingenzal gegeven worden(4), zal worden genoemd(4), zal gered worden(4), zal afgenomen worden(3), er zal gegeven worden(3), zullen tot struikelen worden gebracht(3), zal vergeven worden(2), zal stand houden(2), zal verduisterd worden(2), er zullen opstaan(2), het zal vergeven worden(2), hij zal overvloedig hebben(2), zullen jullie gedoopt worden(2), zal worden overgeleverd(2), zal opstaan(2), zal ik verlost zijn(2), zullen worden geschokt(2), zal verteld worden(2), {zullen} verstrooid worden(2), zal gezouten worden(2), zullen zij bezwijken(1), zullen opstaan(1), zal toegevoegd worden(1), zal veroordeeld worden(1), afgebroken zal worden(1), zal vernederd worden(1), zal verhoogd worden(1), zullen jullie staan(1), zal hechten(1), {zullen} gemeten worden(1), zullen verkort worden(1), zullen jullie struikelen(1), hij zal verbrijzeld worden(1), vervult zullen worden(1), zal vergeleken worden(1), zullen bijeen komen(1), zullen struikelen(1), zal gebracht worden(1), vergeven zal worden(1), zal tot struikelen worden gebracht(1), zal verkondigd worden(1), zal met wortel en al uitgetrokken worden(1), zullen jullie geoordeeld worden(1), zullen toegevoegd worden(1), zullen jullie gemeten worden(1), het zal gegeven worden(1), zal gezonden worden(1), hij zal vergeleken worden(1), zij verhoord zullen worden(1), u wordt geworpen(1), zullen verzadigd worden(1), zullen vertroost worden(1), zullen barmhartigheid ontvangen(1), zullen worden genoemd(1), zal het gezouten worden(1), zij zullen aanzitten(1), zullen worden geworpen(1), Hij genoemd zal worden(1), zal worden opgewekt(1), zal Hij worden opgewekt(1), zal hechten aan(1), zal worden wegnomen(1), zult u veroordeeld worden(1), zult u rechtvaardig verklaard worden(1), ontdekt zal worden(1), jullie zullen worden gebracht(1), bekend zal worden(1), zult u verhoogd worden(1), zult u {verlaagd} worden(1), zal worden gegeven(1)

optillen..
G142optillen
(af)nemen, opnemen, (op)halen, wegnemen, (weg)dragen, meenemen

V-FPI-3S
ev ww pas..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief

(hij/zij/het) zal afgenomen worden..
gebruikte vertalingenzal afgenomen worden(3), zal worden wegnomen(1)
van  
 
απ
ap
G575..
gebruikte vertalingenvan(73), uit(33), vanaf(19), voor(11), aan(9), weg(7), vanuit(4), {door}(3), vandaan(3), -(2), vanwege(2), {op}(2), door(1), {bij}(1)

van(uit)..
G575van(uit)
uit, vanaf, voor, aan, weg, vanwege, vandaan

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

van(uit)..
gebruikte vertalingenvan(19), vanaf(6), aan(3), uit(1), -(1), vandaan(1), weg(1)
hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)


Afwijkingen
O?_BZ_TR_Awaarschijnlijk oorspronkelijk, komt voor  
BZ_TR_T-andere plaats, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)