Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   
62   63   64   65   66   

HSV
(TR)
Nu had de stadhouder de gewoonte, op het feest voor de menigte een gevangene los te laten, wie zij ook maar wilden.
NBV
(NA27)
Nu had de prefect de gewoonte om op elk pesachfeest één gevangene vrij te laten, en die door het volk te laten kiezen.
NBG51
(N(A))
Nu was de stadhouder bij elk feest gewoon een gevangene, ter keuze van de schare, los te laten.
NW
(WH)
Nu was het van feest tot feest de gewoonte dat de stadhouder voor de schare een gevangene, degene die zij wilden, vrijliet.
RBV
(BZ+)
Nu had de stadhouder bij [het] feest de gewoonte voor de menigte mensen één gevangene vrij te laten, [degene] die zij wilden.
RBVI
(BZ+)
{bij}    nu    feest    had de gewoonte    de    stadhouder    vrij te laten    één    voor de    menigte mensen    gevangene    die    zij wilden  


{bij}  
 
κατα
kata
G2596..
gebruikte vertalingentegen(20), -(11), in(8), overeenkomstig(5), {bij}(4), {na}(3), {af}(2), over(1), op(1), {vanwege}(1), {met}(1), volgens(1)

onder..
G2596onder
tegen, in, overeenkomtig, {op}, {bij}, {af}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

tegen..
gebruikte vertalingentegen(11), overeenkomstig(5), {bij}(3), in(2), {af}(2), over(1), {vanwege}(1), volgens(1)
nu  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
feest  
 
εορτην
eortèn
G1859..
gebruikte vertalingenfeest(4)

feest..
G1859feest

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

(feest)..
gebruikte vertalingenfeest(2)
had de gewoonte  
 
ειωθει
eiòthei
G1486..
gebruikte vertalingenHij gewoonlijk deed(1), had de gewoonte(1)
 G5715..
gebruikte vertalingenhij wist(2), hij had gegeven(1), zij wisten(1), had begaan(1), hadden overgeleverd(1), Hij had uitgeworpen(1), Hij gewoonlijk deed(1), zij hadden {her}kend(1), had geweten(1), stond(1), u wist(1), had de gewoonte(1), jullie hadden begrepen(1), stonden(1)

gewoonlijk doen..
G1486gewoonlijk doen
handelen volgens het gebruik*

V-LAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) gewoonlijk deed..
gebruikte vertalingenHij gewoonlijk deed(1), had de gewoonte(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
stadhouder  
 
ηγεμων
ègemòn
G2232..
gebruikte vertalingenstadhouder(9), stadhouders(1), bestuurders(1), vorsten(1)

leider*..
G2232leider*
vorst, stadhouder, bestuurder

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

stadhouder..
gebruikte vertalingen
vrij te laten  
 
απολυειν
apoluein
G630..
gebruikte vertalingenvan scheidt(3), ik vrij laat(3), stuur weg(3), te scheiden(3), scheidt van(3), Hij had weggestuurd(2), om te scheiden van(2), Hij weg zou sturen(2), ik weg zou sturen(1), stuurde Hij weg(1), liet hij vrij(1), liet vrij(1), hij zou laten(1), hij liet vrij(1), die is gescheiden(1), weg te sturen(1), hij liet gaan(1), om te scheiden(1), zij die is gescheiden(1), vrij te laten(1)
 G5721..
gebruikte vertalingente zeggen(10), om te horen(6), te verkondigen(4), had(4), om te genezen(3), onderwijs te geven(3), zeer verontrust te worden(2), horen(2), spreken(2), om aan te houden(2), voor te gaan(2), pas op(2), zeiden(2), te drinken(2), te eten(2), zaaien(2), te vloeken(2), te vermanen(2), voortbrengen(2), dienen(2), om te vergeven(2), om te hebben(2), vasten(2), verwonderde(2), lief te hebben(2), uit te zenden(1), te {banen}(1), te smeken(1), luisten(1), om te verkondigen(1), om uit te werpen(1), uitwerpen(1), nestellen(1), op aandrongen(1), te onderwijzen(1), rondlopen(1), te spreken(1), Hij uit te werpen(1), te misleiden(1), te bespuwen(1), lang bleef(1), te stompen(1), te bedekken(1), te roepen(1), voornaamsten zijn(1), te ondervragen(1), vasthouden(1), te dragen naar(1), verheerlijkten(1), volgen(1), zeer verontwaardigd te worden(1), overkomen(1), roeien(1), om te geven(1), te doen(1), om te doen(1), te plukken(1), sprak(1), zag(1), sliepen(1), om te zaaien(1), te verwijten(1), om te onderwijzen(1), doen(1), te kunnen zeggen(1), te geven(1), kon(1), zij konden uitwerpen(1), treuren(1), er nestelen(1), te hebben(1), vrij te laten(1), te zweren(1), zij spraken(1), om te spreken(1), er plaats was(1), bekend te maken(1), te slaan(1), te zoeken(1), in te laten zien(1), te onderscheiden(1), te lijden(1), houden(1), na te laten(1), er plaats maken(1), vergeven(1)

vrijlaten..
G630vrijlaten
wegsturen, scheiden (van), laten gaan

V-PAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

..
gebruikte vertalingen
één  
 
ενα
ena
G1520..
gebruikte vertalingenéén(102), ÉÉN(3), éne(2), {eerste}(2), -(1), tot één(1)

één..
G1520één

A-ASM
m ev bn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
acusatief

één..
gebruikte vertalingenéén(19)
voor de  
 
τω

G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-DSM
m ev lw dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
datief

