Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   
62   63   64   65   66   

HSV
(TR)
Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren door het lot te werpen, opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet: Ze hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en om Mijn kleding hebben ze het lot geworpen.
NBV
(NA27)
Nadat ze hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen,
NBG51
(N(A))
Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijn klederen door het lot te werpen,
NW
(WH)
Nadat zij hem aan een paal hadden gehangen, verdeelden zij zijn bovenklederen door het lot te werpen,
RBV
(BZ+)
Toen zij Hem aan een paal hadden gehangen, verdeelden zij Zijn kleren [door] een lot te werpen. [[[Zodat vervuld werd wat door [bemiddeling van] de profeet gesproken is: 'Zij verdeelden Mijn kleren onder elkaar en over Mijn kleding wierpen zij een lot.']]]
RBVI
(BZ+)
zij aan een paal hadden gehangen    toen    Hem    verdeelden zij    de    kleren    van Hem    {te} werpen    een lot    [[[ zodat  ]]]  [[[ vervuld werd  ]]]  [[[ wat  ]]]  [[[ gesproken is  ]]]  [[[ door  ]]]  [[[ de  ]]]  [[[ profeet  ]]]  [[[ zij verdeelden  ]]]  [[[ de  ]]]  [[[ kleren  ]]]  [[[ van Mij  ]]]  [[[ {onder} elkaar  ]]]  [[[ en  ]]]  [[[ over  ]]]  [[[ de  ]]]  [[[ kleding  ]]]  [[[ van Mij  ]]]  [[[ zij wierpen  ]]]  [[[ een lot  ]]]


zij aan een paal hadden gehangen  
 
σταυρωσαντες
stauròsantes
G4717..
gebruikte vertalingenhang aan een paal(4), aan een paal te hangen(2), zij aan een paal hadden gehangen(2), aan een paal gehangen te worden(2), aan een paal werd gehangen(2), zij hingen aan een paal(1), hingen zij aan palen(1), aan paal gehangen te worden(1), jullie zullen aan een paal hangen(1), om te worden gehangen aan paal(1), werden er aan palen gehangen(1)
 G5660..
gebruikte vertalingenhoorden(15), hoorde(11), dankte(5), riep(4), strekte uit(4), keek aan(3), standhoudt(3), zond(3), zij hoorden(3), zweert(3), keek op(2), opkwam(2), vulde(2), Hij had weggestuurd(2), zij voeren over(2), vroeg de zegen(2), zij een lofzang hadden gezongen(2), maak los(2), zij aan een paal hadden gehangen(2), zij bonden(2), zij hadden gehoord(2), hij zond(2), gezonden heeft(2), Hij keek op(1), Hij zuchtte diep(1), gespuwd te hebben(1), had aangehoord(1), zij behaagde(1), hij keek op(1), pakte(1), stuiptrekkingen {bezorgend}(1), schreewend(1), had uitgezonden(1), Hij spuwde(1), Hij pakte(1), hij riep(1), tilde op(1), zij {maakten open}(1), hield vast(1), was gevaren(1), had uitgegeven(1), Hij ging zitten(1), gedaan had(1), zij had gehoord(1), het hoorde(1), neem op(1), Hij riep(1), hij had de moed(1), zij vlochten hadden(1), liet zweepslagen geven(1), hielden(1), hij kocht(1), was opgegaan(1), geloven(1), niet gelooft(1), gelooft(1), zij opkeken(1), kijk zij aan(1), scheurde(1), stenigde zij(1), hij hoorde(1), hij werd somber(1), schreeuwend(1), had horen(1), was gaan zitten(1), Hij terugkwam(1), Hij vroeg de zegen(1), zij brak(1), te kunnen grijpen(1), viel op de knielen(1), verzegelde(1), trouwt(1), {SCHEPPER}(1), hij greep(1), open(1), Hij opende(1), volgen(1), Hij vastte(1), ging zitten(1), hebben vergedragen(1), hij overeengekomen was(1), zij {opsloegen}(1), sluit(1), zij gingen zitten(1), trokken zij(1), zaaide(1), had hoorde(1), had gegrepen(1), hij {liet}(1), gaf opdracht(1), verliest(1), Hij brak(1), Hij gaf opdracht(1), deden(1), onbekommerd(1), zij trokken uit(1), liet hij zweepslagen geven(1), wierp hij(1), zij openden(1), vlochten zij(1), zij vielen op de knielen(1), om neer te bukken(1), Hij strekte uit(1), hij had gerold(1), zij spuwden(1), geraakt heeft(1), zij gegrepen hadden(1), overleden was(1), trouwde(1), bind(1), grepen(1), woont in(1), vermoord hebben(1), sloeg(1), vertrokken waren(1), zond uit(1), hij indoopt(1), deed stuiptrekken(1)

palidiseren..
G4717palidiseren
palen in de grond drijven, aan een paal hangen

V-AAP-NPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) aan een paal hadden gehangen..
gebruikte vertalingenzij aan een paal hadden gehangen(2)
toen  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
Hem  
 
