Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   
62   63   64   65   66   

HSV
(TR)
De overpriesters pakten de zilveren [penningen] en zeiden: Het is niet geoorloofd die in de offerkist te leggen, omdat het bloedgeld is.
NBV
(NA27)
De hogepriesters verzamelden de zilverstukken en zeiden tegen elkaar: 'We mogen ze niet bij de tempelschat voegen, aangezien het bloedgeld is. '
NBG51
(N(A))
De overpriesters namen de zilverlingen en zeiden: Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld.
NW
(WH)
De overpriesters echter namen de zilverstukken en zeiden: 'Het is niet geoorloofd ze in de heilige schatkist te werpen, want het is een bloedprijs.'
RBV
(BZ+)
En de overpriesters namen de zilverstukken [en] zeiden: 'Het is niet toegestaan om ze in de tempelschatkist te werpen, want het is een bloedprijs.'
RBVI
(BZ+)
de    en    overpriesters    namen    de    zilverstukken    zeiden    niet    het is toegestaan    om te werpen    ze    in    de    tempelschatkist    want    prijs    van bloed    het is  


de  
 
οι
oi
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPM
m mv lw nom..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(256), die(59), -(47), dit(2), het(1), deze(1), {sommigen}(1)
en  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
overpriesters  
 
αρχιερεις
archiereis
G749..
gebruikte vertalingenoverpriesters(33), hogepriester(15)

hogepriester..
G749hogepriester
overpriester

N-NPM
m mv zn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

overpriesters..
gebruikte vertalingenoverpriesters(21)
namen  
 
λαβοντες
labontes
G2983..
gebruikte vertalingennam(8), Hij nam(7), had ontvangen(6), zij namen(4), zij grepen(3), neem(3), zullen jullie ontvangen(3), te nemen(3), namen(3), zal ontvangen(3), zij ontvingen(2), om in ontvangst te nemen(2), ontvangt(2), grepen(2), hielden(2), jullie hebben opgehaald(2), hij nam(2), grijpen(1), zij hadden gehouden(1), nemen zij aan(1), moet nemen(1), zij zullen ontvangen(1), jullie ontvangen(1), mee te nemen(1), zij hadden ontvangen(1), nam Hij(1), hadden gehouden(1), ontvingen(1), wij hebben meegenomen(1), aanneemt(1), op neemt(1), jullie hebben ontvangen(1), jullie hebben meegenomen(1), eisten(1), zij hielden(1), om tenemen(1), zij zouden ontvangen(1), ontvangen(1), meenamen(1)
 G5631..
gebruikte vertalingenzag(14), zagen(11), kwam(10), Hij nam(6), kwamen(6), nam(5), zij kwamen(5), had ontvangen(5), zij zagen(5), kom(4), gingen(4), Hij zag(4), kwamen naar(4), stapte(4), ging weg(4), kwam naar(4), hij zag(4), zij lieten achter(4), namen(3), ging heen(3), Hij kwam(3), zij grepen(3), kwamen naar toe(3), zij gingen(3), viel neer(3), zij kwam(3), merkte op(3), hij ging heen(2), ging(2), er kwamen(2), merkte(2), Hij was gegaan verder(2), herkenden(2), vertrok(2), Hij liet achter(2), zij gaan(2), Hij stond op(2), stond op(2), uit ging(2), ging naar(2), hij komt(2), was gekomen(2), Hij stapte(2), zij verlieten(2), komt(2), kwam naderbij(2), zij vertrokken(2), zij ging(2), binnenkwam(2), er kwam naar(2), rende(2), {stak op}(2), ging hij er op uit(2), gingen weg(2), wist(2), Hij verliet(2), gaan(2), stond Hij op(2), hij nam(2), was gegaan(2), bleef staan(2), zij ging uit(1), kwam binnen(1), Hij oplegde(1), zij gingen heen(1), binnenkomen(1), waren gegaan(1), Hij ging naar(1), zij vonden(1), kwam Hij binnen(1), Hij verder liep(1), zij hadden ontvangen(1), lieten zij achter(1), Hij gezegd had(1), hij was weggegaan(1), was {geworden}(1), er was uitgegaan(1), Hij naar binnen ging(1), had geleden(1), hadden gezien(1), waren afgedaald(1), gingen uit(1), Hij stuurde weg(1), weggegaan was(1), gaf(1), ging Hij(1), Hij sprak(1), achterliet(1), kwam er(1), binnen gegaan was(1), zij gingen naar buiten(1), zij lieten begaan(1), gekomen was(1), ging hij naar(1), doordrong(1), -(1), waren opgegaan met(1), zij zag(1), op stond(1), nam af(1), hij verliet achter(1), stonden er op(1), gekomen(1), zij waren gegaan(1), jullie laten na(1), ging binnen(1), hij te weten was gekomen(1), zij liepen rond(1), uit gingen(1), zij te weten waren gekomen(1), nam Hij(1), gegeten(1), gegeten hadden(1), legde op(1), rennen er naar(1), Hij nam bij(1), wierp hij af(1), Hij was opgetaan(1), binnengegaan was(1), zijn gekomen(1), keek aan(1), moeten wij gaan(1), goot(1), vertelde(1), erheen gaan(1), had laten weggaan(1), zij gaan naar binnen(1), Hij vertrok(1), overgeleverd heeft(1), vindt(1), vond(1), hij had gevonden(1), kwam naar toe(1), Hij ging(1), kwamen zij(1), in stapten(1), heen ging(1), bijeenbracht(1), zij weggingen(1), ging Hij naar(1), Hij liep verder(1), afdaalde(1), verliet(1), U neervalt(1), kan komen(1), zij vielen neer(1), instapte(1), gingen naar toe(1), er kwam(1), naderde(1), hij stond op(1), gegeven had(1), zij gingen uit(1), doorzag(1), gekomen waren(1), neem(1), hij kwam er(1), kwamen er(1), kwamen dichterbij(1), verlieten(1), grijpen(1), sprak(1), kwamen zij naderbij(1), hij ging naar(1), ik heb overgeleverd(1), daalde neer(1), gingen zij naar(1), kunnen komen(1), gingen zij(1), zij hadden gehouden(1), namen mee(1), ging Hij heen(1), nam Hij mee(1), kwam bij(1), hij kwam bij(1), zij ontvingen(1), hij ging er op uit(1), laat hij achter(1), Hij had gelegd(1), hebben gezien(1), grepen(1), hij bijeen had laten brengen(1), ga(1), had opgemerkt(1), {komst}(1), valt(1), binnen kwam(1), hadden gehouden(1)

