Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   
62   63   64   65   66   

HSV
(TR)
Toen zij op weg gingen, troffen zij een man uit Cyrene aan, van wie de naam Simon was; die dwongen zij om Zijn kruis te dragen.
NBV
(NA27)
Bij het verlaten van het pretorium troffen ze een man uit Cyrene die Simon heette, en hem dwongen ze het kruis te dragen.
NBG51
(N(A))
Toen zij heengingen, troffen zij iemand uit Cyrene aan, Simon genaamd; die presten zij om zijn kruis te dragen.
NW
(WH)
Toen zij naar buiten gingen, troffen zij een ingeborene van Cyrene aan, Simon genaamd. Deze presten zij om zijn martelpaal op te nemen.
RBV
(BZ+)
Toen zij vertrokken, troffen zij een man uit Cyrene, [die] Simon heette. [En] die dwongen zij om Zijn [martel]paal te dragen.
RBVI
(BZ+)
zij vetrokken    toen    troffen zij    een man    uit Cyrene    {heette}    Simon    die    dwongen zij    om    te dragen    de    paal    van Hem  


zij vetrokken  
 
εξερχομενοι
exerchomenoi
G1831..
gebruikte vertalingenzijn jullie uitgegaan(5), ging weg(4), ga uit(4), gingen(4), ging uit(3), Hij vertrok(2), uit ging(2), zij vertrokken(2), ging(2), ging hij er op uit(2), vertrok(2), gingen zij(2), jullie vertrekken(2), kwamen(2), gingen weg(2), ging voort(2), zij gingen(1), er was uitgegaan(1), zij ging uit(1), er kwamen(1), gingen zij weg(1), hij was weggegaan(1), u zult uitkomen(1), uit gingen(1), was gegaan(1), gingen uit(1), is uitgegaan(1), zij waren gegaan(1), hij vertrok naar(1), zij gingen naar buiten(1), zij gingen heen(1), ging Hij(1), uitgaan(1), was uitgegaan(1), weggegaan was(1), ging hij uit(1), ben Ik uitgegaan(1), hij ging(1), weggingen(1), kwam naar toe(1), er op ging uit(1), hij ging er op uit(1), komen voort(1), komt voort(1), ik weggegaan ben(1), vertrek uit(1), zullen uitgaan(1), zij weggingen(1), moeten jullie naar toe gaan(1), zij vetrokken(1), er kwam uit(1), uitgaat(1), waren gegaan(1), hij ging naar(1), zij gingen uit(1), komt(1), trok uit(1), zal voortkomen(1), vertrok vandaar(1)
 G5740..
gebruikte vertalingenzitten(7), komen(6), gaat(6), door demonen bezetenen(5), zat(5), ontvangt(4), Hij komt(4), met aanzaten(3), bidden(3), door demonen bezeten was(2), voorbij kwamen(2), komende(2), vertrokken(2), kan(2), er zaten(2), kunnen(2), binnenkomen(2), kwam(2), kwamen(2), lag(1), vertrek(1), zij samen aanzaten(1), binnen gaat(1), gingen(1), overlegden(1), zaten(1), zij aan zaten(1), verwachtte(1), komen ertussen(1), was bedroefd(1), wilde(1), zij konden(1), vertrok{ken}(1), jullie binnengaan(1), zij voorbij kwamen(1), gebeuren(1), ging(1), jullie bidden(1), hij zat samen(1), aan zaten(1), binnengaat(1), die komt(1), aanzat(1), bedrijven(1), weggingen(1), door een demon bezeten was(1), ga(1), bid(1), vervloeken(1), uit gaat(1), zij zaten(1), mensen met epilepsie(1), die ligt(1), vertrek uit(1), komen zou(1), Hij bad(1), Hij aanzat(1), zij vetrokken(1), zij zaten neer(1), gaan zitten(1), heengingen(1), een Vorst(1), door een demon bezeten(1), {hen} aanzaten(1), er binnenkomen(1), zit(1), onderweg waren(1)

uitgaan..
G1831uitgaan
weggaan, voortgaan, gaan naar, gaan, vertrekken uit, vertrekken, uitkomen, voortkomen, komen naar, komen, heen gaan

V-PNP-NPM
m mv ww med/pas-d..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
medium/passief-deponent