αυτον
auton
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-ASM
m ev pn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

hem..
gebruikte vertalingenHem(198), hem(81), Hij(9), het(7), hij(7), er(3), HEM(3), zelfde(2), voor Hem(2), aan Hem(2), -(1), {haar}(1), {Zich}(1), van hem(1)
verdeelden zij  
 
διεμερισαντο
diemerisanto
G1266..
gebruikte vertalingenverdeelden zij(2), zij verdeelden(1)
 G5668..
gebruikte vertalingenvroeg(2), Hij gelastte(2), gelastte Hij(2), had verordend(1), zij verdeelden(1), heb ik in acht genomen(1), te vragen(1), HIJ gekozen heeft(1), verdeelden zij(1), een prijs vaststelden(1), herstelt U(1), heeft gehuurd(1), onderhouden(1), zou ik hebben ontvangen(1), zij beraadslaagden tezamen(1), hebben getreurd(1), hing op(1), waste(1)

verdelen..
G1266verdelen

V-AMI-3P
mv ww med..
woordvormmeervoud
werkwoord
medium

(ZIJ) verdeelden..
gebruikte vertalingen
de  
 
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APN
o mv lw acc..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(106), wat(16), het(12), -(2), dat(1), die(1)
kleren  
 
ιματια
imatia
G2440..
gebruikte vertalingenkleren(14), kleed(7), mantel(3), mantels(3), een kleed(2)

kleed..
G2440kleed
kleren, mantel

N-APN
o mv zn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

kleren..
gebruikte vertalingenkleren(8), mantels(3)
van Hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
{te} werpen  
 
