Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   
62   63   64   65   66   

HSV
(TR)
Pilatus zei tegen hen: [Hier] hebt u een wacht; ga heen, beveilig het naar uw beste weten.
NBV
(NA27)
Pilatus antwoordde: 'U kunt bewaking krijgen. Ga nu en regel het zo goed als u kunt. '
NBG51
(N(A))
Pilatus zeide tot hen: Hier hebt gij een wacht, gaat heen en verzekert het naar uw beste weten.
NW
(WH)
Pilatus zei tot hen: 'GIJ hebt een wacht. Gaat en verzekert het naar UW beste weten.'
RBV
(BZ+)
Toen verklaarde Pilatus hen: '[Hier] hebben jullie een wacht, ga beveilig [het graf] zoals jullie [nodig] achten.'
RBVI
(BZ+)
verklaarde    toen    hen    de    Pilatus    hebben jullie    een wacht    ga    beveilig    zoals    jullie {achten}  


verklaarde  
 
εφη
ephè
G5346..
gebruikte vertalingenverklaarde(14), verklaarde zij(1), Hij verklaarde(1), hij verklaarde(1)
 G5713..
gebruikte vertalingenwas(26), verklaarde(14), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), Ik was(3), het was(3), er waren(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), was het(2), {werd}(2), had{den}(2), zij was(1), {kwam}(1), {kwamen}(1), was Ik(1), was geweest(1), Hij verklaarde(1), wij hadden {geleefd}(1), er hadden(1), wij waren geweest(1), was Hij(1), {bleef}(1), hij verklaarde(1), {hielden}(1)

verklaren..
G5346verklaren

V-IXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) verklaarde..
gebruikte vertalingenverklaarde(14), hij verklaarde(1), Hij verklaarde(1)
toen  
O??_BZ_TR_A
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
hen  
 
αυτοις
autois
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-DPM
m mv pn dat..
woordvormmannelijk
meervoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) hen..
gebruikte vertalingentot hen(145), hen(30), hun(27), voor hen(13), aan hen(11), zij(1), {van} hen(1), aan(1), met hen(1), door hen(1), hen aan(1), aan hun(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
Pilatus  
 
πιλατος
pilatos
G4091..
gebruikte vertalingenPilatus(19)

Pilatus..
G4091Pilatus

betekent: gewapend met een speer

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

Pilatus..
gebruikte vertalingenPilatus(13)
hebben jullie  
 
εχετε
echete
G2192..
gebruikte vertalingenheeft(26), had(16), hebben jullie(10), jullie hebben(8), zij hebben(6), er waren(6), te hebben(6), hebben(5), hij heeft(4), wij hebben(3), is(3), hij had(3), zij hadden(3), heb(2), was(2), hadden zij(2), om te hebben(2), Hij heeft(2), hebben wij(2), zijn(2), u zult hebben(2), zij er zijn(2), {komt}(2), te hebbem(1), had gehad(1), hield(1), ik heb(1), {krijgt}(1), zal worden(1), u hebt(1), zij zullen worden(1), waren(1), zij had(1), hebben gehad(1), zij {vonden}(1), hadden(1), {die} hielden(1), u draagt(1), zij houden(1), zij hielden(1), hij {kon}(1), zij hebben gehad(1), hebt u(1), het was(1), die zijn(1), {heeft}(1), het had(1), {is}(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

hebben..
G2192hebben
houden, waren, zijn

V-PAI-2P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(JULLIE) hebben..
gebruikte vertalingenhebben jullie(10), jullie hebben(4), is(1)
een wacht  
 
κουστωδιαν
koustòdian
G2892..
gebruikte vertalingenwacht(2), een wacht(1)