(WIJ/JULLIE/ZIJ) uitgaan..
gebruikte vertalingen
toen  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
troffen zij  
 
ευρον
euron
G2147..
gebruikte vertalingenzij vonden(3), vindt(3), vond(3), vond Hij(3), zal vinden(2), zullen jullie vinden(2), jullie zullen vinden(2), zij vonden er(2), aangetroffen zal worden(1), Hij vond(1), merkte(1), vind(1), Hij zou vinden(1), vonden(1), troffen zij(1), vonden zij er(1), hij vond(1), vindt hij(1), Ik heb gevonden(1), vinden(1), jullie vinden(1), hij had gevonden(1), u zult vinden(1), werd bevonden(1), kwam hij tegen(1), gevonden(1), jullie kunnen vinden(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

vinden..
G2147vinden
(aan)treffen, tegenkomen, bevinden, merken*

V-2AAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) vonden..
gebruikte vertalingenzij vonden(2), vonden(1), troffen zij(1), vonden zij er(1), zij vonden er(1)
een man  
 
ανθρωπον
anthròpon
G444..
gebruikte vertalingenmens(72), mensen(41), iemand(19), een mens(16), een man(7), van mensen(7), man(5), met een mens(3), Man(2), Mens(1)

mens..
G444mens
iemand, man

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

mens..
gebruikte vertalingenmens(10), een mens(3), Man(2), iemand(2), een man(2), man(1)
uit Cyrene  
 
κυρηναιον
kurènaion
G2956..
gebruikte vertalingenuit Cyrene(2)

van Cyrene..
G2956van Cyrene

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

Cyrene..
gebruikte vertalingenuit Cyrene(2)
{heette}  
 
ονοματι
onomati
G3686..
gebruikte vertalingennaam(35), {heette}(4), namen(1)

naam..
G3686naam

N-DSN
o ev zn dat..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
datief

(tot) naam..
gebruikte vertalingennaam(16), {heette}(2)
Simon  
 
σιμωνα
simòna
G4613..
gebruikte vertalingenSimon(16), van Simon(4)

Simon..
G4613Simon

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

Simon..
gebruikte vertalingenSimon(5)
die  
 
τουτον
touton
G5126..
gebruikte vertalingendie(2), deze(2), dit(2)

dit..
G5126dit
deze

D-ASM
m ev vnw-d acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
voornaamwoord-demonstratief
acusatief