βαλλοντες
ballontes
G906..
gebruikte vertalingenwerp(6), geworpen te worden(4), geworpen(4), uitwerpen(3), wordt geworpen(3), {om te brengen}(2), te werpen(2), gieten(2), {te} werpen(2), zij zullen werpen(2), hij heeft geworpen(1), heeft er {in} geworpen(1), {stak}(1), {brachten}(1), lag(1), hij geworpen werd(1), zij hebben er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), werpt(1), wierpen(1), {hebben} geworpen(1), wierp(1), er heeft {in} geworpen(1), {storten}(1), {liggen}(1), {lag}(1), {ligt}(1), u wordt geworpen(1), om geworpen te worden(1), werd geworpen(1), wierpen zij(1), om te werpen(1), zij wierpen(1), goot(1), werpen(1), werp uit(1), giet(1)
 G5723..
gebruikte vertalingenzei(80), zeiden(45), heeft(11), had(9), zeggen(9), vroegen(7), er waren(6), sprak(6), hoort(5), om op de proef te stellen(5), slapend(5), hij zei(4), aten(4), zij zeiden(4), te hebben(4), zaaier(4), toeziet(3), doet(3), voortbrengt(3), geloven(3), horen(3), Hij liep(3), verkondigde(3), zegt(3), te zeggen(3), uitwerpen(3), bezittingen(3), zeg(3), zagen(2), zij hadden(2), overgebleven(2), toeroepen(2), zou(2), liefheeft(2), begrijpt(2), levende(2), zij onderwijzen(2), kwaadspreekt(2), lopen(2), onrein {maakt}(2), verkopers(2), opbouwt(2), Hij afbreekt(2), schudden(2), {te} werpen(2), spotten(2), toekeken(2), zij volgden(2), jullie hebben(2), eten(2), doopte(2), ging overleveren(2), hij overlevert(2), van levenden(2), onderwijs gaf(2), spreken(2), verkochten(2), heiligt(2), het leest(2), dorst(2), de borst geven(2), zijn(2), afdaalden(2), bouwers(2), vragen(2), zij sterk zijn(2), zoekt(2), zij er zijn(2), leidt(2), zij zochten(2), volgden(2), wil(2), onderwijs gegeven(2), vraagt(2), Hij gaf onderwijs(2), hij verkondigde(2), genas(2), komende(2), riepen(2), roept(2), neerdalen(2), hebben(2), schreeuwen(1), sneed(1), zij horen(1), zij houden vast aan(1), zij hoedden(1), lag te slapen(1), ontkennen jullie autoriteit(1), gezond van verstand(1), geween(1), gejammer(1), gaan(1), hoorden(1), zij kijken(1), beefde(1), gingen(1), stapte(1), samendringen op(1), verzwakt zijn(1), vasten(1), doop(1), {bewakers}(1), onderwijs(1), hij at(1), Hij omhoog kwam(1), licht begon te worden(1), Hij leefde(1), herstellen(1), beproever(1), zij bewaakten(1), om te bedienden(1), waren aan het herstellen(1), met koorts(1), is rein(1), te plukken(1), om te roepen(1), kwam op(1), Hij verder ging(1), brengen(1), Hij verkondigde(1), wierp uit(1), hij smeekte(1), viel op de knielen(1), het groeide(1), overschaduwde(1), overvloed(1), {hebben} geworpen(1), jullie te overleveren(1), uit gevallen(1), zeer verontwaardigd(1), verslinden(1), willen(1), hij had(1), hij stierf(1), discussiëren(1), Hij onderwijs gaf(1), draagt(1), eet(1), bevestigde(1), meewerkte(1), vergezelden(1), zwijgen(1), wachtte op(1), wandelden(1), weenden(1), onderwijs aan het geven(1), zij {vielen}(1), {voorbijganger}(1), treurden(1), zij doden(1), zij afranselden(1), schuim(1), zij renden naar(1), gelooft(1), uitwierp(1), te hebbem(1), ondervroegen(1), bespraken zij(1), weende {om}(1), zij lopen rond(1), stralend(1), in gesprek(1), brachten(1), legde(1), maken jullie los(1), zij voor uit gingen(1), zij kochten(1), rondliep(1), {te bedelen}(1), nemen(1), zij hebben(1), gingen op(1), ging voor uit(1), wilde(1), verzochten zij(1), HIj zei(1), smeekte(1), ik heb(1), vallen(1), vinden(1), spraken(1), gezegd(1), hij zag(1), hij wilde(1), koorst hebben(1), er gegeten(1), liep(1), liepen(1), gegeten(1), omhoog komt(1), vraag(1), bezorgd te zijn(1), hij {kon}(1), vroeg(1), eisten(1), somber(1), klopt(1), zij waren in gesprek waren(1), op de knielen viel(1), doen(1), verzamelen(1), hij drinkt(1), hij eet(1), Hij eet(1), Hij drinkt(1), zwoegen(1), aan een bloedvloeiing leed(1), ging verder(1), spreekt(1), {hen} doden(1), opdrachten te geven(1), zij dragen(1), bijeen brengt(1), zoek(1), zaait(1), zij aan het hoeden waren(1), aanneemt(1), {zaaide}(1), kijken(1), verder ging(1), het leegstaan(1), zij verlangden(1), zij verlangen(1), zien(1), u vast(1), vast(1), verkopen(1), een lange tijd uitbleef(1), naar het buitenland gaat(1), u oogst(1), u brengt bijeen(1), {hen} dronken zijn(1), handelend(1), dronken(1), zij trouwden(1), werden uitgehuwelijkt(1), malen(1), honger(1), welwillend(1), te onderwijzen(1), zeiden zij(1), zij zei(1), {had} over{ge}leverd(1), die verzwakt zijn(1), zij treuren(1), honger hebben(1), dorsten(1), overleveren(1), zij hongeren(1), zij aten(1), kijkt(1), kochten(1), zij vasten(1), liefhebben(1), zuigelingen(1), Hij terugkeerde(1), zei{den}(1), voor uit gingen(1), oordelen(1), op ging(1), zij betoonde eer(1), Hij zei(1), vervolgen(1), zij vroegen(1), doodt(1), stenigt(1), vroegen zij(1), scheidt van(1), doorslikken(1), uitziften(1), was(1), u draagt(1), valselijk beschuldigen(1), haten(1), {luidde}(1)

werpen..
G906werpen
uitwerpen, gieten, {liggen}, {brengen}

V-PAP-NPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) werpen..
gebruikte vertalingen{te} werpen(2)
een lot  
 
