Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   
62   63   64   65   66   

HSV
(TR)
Ze hadden toen een beruchte gevangene, die Barabbas heette.
NBV
(NA27)
Er zat toen een beruchte gevangene vast, die Jezus Barabbas genoemd werd.
NBG51
(N(A))
Zij hadden toen een berucht gevangene, genaamd Barabbas.
NW
(WH)
Juist op dat ogenblik hadden zij een beruchte gevangene, die Barabbas heette.
RBV
(BZ+)
Nu hadden zij op dat moment een beruchte gevangene [die] [[[Jezus]]] Barabbas werd genoemd.
RBVI
(BZ+)
hadden zij    ook    op dat moment    een gevangene    beruchte    werd genoemd    [[[ Jezus  ]]]  Barabbas  


hadden zij  
 
ειχον
eichon
G2192..
gebruikte vertalingenheeft(26), had(16), hebben jullie(10), jullie hebben(8), zij hebben(6), er waren(6), te hebben(6), hebben(5), hij heeft(4), wij hebben(3), is(3), hij had(3), zij hadden(3), heb(2), was(2), hadden zij(2), om te hebben(2), Hij heeft(2), hebben wij(2), zijn(2), u zult hebben(2), zij er zijn(2), {komt}(2), te hebbem(1), had gehad(1), hield(1), ik heb(1), {krijgt}(1), zal worden(1), u hebt(1), zij zullen worden(1), waren(1), zij had(1), hebben gehad(1), zij {vonden}(1), hadden(1), {die} hielden(1), u draagt(1), zij houden(1), zij hielden(1), hij {kon}(1), zij hebben gehad(1), hebt u(1), het was(1), die zijn(1), {heeft}(1), het had(1), {is}(1)
 G5707..
gebruikte vertalingenzeiden(14), Hij zei(9), zei(8), zij zeiden(5), zei Hij(5), wilde(4), zeiden zij(4), Hij sprak(3), vroeg Hij(3), Hij gaf(3), riepen(3), had(3), zochten(3), hij zei(3), vroegen(3), gaf onderwijs(3), hadden zij(2), hij smeekte(2), verwonderden(2), vroeg(2), zij wilden(2), sloegen(2), volgde(2), lasterden(2), zij zwegen(2), zij zochten(2), bedienden(2), spreidden uit(2), hield(2), Hij vroeg(2), gaf te drinken(2), berispten(2), verweten(2), zij brachten naar(2), hij had(2), had gezegd(2), hij betoonde eer(2), sprak Hij(2), kapten(2), zij zei(2), bracht voort(2), trok rond door(2), smeekten(2), zij riepen(2), smeekte(2), zij hadden gelegenheid(1), HIj onderwees(1), verwonderd(1), Hij wilde(1), zij begrepen niet(1), gaf Hij onderwijs(1), riep hij(1), zegende(1), waren gevolgd(1), hij luisterde(1), zij hoorden(1), zij legden(1), waren(1), zij hadden(1), zij verkondigden(1), hij sprak(1), zagen(1), hadden bediend(1), zei hij(1), zij vroegen(1), zij smeekten(1), hij volgde(1), zij vroeg(1), zij gaven(1), hij wist(1), een vals getuigenis aflegden(1), legden een vals getuigenis af(1), zij sloegen(1), zij vonden er(1), deed(1), liet hij vrij(1), beschuldigden(1), begon te wenen(1), {brachten}(1), bevroeg(1), Hij zweeg(1), volgde van nabij(1), spuwden(1), eer te betonen(1), had de moed(1), zij {vonden}(1), Hij begon te onderwijzen(1), Hij liet toe(1), luisterde(1), Hij zag(1), zij slachten(1), deed hij(1), hij zocht(1), zij had(1), wierpen(1), hoorden(1), legde Hij uit(1), te bespotten(1), hij wilde(1), zweeg(1), zocht hij(1), hield tegen(1), bewaakten(1), hij verkondingde(1), Hij gaf onderwijs(1), was(1), liet toe(1), brachten zij(1), zij bediende(1), vielen in slaap(1), {die} hielden(1), zij lachten uit(1), ging voor uit(1), lag te slapen(1), bediende(1), eer betonen(1), het had(1), zij hielden(1), wilde hij(1), zij klagen(1), te wurgen(1), schuldig was(1), verzochten(1), zij hielden nauwlettend in de gaten(1), hielden zij(1), ging lopen(1), Hij verwonderde(1), lachten zij uit(1), zij drongen samen op(1), Hij had gezegd(1), Hij trok rond(1), gaf(1), genazen(1), koesterde wrok(1), wreven in(1), zij wierpen uit(1), verkondigden(1), kon(1), zij wilde(1), viel neer(1), vielen zij neer(1), zag{en}(1), hadden(1), Hij deed(1), riep(1), gelastte Hij streng(1), hij had gemeenschap met(1), droeg(1), Hij onderwees(1), sprak(1), lette op(1)