deze..
gebruikte vertalingendie(2), deze(2), dit(2)
dwongen zij  
 
ηγγαρευσαν
èngareusan
G29..
gebruikte vertalingendwongen(1), dwongen zij(1), zal dwingen te gaan(1)
 G5656..
gebruikte vertalingenverwekte(39), kwamen naar(11), volgden(9), Hij genas(9), vroeg(7), volgde(6), sprak(5), zond hij(5), jullie hebben gehoord(5), brak(5), riep(5), vertrok(5), zij haalden op(4), had opgedragen(4), gaf(4), doodden(4), Hij gaf(4), deed(4), zij vroegen(4), zij brachten(4), bouwde(4), zij riepen(3), liet na(3), hij groef(3), zij deden(3), geëindigd had(3), verborg(3), zij berichtten(3), hij zond(3), Hij gaf opdracht(3), ging liggen(3), werden zij zeer verontwaardigd(3), jullie hebben geloofd(3), hij gaf(3), betoonden eer(3), IK welbehagen heb(3), jullie hebben gegeven(2), Ik had dorst(2), jullie hebben gegrepen(2), jullie hebben te drinken gegeven(2), vroegen(2), wilde(2), gaf bevel(2), plaatste(2), gelastte streng(2), Ik had honger(2), zij wilden(2), zonden(2), jullie hebben gedaan(2), Hij deed(2), Hij vroeg(2), Hij vertrok(2), hij kuste teder(2), grepen(2), droegen weg(2), zij maakten klaar(2), hebben jullie gedaan(2), er kwamen naar(2), jullie hebben opgehaald(2), kraaide(2), vroeg de zegen(2), zij leverden over(2), onder één juk heeft samengebracht(2), liet opstaan(2), plantte(2), heeft gedaan(2), heeft gegeven(2), ging hij naar het buitenland(2), zij bespot hadden(2), afkeurden(2), trokken zij uit(2), trokken aan(2), brachten zij(2), kwam tegemoet(2), berichtten(2), zij verwonderden(2), spreidden uit(2), ik heb gewonnen(2), zijn gevolgd(2), zij gaven(2), eunuch zijn(2), heeft toegestaan(2), Hij stond toe(2), u hebt in beheer gegeven(2), Hij maakte(2), Hij ging zitten(2), zij volgden(2), leverde over(2), heeft Hij gedaan(2), heeft Hij gered(2), heeft geprofeteerd(2), honger had{den}(2), smeekten zij(2), waaiden(2), hebben jullie gehoord(2), vroegen zij(2), vertrok Hij(2), Hij gelastte streng(2), hij strekte uit(2), beëindigd had(2), heeft opgedragen(2), verwonderden(2), stortte(2), verwonderden zij(2), vermaande(2), gaf Hij opdracht(2), verliet(2), zij noemden(2), zond uit(2), Hij sprak(2), zonden weg(2), Hij hield voor(2), verstikten(2), te wonen(2), zaaide(2), blies uit(1), grepen vast(1), gestolen hebben(1), {legde}(1), zij hingen aan een paal(1), deden zij(1), gaven zij(1), spuwden zij(1), zij stompten(1), hij legde(1), verwonderde(1), hij uitgehouwen had(1), rolde hij weg(1), uit blies(1), Hij heeft gelasterd(1), heb gedoopt(1), gingen zoeken(1), Hij maakte het duidelijk(1), haalden zij dakbedekking weg(1), {legde vast}(1), kraaide er(1), zij volgen(1), voerden weg(1), bewogen ertoe(1), sloegen zij(1), twijfelden zij(1), riep Hij(1), scheurde(1), hij schreeuwde luid(1), liet vrij(1), een discipel was geworden(1), bracht terug(1), zij hadden gelegd(1), hij liet vrij(1), is gaan zitten(1), deden om(1), kochten(1), zij hadden geloofd(1), overreedden(1), kochten zij(1), geloofden(1), geloofden zij niet(1), zij hadden overgeleverd(1), berichten(1), zond(1), hij rolde(1), weende(1), riep uit(1), wikkelde in(1), doorstak(1), {gaf}(1), Hij verweet(1), waren gevolgd(1), zij brachten aan(1), dwongen zij(1), legde(1), zetten(1), verkondingden(1), u geloofde(1), zij zwachtelde(1), legde neer(1), wikkelde hij in(1), overgeleverd heeft(1), plaatste er omheen(1), stuurde Hij weg(1), zij zetten voor(1), Ik brak(1), hoorden(1), Hij keerde om(1), jullie hebben gemaakt(1), legde Hij(1), zuchtte(1), jullie hebben doorgegeven(1), ranselden af(1), dwong Hij(1), verdeelde Hij(1), zij dachten(1), zij schreeuwden luid(1), zij hadden begrepen(1), sprak Hij(1), liet(1), krijg Hij honger(1), gelastte Hij streng(1), {hebben} achtergelaten(1), verlaten heeft(1), wij verhinderden(1), heeft hij opgetekent(1), werd Hij zeer verontwaardigd(1), heeft gemaakt(1), zag hij