κληρον
klèron
G2819..
gebruikte vertalingeneen lot(3)

lot..
G2819lot

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

een lot..
gebruikte vertalingeneen lot(3)
[[[ zodat  ]]]
E_TR_A
ινα
ina
G2443..
gebruikte vertalingenom(45), zodat(31), dat(26), {dan}(1), -(1)

zodat..
G2443zodat
om, dat

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

(zo)dat..
gebruikte vertalingenom(45), zodat(31), dat(26), {dan}(1), -(1)
[[[ vervuld werd  ]]]
E_TR_A
πληρωθη
plèròthè
G4137..
gebruikte vertalingenvervuld werd(9), is vervuld(3), om te vervullen(2), werd vervuld(1), vervuld worden(1), vervult zullen worden(1), maak vol(1), vol was(1), zouden vervuld worden(1), vervuld zouden worden(1)
 G5686..
gebruikte vertalingenvervuld werd(9), schade lijdt(2), wordt verkondigd(2), gezet te worden(2), verdeeld is(2), aan een paal gehangen te worden(2), wordt weggenomen(2), u van nut kan zijn(2), wordt geworpen(2), zou horen(1), gegeven wordt(1), vervuld worden(1), zouden vervuld worden(1), vervuld zouden worden(1), vergeven word{en}(1), afgebroken {zal} worden(1), twijfelt(1), van geen belang zou worden geacht(1), zij geredt wordt(1), {zal} gelaten worden(1), openbaar wordt gemaakt(1), trouwt(1), moeten laten noemen(1), jullie geoordeeld worden(1), neemt aanstoot(1), het is opgegroeid(1), word gelijk(1), zij geëerd worden(1), smakeloos wordt(1), u herinnert(1), zij bezwijken(1), er wordt gehangen(1), twijfelen(1), moeten jullie laten noemen(1), geopende mogen worden(1), bevestigd wordt(1), hij wordt gezonken(1), verdwaald(1), {zal} worden gelaten(1)

vervullen..
G4137vervullen
vol maken, vol zijn

V-APS-3S
ev ww pas..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief

(hij/zij/het) werd vervuld..
gebruikte vertalingen
[[[ wat  ]]]
E_TR_A
το
to
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSN
o ev lw nom..
woordvormonzijdig
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingenhet(63), de(56), wat(16), -(9), dat(4), die(3), dit(1), Wat(1)
[[[ gesproken is  ]]]
E_TR_A
ρηθεν
rèthen
G4483..
gebruikte vertalingengesproken is(15), er gesproken is(5), is er gesproken(1)
 G5685..
gebruikte vertalingengesproken is(15), hij stond op(3), sta op(3), verdeeld is(2), was boos(1), er toe aangezet(1), een discipel geworden is(1), werd geworpen(1), samen aan palen waren gehangen(1), gedoopt is(1), werd gegeven(1), baat had gehad(1), Hij wakker geworden was(1), gedood is(1), zij bijeen waren gekomen(1), was uitgeworpen(1), geboren is(1), zij door GOD waren gewaarschuwd waren(1), geboren was(1), ontwaakt was(1), is verwerkt(1), door GOD gewaarschuwd te zijn(1), was gedoopt(1), ook wordt genoemd(1), ten huwelijk werd beloofd(1), stond op(1), stond Hij op(1), wordt verhoogd(1)

spreken..
G4483spreken
zeggen

V-APP-NSN
o ev ww pas..
woordvormonzijdig
enkelvoud
werkwoord
passief

(het) is gesproken..
gebruikte vertalingen
[[[ door  ]]]
E_TR_A
υπο
upo
G5259..
gebruikte vertalingendoor(34), onder(8)

door..
G5259door
door [bemiddeling van], onder

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

door..
gebruikte vertalingendoor(28), onder(7)
[[[ de  ]]]
E_TR_A
του
tou
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSM
m ev lw gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) van de..
gebruikte vertalingenvan de(227), de(98), van het(22), het(13), DIE(8), -(8), van(4), dat(3), die(2), aan de(1), {uit} de(1), wie(1), van die(1), van wie(1)
[[[ profeet  ]]]
E_TR_A
προφητου
prophètou
G4396..
gebruikte vertalingenprofeet(18), profeten(12), een profeet(8), Profeten(5), van een profeet(2), Profeet(1)

profeet..
G4396profeet

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) profeet..
gebruikte vertalingenprofeet(17), van een profeet(2)
[[[ zij verdeelden  ]]]
E_TR_A
διεμερισαντο
diemerisanto
G1266..
gebruikte vertalingenverdeelden zij(2), zij verdeelden(1)
 G5668..
gebruikte vertalingenvroeg(2), Hij gelastte(2), gelastte Hij(2), had verordend(1), zij verdeelden(1), heb ik in acht genomen(1), te vragen(1), HIJ gekozen heeft(1), verdeelden zij(1), een prijs vaststelden(1), herstelt U(1), heeft gehuurd(1), onderhouden(1), zou ik hebben ontvangen(1), zij beraadslaagden tezamen(1), hebben getreurd(1), hing op(1), waste(1)