wacht..
G2892wacht
groep bewakers*
groep soldaten die bewakers zijn

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

wacht..
gebruikte vertalingen
ga  
 
υπαγετε
upagete
G5217..
gebruikte vertalingenga(28), gaan(1), gaat heen(1), gingen(1), gaat hij heen(1), heen gaat(1), ga weg(1)
 G5720..
gebruikte vertalingenga(28), pas op(8), blijf waken(8), laat hij horen(6), heb goede moed(5), volg(5), breng(4), let op(4), goedendag(4), eer(4), zie toe(3), blijf doen(3), geloof(3), kom tot inkeer(3), verhinder(3), blijven volgen(2), hoor(2), moet {gebracht worden}(2), begrijp(2), help(2), laat scheiden(2), maak(2), heb(2), laat zij vluchten(2), laat hij begrijpen(2), vlucht(2), luister(2), kijk uit(2), blijf zoeken(2), verzamel schatten(2), loop(2), hoor!(1), weten jullie(1), zwijg(1), wees bezorgd(1), zijn jullie bezorgd(1), blijf wakker(1), laat hij naar beneden gaan(1), ga weg(1), heb geloof(1), blijf(1), vergeef(1), wees van tevoren bezorgt(1), overdenk(1), vrede(1), blijf zegenen(1), oordeel(1), Luister(1), spreek(1), zie erop toe(1), verkondig(1), laat het weten(1), geloven jullie(1), weest verheugd(1), brengen(1), wek op(1), maak rein(1), werp uit(1), vertrek(1), geef(1), blijf vragen(1), houd jullie aan(1), doe(1), laat hij er plaats voor maken(1), blijf kloppen(1), blijf liefhebben(1), ga weg jullie(1), Zie toe(1), genees(1)

gaan..
G5217gaan
weg gaan, heen gaan

V-PAM-2P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(JULLIE) ga..
gebruikte vertalingenga(10)
beveilig  
 
ασφαλισασθε
asphalisasthe
G805..
gebruikte vertalingenbeveiligden(1), beveilig(1), om te beveiligen(1)
 G5663..
gebruikte vertalingenlaat hij ontkennen(2), laat HIJ bevrijden(1), beveilig(1), begroet(1), U {leidt}(1), bid(1)

beveiligen..
G805beveiligen

V-ADM-2P
mv ww med-d..
woordvormmeervoud
werkwoord
medium-deponent

(JULLIE) beveilig..
gebruikte vertalingen
zoals  
 
ως
òs
G5613..
gebruikte vertalingenals(31), zoals(20), voor(3), zo(3), ongeveer(2), hoe(2), {al}(1), hetzelfde als(1)

(zo)als..
G5613(zo)als
voor, hoe, ongeveer

ADV
bw..
woordvormbijwoord

(zo)als..
gebruikte vertalingenals(31), zoals(20), voor(3), zo(3), ongeveer(2), hoe(2), {al}(1), hetzelfde als(1)
jullie {achten}  
 
οιδατε
oidate
G1492..
gebruikte vertalingenzag(15), zie(12), zagen(12), zij zagen(9), jullie weten(9), Hij zag(7), zag Hij(7), hij zag(7), om te zien(6), ik ken(5), weet(4), zien(4), wij weten(4), ik weet(3), zij zien(3), zag hij(2), laten wij zien(2), jullie kennen(2), wij hebben gezien(2), hij wist(2), hebben wij gezien(2), jullie zien(2), jullie kunnen zien(2), doorzag(2), zij kunnen zien(2), zij hadden gezien(2), zagen zij(2), wist(1), keek aan(1), had gemerkt(1), hadden gezien(1), weet hij(1), u kent(1), Hij merkte op(1), zij wisten(1), zij zag(1), had opgemerkt(1), Ik kan bekijken(1), begrijpen jullie(1), wij zien(1), zij hadden {her}kend(1), u wist(1), wij zien hebben(1), hebt U gemerkt(1), zien jullie(1), had geweten(1), hebben wij zien(1), weten(1), jullie {achten}(1), hebben gezien(1), merkte(1), merkte op(1), zij hebben gezien(1)
 G5758..
gebruikte vertalingenjullie weten(9), is nabij gekomen(7), ik ken(5), wij weten(4), weet(4), ik weet(3), heeft verlost(3), Ik heb van tevoren gezegd(2), Hij heeft gemaakt(1), is uitgegaan(1), gedaan heeft(1), komen(1), u kent(1), gezeten heeft(1), Hij gestorven was(1), is gekomen(1), er heeft {in} geworpen(1), begrijpen jullie(1), staan(1), staan jullie(1), hebt U gemerkt(1), weten(1), zijn gestorven(1), verkocht(1), ben Ik uitgegaan(1), jullie {achten}(1), weet hij(1)

zien..
G1492zien
weten, kennen, doorzien, (op)merken, bezien, begrijpen, kijken

V-RAI-2P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(JULLIE) zien..
gebruikte vertalingenjullie weten(9), begrijpen jullie(1), jullie {achten}(1), weten(1)


Afwijkingen
O??_BZ_TR_Awaarschijnlijk oorspronkelijk, komt voor  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)