weer(1), bezorgde stuiptrekkingen(1), Hij vermaande(1), Hij zond(1), zag(1), zij namen aan(1), zij lieten begaan(1), konden(1), ik heb gebracht(1), onderwezen hadden(1), zij gedaan(1), gedaan(1), was u in staat(1), raakte(1), stond toe(1), barmhartig is(1), worden verkort(1), Hij gedaan had(1), goot uit(1), betoonde eer(1), vermaande Hij(1), Hij gaf aan(1), aan gaf Hij(1), Hij de naam gaf(1), horen(1), had lief(1), het bracht voort(1), het kwam op(1), genas(1), hoorde het(1), hij bracht(1), zij lieten na(1), onthoofdde(1), zij legden(1), heeft geschreven(1), verwonde zij aan het hoofd(1), doodden zij(1), hij vroeg(1), gaf opdracht(1), vastgezet(1), opgepakt(1), heb onthoofd(1), hij had getrouwd(1), hij zwoer(1), geschapen heeft(1), zou verkorten(1), zij veroordeelden(1), overleed(1), zij hebben gehoord(1), hebben verlangd(1), hebben zij gesloten(1), opkwam(1), voortbracht(1), verzamelden(1), kocht(1), hebt u gezaaid(1), hebben zij gehoord(1), kwam het op(1), zouden jullie hebben veroordeeld(1), hadden honger(1), onthult(1), IK gekozen heb(1), welbehagen heeft(1), zij kwamen tot inkeer(1), is gekomen(1), Hij breekt(1), hebben jullie begrepen(1), hoorde(1), bent u gaan twijfelen(1), liep(1), zij schreeuwden(1), eer betoonden(1), ontkennen jullie autoriteit(1), eer betonen(1), zij riep luid(1), heeft geplant(1), dwong(1), volgden zij(1), hij verklaarde(1), zij behaagde(1), gebonden(1), gaf hij bevel(1), onthoofden(1), zij begroeven(1), zij bracht(1), U volledig hebt verborgen(1), hadden zij blijven bestaan(1), Hij riep(1), is opgegaan(1), kwamen(1), vervolgden zij(1), overspel heeft gepleegd(1), sloegen tegen(1), hebben wij gedaan(1), hebben wij geprofeteerd(1), had hij honger(1), heeft gewezen(1), hij kwam nauwkeurig te weten(1), hij {gaf}(1), deed hij(1), brachten(1), trokken zij terug(1), vertrok hij(1), hij nauwkeurig te weten was gekomen(1), heb IK geroepen(1), verwonderde Hij(1), u gelooft(1), geëindigd was(1), maakten zij bekend(1), Hij hield vast(1), hebben geprofeteerd(1), wij hebben op de fluit spelen(1), hadden zij tot inkeer gekomen(1), ze tot inkeer kwamen(1), wij hebben klaagliederen gezonden(1), is overleden(1), verheerlijkten(1), Hij heeft gedragen(1), genas Hij(1), brachten zij bij(1), maakten wakker(1), kwamen toegemoet(1), voer over(1), berichtten zij(1), zij wierpen neer(1), zij verheerlijkten(1), wegnam(1), jullie hebben gewild(1), heb IK willen(1), zou hij wakker zijn geweest(1), zou hebben toegestaan(1), maakten in orde(1), werden zij slaperig(1), heeft aangesteld(1), jullie vermoord hebben(1), jullie laten na(1), doodde(1), behandelden onbeschaamd(1), ik heb bereid(1), stak in brand(1), kwamen er naar(1), zijn gaan zitten(1), had de moed(1), Hij tot zwijgen had gebracht(1), in beheer gaf(1), hij maakte(1), wij hebben gediend(1), hebben wij te drinken geven(1), hebben wij gevoed(1), zij goot uit(1), zij gedaan heeft(1), had gegeven(1), waren jullie instaat(1), deden(1), ik was verzwakt(1), ik heb gewand(1), hij verborg(1), hij verborg volledig(1), won(1), bracht(1), u hebt gezaaid(1), ik heb gezaaid(1), u hebt gewand(1), zond hij uit(1), hij zond uit(1), u smeekte(1), ik heb vergeven(1), duidelijk maken(1), barmhartig ben geweest(1), hij leverde over(1), hebben achtergelaten(1), berispten(1), maakte(1), vergaf(1), hij liet gaan(1), straalde(1), hebben onthuld(1), begrepen zij(1), overschaduwde(1), begrepen(1), hebt u gewonnen(1), was voor(1), ik bracht naar(1), heeft verlaten(1), hij deed(1), hebben geloofd(1), had Hij honger(1), hebben gemaakt(1), heen plaatste(1), hij ging naar het buitenland(1), hield(1), zij ranselden af(1), nabij kwam(1), keerde om(1), zij leggen op(1), u behandeld(1), hebben {gewerkt}(1), veronderstelden zij(1), bent u overeengekomen(1), riepen zij(1), zij naderden(1), konden weer zien(1), trok(1)