verdelen..
G1266verdelen

V-AMI-3P
mv ww med..
woordvormmeervoud
werkwoord
medium

(ZIJ) verdeelden..
gebruikte vertalingen
[[[ de  ]]]
E_TR_A
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APN
o mv lw acc..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(106), wat(16), het(12), -(2), dat(1), die(1)
[[[ kleren  ]]]
E_TR_A
ιματια
imatia
G2440..
gebruikte vertalingenkleren(14), kleed(7), mantel(3), mantels(3), een kleed(2)

kleed..
G2440kleed
kleren, mantel

N-APN
o mv zn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

kleren..
gebruikte vertalingenkleren(8), mantels(3)
[[[ van Mij  ]]]
E_TR_A
μου
mou
G3450..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)

mij..
G3450mij
ik

P-1GS
ev pn gen..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) mij..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)
[[[ {onder} elkaar  ]]]
E_TR_A
εαυτοις
eautois
G1438..
gebruikte vertalingenzichzelf(17), elkaar(11), zich(8), Zichzelf(3), jullie zelf(2), jullie(2), {zich}zelf(2), eigen(2), hun(2), voor zichzelf(2), {onder} elkaar(1), {uzelf}(1), Zich(1), voor {u}zelf(1), dan hijzelf(1), hun eigen(1), tot elkaar(1), haar eigen(1)

zichzelf..
G1438zichzelf
zich, uzelf, eigen, elkaar

F-3DPM
m mv vnw-rf dat..
woordvormmannelijk
meervoud
voornaamwoord-reflexsief
datief

(tot) henzelf..
gebruikte vertalingenelkaar(4), zichzelf(3), jullie zelf(2), voor zichzelf(2), zich(1), tot elkaar(1), {onder} elkaar(1)
[[[ en  ]]]
E_TR_A
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
[[[ over  ]]]
E_TR_A
επι
epi
G1909..
gebruikte vertalingenop(88), over(39), in(12), tegen(12), bij(12), met(11), van(10), voor(8), aan(5), {naar}(3), {ten tijde}(2), -(2), jegens(1), {om}(1), {tussen}(1), {langs}(1)

op..
G1909op
over, bij, tegen, met, van, voor, in, aan, {ten tijde}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

op..
gebruikte vertalingenop(78), over(30), van(9), tegen(8), in(8), bij(7), met(5), voor(5), aan(3), {ten tijde}(2), {naar}(2), {langs}(1), {om}(1), {tussen}(1)
[[[ de  ]]]
E_TR_A
τον
ton
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASM
m ev lw acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(263), het(76), -(23), die(7), DIE(4), dat(3), Die(2), wat(1)
[[[ kleding  ]]]
E_TR_A
ιματισμον
imatismon
G2441..
gebruikte vertalingenkleding(1)

..
G2441

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

..
gebruikte vertalingen
[[[ van Mij  ]]]
E_TR_A
μου
mou
G3450..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)

mij..
G3450mij
ik

P-1GS
ev pn gen..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) mij..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)
[[[ zij wierpen  ]]]
E_TR_A
εβαλον
ebalon
G906..
gebruikte vertalingenwerp(6), geworpen te worden(4), geworpen(4), uitwerpen(3), wordt geworpen(3), {om te brengen}(2), te werpen(2), gieten(2), {te} werpen(2), zij zullen werpen(2), hij heeft geworpen(1), heeft er {in} geworpen(1), {stak}(1), {brachten}(1), lag(1), hij geworpen werd(1), zij hebben er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), werpt(1), wierpen(1), {hebben} geworpen(1), wierp(1), er heeft {in} geworpen(1), {storten}(1), {liggen}(1), {lag}(1), {ligt}(1), u wordt geworpen(1), om geworpen te worden(1), werd geworpen(1), wierpen zij(1), om te werpen(1), zij wierpen(1), goot(1), werpen(1), werp uit(1), giet(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

werpen..
G906werpen
uitwerpen, gieten, {liggen}, {brengen}

V-2AAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) wierpen..
gebruikte vertalingenzij hebben er {in} geworpen(1), zij wierpen(1), wierpen zij(1)
[[[ een lot  ]]]
E_TR_A
κληρον
klèron
G2819..
gebruikte vertalingeneen lot(3)

lot..
G2819lot

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

een lot..
gebruikte vertalingeneen lot(3)


Afwijkingen
E_TR_A[[[ vrijwel zeker niet oorspronkelijk, komt voor  ]]]

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)