nemen..
G2983nemen
meenemen, opnemen, aannemen, ontvangen, ophalen, grijpen, eisen

V-2AAP-NPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) namen..
gebruikte vertalingenzij grepen(3), hadden gehouden(1), zij hadden ontvangen(1), zij hadden gehouden(1), grijpen(1), grepen(1), zij ontvingen(1), namen(1)
de  
 
τα
ta
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-APN
o mv lw acc..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(106), wat(16), het(12), -(2), dat(1), die(1)
zilverstukken  
 
αργυρια
arguria
G694..
gebruikte vertalingenzilverstukken(7), zilver(3)

zilver..
G694zilver
zilverstuk

N-APN
o mv zn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

zilver(stukken)..
gebruikte vertalingen
zeiden  
BZ_TR_C-
ειπον
eipon
G2036..
gebruikte vertalingenzei(132), Hij zei(21), zij zeiden(13), zeiden(12), zeg(11), heeft gezegd(6), zei Hij(6), zegt(6), zeiden zij(5), vertel(4), vroegen(3), hij zei(3), wij zeggen(3), spreek(3), te zeggen(3), hebt gezegd(2), Hij heeft gezegd(2), ik heb gezegd(2), om te zeggen(2), zij zeggen(2), Hij sprak(2), vraagt(2), zij zei(2), u vertelt(2), zei hij(2), te vertellen(2), vertelde(2), Hij had gezegd(2), zegt U(1), gezegd had(1), Hij gezegd had(1), zij spraken(1), zouden zeggen(1), hij zegt(1), zeggen wij(1), Hij(1), Hij gesproken had(1), Ik sprak(1), om te vragen(1), spreken(1), ik zeg(1), vroeg Hij(1), zeggen(1), zou zeggen(1), jullie zeggen(1), jullie vertellen(1), sprak(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

zeggen..
G2036zeggen
vertellen, spreken, vragen

V-2AAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) zeiden..
gebruikte vertalingenzij zeiden(13), zeiden(12), zeiden zij(5), vroegen(3), zij spraken(1)
niet  
 
ουκ
ouk
G3756..
gebruikte vertalingenniet(256), geen(45), geens(13), zeker(12), nee(4), ?(1), -(1), {alleen}(1), niet{s}(1)

niet..
G3756niet
geen, geens[zins], zeker [niet], nee, niet{s}

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(145), geen(21), -(1), ?(1), nee(1), {alleen}(1), niet{s}(1), geens(1)
het is toegestaan  
 
εξεστιν
exestin
G1832..
gebruikte vertalingenis het toegestaan(9), het is toegestaan(3), is toegestaan(2), toegestaan(1)
 G5904..
gebruikte vertalingen

is toegestaan..
G1832is toegestaan
mag*

V-PQI-3S
ev ww..
woordvormenkelvoud
werkwoord

(hij/zij/het) is toegestaan..
gebruikte vertalingenis het toegestaan(9), het is toegestaan(3), is toegestaan(2)
om te werpen  
 