dwingen (te gaan)..
G29dwingen (te gaan)

V-AAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) dwongen..
gebruikte vertalingen
om  
 
ινα
ina
G2443..
gebruikte vertalingenom(45), zodat(31), dat(26), {dan}(1), -(1)

zodat..
G2443zodat
om, dat

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

(zo)dat..
gebruikte vertalingenom(45), zodat(31), dat(26), {dan}(1), -(1)
te dragen  
 
αρη
arè
G142..
gebruikte vertalingenzij haalden op(4), om te halen(4), til op(4), zal afgenomen worden(3), word opgetild(2), jullie hebben opgehaald(2), te dragen(2), op nemen(2), neem op(2), droegen weg(2), zullen zij wegnemen(1), {trekt aan}(1), neemt weg(1), mee te nemen(1), tilde op(1), mocht nemen(1), draag weg(1), neem(1), {trekt}(1), zal worden wegnomen(1), zullen zij dragen(1), neem af(1), wegnam(1), werd gedragen(1)
 G5661..
gebruikte vertalingengezworen heeft(4), jullie moeten spreken(3), van scheidt(3), ik vrij laat(3), trouwt(3), Hij weg zou sturen(2), verliest(2), kunnen kopen(2), hij wint(2), zij zouden kunnen doden(2), hij verliest(2), te maken(2), hij bindt(2), te drinken geeft(2), doet(2), hij luistert(2), ik kus(2), te dragen(2), zij hebben gehoord(2), moeten jullie geloven(2), misleidt(2), weigert te luisteren(2), mogen zitten(2), Ik doe(2), doet struikelen(2), moet ik doen(2), jullie moeten veronderstellen(2), ontbindt(2), onderwijst(2), moord(2), wees bezorgd(2), scheidt van(2), zij luisteren(1), te zenden(1), u vraagt(1), kunnen maken(1), ik weg zou sturen(1), jullie aan te kunnen houden(1), kopen(1), tot inkeer te laten komen(1), kunnen wij gelijk stellen(1), zij konden beschuldigen(1), Ik kan verkondigen(1), stelen(1), U stoot(1), kan hij plunderen(1), zij lasteren(1), denk(1), zij omkeren(1), lastert(1), om te pijnigen(1), te beërven(1), hij zou laten(1), voorbereidingen treffen(1), jullie horen(1), voortbrengen(1), ik doe(1), aan een paal te hangen(1), het schaden(1), balsemen(1), geloven(1), mocht nemen(1), te kunnen vangen(1), gelooft(1), leg vals getuigenis af(1), steel(1), pleeg overspeel(1), te laten doden(1), bedrieg(1), wij vragen(1), te kunnen doden(1), ik weer kan zien(1), hij moest zwijgen(1), U doet(1), te doden(1), wij voorbereidingen treffen(1), trompettert(1), steeds weer dezelfde woorden te herhalen(1), jullie uittrekken(1), verzamelen(1), hij hoeft te eren(1), u bindt(1), maken wij(1), zweer(1), jullie liefhebben(1), terugkeren(1), kunnen horen(1), vraagt(1), hij vraagt(1), jullie beëindigen(1), aanhoort(1), te kunnen beschuldigen(1), verscheuren(1), U brengt(1), zij spreken(1), vertrappen(1), wij aanstoot geven(1), jullie verachten(1), vervolgen(1), verheerlijken(1), moeten laten noemen(1), zij in de val zouden kunnen lokken(1), er genoeg is(1), te kunnen grijpen(1), zij te dood zouden kunnen laten brengen(1), zij verwijten maken(1), moeten jullie bezorgd zijn(1), jullie vragen(1), zij moesten zwijgen(1), jullie binden(1), overvloedig is(1), een zonde begaat(1), jullie ontbinden(1), overeenstemmen(1), zit(1), om eer te betonen(1), ze doet(1), eer betoont(1)

optillen..
G142optillen
(af)nemen, opnemen, (op)halen, wegnemen, (weg)dragen, meenemen

V-AAS-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) droeg..
gebruikte vertalingente dragen(2), mocht nemen(1)
de  
 
τον
ton
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASM
m ev lw acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(263), het(76), -(23), die(7), DIE(4), dat(3), Die(2), wat(1)
paal  
 
σταυρον
stauron
G4716..
gebruikte vertalingenpaal(10)

[martel]paal..
G4716[martel]paal

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

paal..
gebruikte vertalingenpaal(6)
van Hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)