(tot) de..
gebruikte vertalingende(57), het(33), tot de(26), aan de(15), met de(10), voor de(10), -(6), DIE(5), de toe(5), aan die(3), tot(2), die(2), aan(2), voor wie(2), tot het(2), {dat}(1), op de(1), aan het(1), tot die(1), naar de(1), {iemand}(1), van de(1)
menigte mensen  
 
οχλω
ochlò
G3793..
gebruikte vertalingenmenigte mensen(39), menigten mensen(35), een menigte mensen(14)

menigte mensen..
G3793menigte mensen

N-DSM
m ev zn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
datief

(tot) menigte mensen..
gebruikte vertalingenmenigte mensen(7)
gevangene  
 
δεσμιον
desmion
G1198..
gebruikte vertalingengevangene(2), een gevangene(1)

gebonden*..
G1198gebonden*
gevangen

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

gevangene..
gebruikte vertalingengevangene(2), een gevangene(1)
die  
 
ον
on
G3739..
gebruikte vertalingenwie(54), wat(51), die(46), dat(21), welke(5), waar{mee}(4), waar(4), Wie(4), aan de(3), de(3), Die(3), -(3), {voor Hem}(2), {hen}(2), aan wie(2), waarvan(2), van wie(2), waarover(1), voor wie(1), waarin(1), hij(1), deze(1), {iemand}(1), van {Hem}(1), waar{op}(1), het(1), welk(1), {als}(1)

wie..
G3739wie
wat, welke, waar, die, dat, deze, de

R-ASM
m ev vnw-rl acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
voornaamwoord-relatief
acusatief

die..
gebruikte vertalingendie(14), de(3), wie(2), dat(2), Die(2), waarover(1), waar(1), Wie(1)
zij wilden  
 
ηθελον
èthelon
G2309..
gebruikte vertalingenwil(11), wilde(7), willen jullie(7), u wilt(4), wilt u(4), zij wilden(4), Ik wil(4), ik wil(3), jullie willen(3), wij willen(2), IK wil(2), U wilt(2), hij wilde(2), U het wilt(1), HIJ behagen in heeft(1), Ik wil het(1), Hij wilde(1), willen(1), wilt U(1), zij wilde(1), wilt(1), wilde hij(1), zij willen(1), heb IK willen(1), jullie hebben gewild(1)
 G5707..
gebruikte vertalingenzeiden(14), Hij zei(9), zei(8), zij zeiden(5), zei Hij(5), wilde(4), zeiden zij(4), Hij sprak(3), vroeg Hij(3), Hij gaf(3), riepen(3), had(3), zochten(3), hij zei(3), vroegen(3), gaf onderwijs(3), hadden zij(2), hij smeekte(2), verwonderden(2), vroeg(2), zij wilden(2), sloegen(2), volgde(2), lasterden(2), zij zwegen(2), zij zochten(2), bedienden(2), spreidden uit(2), hield(2), Hij vroeg(2), gaf te drinken(2), berispten(2), verweten(2), zij brachten naar(2), hij had(2), had gezegd(2), hij betoonde eer(2), sprak Hij(2), kapten(2), zij zei(2), bracht voort(2), trok rond door(2), smeekten(2), zij riepen(2), smeekte(2), zij hadden gelegenheid(1), HIj onderwees(1), verwonderd(1), Hij wilde(1), zij begrepen niet(1), gaf Hij onderwijs(1), riep hij(1), zegende(1), waren gevolgd(1), hij luisterde(1), zij hoorden(1), zij legden(1), waren(1), zij hadden(1), zij verkondigden(1), hij sprak(1), zagen(1), hadden bediend(1), zei hij(1), zij vroegen(1), zij smeekten(1), hij volgde(1), zij vroeg(1), zij gaven(1), hij wist(1), een vals getuigenis aflegden(1), legden een vals getuigenis af(1), zij sloegen(1), zij vonden er(1), deed(1), liet hij vrij(1), beschuldigden(1), begon te wenen(1), {brachten}(1), bevroeg(1), Hij zweeg(1), volgde van nabij(1), spuwden(1), eer te betonen(1), had de moed(1), zij {vonden}(1), Hij begon te onderwijzen(1), Hij liet toe(1), luisterde(1), Hij zag(1), zij slachten(1), deed hij(1), hij zocht(1), zij had(1), wierpen(1), hoorden(1), legde Hij uit(1), te bespotten(1), hij wilde(1), zweeg(1), zocht hij(1), hield tegen(1), bewaakten(1), hij verkondingde(1), Hij gaf onderwijs(1), was(1), liet toe(1), brachten zij(1), zij bediende(1), vielen in slaap(1), {die} hielden(1), zij lachten uit(1), ging voor uit(1), lag te slapen(1), bediende(1), eer betonen(1), het had(1), zij hielden(1), wilde hij(1), zij klagen(1), te wurgen(1), schuldig was(1), verzochten(1), zij hielden nauwlettend in de gaten(1), hielden zij(1), ging lopen(1), Hij verwonderde(1), lachten zij uit(1), zij drongen samen op(1), Hij had gezegd(1), Hij trok rond(1), gaf(1), genazen(1), koesterde wrok(1), wreven in(1), zij wierpen uit(1), verkondigden(1), kon(1), zij wilde(1), viel neer(1), vielen zij neer(1), zag{en}(1), hadden(1), Hij deed(1), riep(1), gelastte Hij streng(1), hij had gemeenschap met(1), droeg(1), Hij onderwees(1), sprak(1), lette op(1)

willen..
G2309willen
wensen*, behagen in hebben, begeren

V-IAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) ..
gebruikte vertalingen


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)