βαλειν
balein
G906..
gebruikte vertalingenwerp(6), geworpen te worden(4), geworpen(4), uitwerpen(3), wordt geworpen(3), {om te brengen}(2), te werpen(2), gieten(2), {te} werpen(2), zij zullen werpen(2), hij heeft geworpen(1), heeft er {in} geworpen(1), {stak}(1), {brachten}(1), lag(1), hij geworpen werd(1), zij hebben er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), werpt(1), wierpen(1), {hebben} geworpen(1), wierp(1), er heeft {in} geworpen(1), {storten}(1), {liggen}(1), {lag}(1), {ligt}(1), u wordt geworpen(1), om geworpen te worden(1), werd geworpen(1), wierpen zij(1), om te werpen(1), zij wierpen(1), goot(1), werpen(1), werp uit(1), giet(1)
 G5629..
gebruikte vertalingenbinnen te komen(7), te eten(6), om te zien(6), komen(4), om te geven(4), om te eten(4), te geven(3), drinken(3), te nemen(3), komt(3), te komen(3), te werpen(2), te gaan zitten(2), uitwerpen(2), om te stappen(2), om te grijpen(2), om te komen(2), voorbij gaan(2), om te zeggen(2), gaan(2), te drinken(2), geven(2), te zeggen(2), {om te brengen}(2), binnenkomen(2), om te {betalen}(2), zij konden eten(1), kon binnengaan(1), om te werpen(1), om te weg gaan(1), uitgaan(1), opstaan(1), om binnen te komen(1), samen sterven(1), voort zou brengen(1), eraf halen(1), zou opstaan(1), zou lijden(1), te weten zou komen(1), sterven(1), onopgemerkt blijven(1), zij moesten voorzetten(1), mee te nemen(1), te kennen(1), gevonden(1), om te halen(1), te gaan(1), weg te gaan(1), om te gaan(1), toevoegen(1), om tenemen(1), om mee te nemen(1), heen te gaan(1), om te ontkomen(1), bied tegenstand(1), zien(1), om te kennen(1), door te gaan(1), om in ontvangst te nemen(1), om binnen tekomen(1), samen bijeen brengen(1), terug betalen(1), samen gekomen waren(1), {zij} weggaan(1), eten(1), zou moeten lijden(1), {storten}(1)

werpen..
G906werpen
uitwerpen, gieten, {liggen}, {brengen}

V-2AAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

te werpen..
gebruikte vertalingen{om te brengen}(2), te werpen(2), om te werpen(1), {storten}(1)
ze  
 
αυτα
auta
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-APN
o mv pn acc..
woordvormonzijdig
meervoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

ze..
gebruikte vertalingenhen(5), ze(5), die(4), {het}(3), er(2), het(2)
in  
 
εις
eis
G1519..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)

in..
G1519in
naar, tot, voor, -, om, aan, tegen, tussen, bij

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

in..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)
de  
 
τον
ton
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASM
m ev lw acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(263), het(76), -(23), die(7), DIE(4), dat(3), Die(2), wat(1)
tempelschatkist  
 
κορβαναν
korbanan
G2878..
gebruikte vertalingenkorban(1), tempelschatkist(1)

tempelschatkist..
G2878tempelschatkist
(Grieks) korban, offergave, aan GOD opgedragen gave

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

tempelschatkist..
gebruikte vertalingen
want  
 
επει
epei
G1893..
gebruikte vertalingenomdat(2), want(1)

want..
G1893want
wanneer*, omdat

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

omdat..
gebruikte vertalingenomdat(2), want(1)
prijs  
 
τιμη
timè
G5092..
gebruikte vertalingenprijs(2)

prijs..
G5092prijs
eerbied

N-NSF
v ev zn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

een prijs..
gebruikte vertalingen
van bloed  
 
αιματος
aimatos
G129..
gebruikte vertalingenbloed(12), van bloed(3)

bloed..
G129bloed

N-GSN
o ev zn gen..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) bloed..
gebruikte vertalingenbloed(4), van bloed(3)
het is  
 
εστιν
estin
G2076..
gebruikte vertalingenis(111), het is(23), betekent(10), is het(9), Hij is(7), er is(7), {hebben}(3), ze is(3), was(2), Hij was(2), het betekent(2), {komt}(2), is er(2), -(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), er zijn(1), het was(1), is hij(1), zijn(1), hij is(1), is Hij(1), {kan} Hij {zijn}(1)
 G5748..
gebruikte vertalingenis(111), zijn(27), het is(23), bent(13), ben(10), betekent(10), is het(9), er is(7), Hij is(7), zij zijn(6), U bent(6), u bent(6), er zijn(5), zijn jullie(4), {hebben}(3), ze is(3), ik ben(3), zijn zij(2), was(2), Hij was(2), -(2), het betekent(2), is er(2), {komt}(2), Ik ben(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), jullie zijn(1), bent u hier(1), jullie {toebehoren}(1), het was(1), wij zijn(1), is hij(1), verklaarde zij(1), hij is(1), ik ben het(1), zij er zijn(1), ben het(1), het bent(1), is Hij(1), zijn er(1), ben Ik(1), bent u(1), {kan} Hij {zijn}(1)

is..
G2076is
betekent, {komt}, {heeft}

V-PXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) is..
gebruikte vertalingenis(111), het is(23), betekent(10), is het(9), Hij is(7), er is(7), {hebben}(3), ze is(3), was(2), Hij was(2), het betekent(2), {komt}(2), is er(2), -(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), er zijn(1), het was(1), is hij(1), zijn(1), hij is(1), is Hij(1), {kan} Hij {zijn}(1)


Afwijkingen
BZ_TR_C-ander woord, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)