hebben..
G2192hebben
houden, waren, zijn

V-IAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) hadden..
gebruikte vertalingenhadden zij(2), zij {vonden}(1), zij hadden(1), hadden(1), zij hielden(1), {die} hielden(1)
ook  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
op dat moment  
 
τοτε
tote
G5119..
gebruikte vertalingentoen(57), dan(33), dat moment(3), -(2), op dat moment(1)

toen..
G5119toen
dan, (op) dat moment

ADV
bw..
woordvormbijwoord

toen..
gebruikte vertalingentoen(57), dan(33), dat moment(3), -(2), op dat moment(1)
een gevangene  
 
δεσμιον
desmion
G1198..
gebruikte vertalingengevangene(2), een gevangene(1)

gebonden*..
G1198gebonden*
gevangen

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

gevangene..
gebruikte vertalingengevangene(2), een gevangene(1)
beruchte  
 
επισημον
episèmon
G1978..
gebruikte vertalingenberuchte(1)

bekend..
G1978bekend
berucht

A-ASM
m ev bn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
acusatief

beruchte..
gebruikte vertalingen
werd genoemd  
 
λεγομενον
legomenon
G3004..
gebruikte vertalingenzei(150), zeiden(64), Ik zeg(62), Hij zei(38), zij zeiden(24), zeggen(20), hij zei(14), zei Hij(14), te zeggen(13), zeg(11), zegt(10), wordt genoemd(10), zeg Ik(10), zeiden zij(9), vroegen(7), zij vroegen(4), werd genoemd(4), zij zei(4), zij zeggen(3), zei hij(3), te spreken(2), had gezegd(2), noemt u(2), vroeg(2), ik zeg(2), Hij had gezegd(1), vraagt(1), jullie noemen(1), sprak(1), genoemd werd(1), jullie spreken(1), vertelden(1), noemt(1), heeft gezegd(1), spreekt(1), hij zegt(1), gezegd(1), zegt hij(1), zeggen jullie(1), vraag(1), HIj zei(1), te kunnen zeggen(1), hij vroeg(1), zei{den}(1), u spreekt(1), vroegen zij(1), jullie zeggen(1), Hij vroeg(1), {luidde}(1)
 G5746..
gebruikte vertalingenwordt genoemd(9), vertaald(4), werd genoemd(4), gehaat(3), worden gezaaid(2), vergoten wordt(2), verschuldigd was(2), bedroefd(2), {opengaan}(1), werd op de proef gesteld(1), sliepen(1), werd gedragen(1), zwaar(1), genoemd werd(1), geteisterd werden(1), gesproken werd{en}(1), zij werden bedroefd(1), gehoed(1), die zijn(1), verdwaalde(1), lijdt pijn(1), is gesteld(1), wordt geworpen(1), boos is(1), gekweld werden(1), er gehoed(1), tumult maken(1), werd geteisterd(1), verbleven(1), {werd gehouden}(1), smeulende(1), heen en weer bewogen wordt(1), vergoten is(1)

zeggen..
G3004zeggen
noemen, vragen, spreken, vertellen

V-PPP-ASM
m ev ww pas..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
passief

(hij) wordt genoemd..
gebruikte vertalingen
[[[ Jezus  ]]]
E_NA27_A
ιησουν
ièsoun
G2424..
gebruikte vertalingenJezus(260), van Jezus(5), Jezus!(3), over Jezus(1)

Jezus..
G2424Jezus

betekent: JEHOVAH is redding

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

Jezus..
gebruikte vertalingenJezus(27)
Barabbas  
 
βαραββαν
barabban
G912..
gebruikte vertalingenBarabbas(8)

Barabbas..
G912Barabbas

betekent: zoon van een vader of meester

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

Barabbas..
gebruikte vertalingenBarabbas(7)


Afwijkingen
E_NA27_A[[[ vrijwel zeker niet oorspronkelijk, komt voor  ]]]

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)