Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   

HSV
(TR)
Deze Johannes had kleding van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel; zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honing.
NBV
(NA27)
Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing.
NBG51
(N(A))
Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.
NW
(WH)
Deze Johannes nu droeg kleding van kameelhaar en een leren gordel om zijn lendenen; voorts bestond zijn voedsel uit sprinkhanen en wilde honing.
RBV
(BZ+)
En deze Johannes zijn kleding was van kameelhaar en [hij had] een leren gordel om zijn lendenen. En zijn voedsel was sprinkhanen en honing van het veld.
RBVI
(BZ+)
deze    en    de    Johannes    was    de    kleding    van hem    van    haar    van kameel    en    een gordel    leren    om    de    lendenen    van hem    het    en    voedsel    van hem    was    sprinkhanen    en    honing    van het veld  


deze  
 
αυτος
autos
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-NSM
m ev pn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
nominatief

-..
gebruikte vertalingenHij(15), hij(7), zelf(4), Die(2), die(2), deze(1), dat(1), ZELF(1), -(1)
en  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
Johannes  
 
ιωαννης
iòannès
G2491..
gebruikte vertalingenJohannes(42), van Johannes(9), dan Johannes(1), aan Johannes(1)

Johannes..
G2491Johannes

betekent: JEHOVAH is een genadige gever

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

Johannes..
gebruikte vertalingenJohannes(17)
was  
 
ειχεν
eichen
G2192..
gebruikte vertalingenheeft(26), had(16), hebben jullie(10), jullie hebben(8), zij hebben(6), er waren(6), te hebben(6), hebben(5), hij heeft(4), wij hebben(3), is(3), hij had(3), zij hadden(3), heb(2), was(2), hadden zij(2), om te hebben(2), Hij heeft(2), hebben wij(2), zijn(2), u zult hebben(2), zij er zijn(2), {komt}(2), te hebbem(1), had gehad(1), hield(1), ik heb(1), {krijgt}(1), zal worden(1), u hebt(1), zij zullen worden(1), waren(1), zij had(1), hebben gehad(1), zij {vonden}(1), hadden(1), {die} hielden(1), u draagt(1), zij houden(1), zij hielden(1), hij {kon}(1), zij hebben gehad(1), hebt u(1), het was(1), die zijn(1), {heeft}(1), het had(1), {is}(1)
 G5707..
gebruikte vertalingenzeiden(14), Hij zei(9), zei(8), zij zeiden(5), zei Hij(5), wilde(4), zeiden zij(4), Hij sprak(3), vroeg Hij(3), Hij gaf(3), riepen(3), had(3), zochten(3), hij zei(3), vroegen(3), gaf onderwijs(3), hadden zij(2), hij smeekte(2), verwonderden(2), vroeg(2), zij wilden(2), sloegen(2), volgde(2), lasterden(2), zij zwegen(2), zij zochten(2), bedienden(2), spreidden uit(2), hield(2), Hij vroeg(2), gaf te drinken(2), berispten(2), verweten(2), zij brachten naar(2), hij had(2), had gezegd(2), hij betoonde eer(2), sprak Hij(2), kapten(2), zij zei(2), bracht voort(2), trok rond door(2), smeekten(2), zij riepen(2), smeekte(2), zij hadden gelegenheid(1), HIj onderwees(1), verwonderd(1), Hij wilde(1), zij begrepen niet(1), gaf Hij onderwijs(1), riep hij(1), zegende(1), waren gevolgd(1), hij luisterde(1), zij hoorden(1), zij legden(1), waren(1), zij hadden(1), zij verkondigden(1), hij sprak(1), zagen(1), hadden bediend(1), zei hij(1), zij vroegen(1), zij smeekten(1), hij volgde(1), zij vroeg(1), zij gaven(1), hij wist(1), een vals getuigenis aflegden(1), legden een vals getuigenis af(1), zij sloegen(1), zij vonden er(1), deed(1), liet hij vrij(1), beschuldigden(1), begon te wenen(1), {brachten}(1), bevroeg(1), Hij zweeg(1), volgde van nabij(1), spuwden(1), eer te betonen(1), had de moed(1), zij {vonden}(1), Hij begon te onderwijzen(1), Hij liet toe(1), luisterde(1), Hij zag(1), zij slachten(1), deed hij(1), hij zocht(1), zij had(1), wierpen(1), hoorden(1), legde Hij uit(1), te bespotten(1), hij wilde(1), zweeg(1), zocht hij(1), hield tegen(1), bewaakten(1), hij verkondingde(1), Hij gaf onderwijs(1), was(1), liet toe(1), brachten zij(1), zij bediende(1), vielen in slaap(1), {die} hielden(1), zij lachten uit(1), ging voor uit(1), lag te slapen(1), bediende(1), eer betonen(1), het had(1), zij hielden(1), wilde hij(1), zij klagen(1), te wurgen(1), schuldig was(1), verzochten(1), zij hielden nauwlettend in de gaten(1), hielden zij(1), ging lopen(1), Hij verwonderde(1), lachten zij uit(1), zij drongen samen op(1), Hij had gezegd(1), Hij trok rond(1), gaf(1), genazen(1), koesterde wrok(1), wreven in(1), zij wierpen uit(1), verkondigden(1), kon(1), zij wilde(1), viel neer(1), vielen zij neer(1), zag{en}(1), hadden(1), Hij deed(1), riep(1), gelastte Hij streng(1), hij had gemeenschap met(1), droeg(1), Hij onderwees(1), sprak(1), lette op(1)

hebben..
G2192hebben
houden, waren, zijn

V-IAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) had..
gebruikte vertalingenhad(3), hij had(2), waren(1), zij had(1), was(1), het had(1), hield(1)
de  
 
το
to
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASN
o ev lw acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(132), het(96), -(13), dat(8), wat(8), deze(1)
kleding  
 
ενδυμα
enduma
G1742..
gebruikte vertalingenkleding(6), kleren(1)

kleding..
G1742kleding
kleren

N-ASN
o ev zn acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

kleding..
gebruikte vertalingen
van hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
van  
 
απο
apo
G575..
gebruikte vertalingenvan(73), uit(33), vanaf(19), voor(11), aan(9), weg(7), vanuit(4), {door}(3), vandaan(3), -(2), vanwege(2), {op}(2), door(1), {bij}(1)

van(uit)..
G575van(uit)
uit, vanaf, voor, aan, weg, vanwege, vandaan

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

van(uit)..
gebruikte vertalingenvan(53), uit(31), vanaf(13), voor(11), weg(6), aan(6), vanuit(4), {door}(3), vandaan(2), {op}(2), vanwege(2), door(1), {bij}(1), -(1)
haar  
 
τριχων
trichòn
G2359..
gebruikte vertalingenhaar(3), haren(1)

haar..
G2359haar
hoofdhaar*

N-GPF
v mv zn gen..
woordvormvrouwelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) haar..
gebruikte vertalingen
van kameel  
 
καμηλου
kamèlou
G2574..
gebruikte vertalingenvan kameel(2), kameel(2), een kameel(1)

kameel..
G2574kameel

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) kameel..
gebruikte vertalingenvan kameel(2)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
een gordel  
 
ζωνην
zònèn
G2223..
gebruikte vertalingeneen gordel(2), gordelbeurs(1), gordelbeurzen(1)

gordel..
G2223gordel
gordelbeurs
Een gordel diende niet alleen om kledingstukken te omgorden, maar ook om geld in mee te nemen want ze was hol.

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

gordel..
gebruikte vertalingeneen gordel(2), gordelbeurs(1)
leren  
 
δερματινην
dermatinèn
G1193..
gebruikte vertalingenleren(2)

leren..
G1193leren
lederen*

A-ASF
v ev bn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
acusatief

leren..
gebruikte vertalingenleren(2)
om  
 
περι
peri
G4012..
gebruikte vertalingenover(18), vanwege(6), om heen(5), rond(5), om(3), betreffende(3), {van}(2), betreft(2), op(2), omstreeks(1), {naar}(1), {omgeving}(1), {met}(1)

over..
G4012over
rond, om(heen), vanwege, betreffende, na, {voor}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

over..
gebruikte vertalingenover(18), vanwege(6), om heen(5), rond(5), om(3), betreffende(3), {van}(2), betreft(2), op(2), omstreeks(1), {naar}(1), {omgeving}(1), {met}(1)
de  
 
την
tèn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASF
v ev lw acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(226), het(103), -(8), dat(5), {wie}(1), wat(1)
lendenen  
 
οσφυν
osphun
G3751..
gebruikte vertalingenlendenen(2)

lende..
G3751lende
heup

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

lendenen..
gebruikte vertalingenlendenen(2)
van hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
het  
 
η
è
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSF
v ev lw nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(119), het(56), -(8), die(5), deze(2), dit(1), dat(1)
en  
 
δε
de
G1161..
gebruikte vertalingenmaar(323), en(204), toen(84), nu(65), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)

maar..
G1161maar
en, toen, nu, terwijl, ook, bovendien, -

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

maar..
gebruikte vertalingenmaar(311), en(202), toen(84), nu(64), ook(9), terwijl(8), -(7), bovendien(5), dan(1)
voedsel  
 
τροφη
trophè
G5160..
gebruikte vertalingenvoedsel(4)

voedsel..
G5160voedsel

N-NSF
v ev zn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

voedsel..
gebruikte vertalingen
van hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
was  
BZ_TR_T-
ην
èn
G2258..
gebruikte vertalingenwas(26), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), er waren(3), het was(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), had{den}(2), {werd}(2), was het(2), {kwamen}(1), {kwam}(1), was geweest(1), {hielden}(1), er hadden(1), was Hij(1), {bleef}(1), zij was(1)
 G5713..
gebruikte vertalingenwas(26), verklaarde(14), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), Ik was(3), het was(3), er waren(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), was het(2), {werd}(2), had{den}(2), zij was(1), {kwam}(1), {kwamen}(1), was Ik(1), was geweest(1), Hij verklaarde(1), wij hadden {geleefd}(1), er hadden(1), wij waren geweest(1), was Hij(1), {bleef}(1), hij verklaarde(1), {hielden}(1)

waren..
G2258waren
hadden

V-IXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) was..
gebruikte vertalingenwas(24), Hij was(6), er was(6), -(5), hij was(5), het was(3), was het(2), zou zijn geweest(2), had{den}(2), Hij had(2), {werd}(2), was geweest(1), {kwam}(1), zij was(1), {bleef}(1), waren(1), was Hij(1), er waren(1)
sprinkhanen  
 
ακριδες
akrides
G200..
gebruikte vertalingensprinkhanen(2)

sprinkhaan..
G200sprinkhaan
(mogelijk:) peulvrucht*

N-NPF
v mv zn nom..
woordvormvrouwelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

sprinkhanen..
gebruikte vertalingen
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
honing  
 
μελι
meli
G3192..
gebruikte vertalingenhoning(2)

honing..
G3192honing

N-NSN
o ev zn nom..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

honing..
gebruikte vertalingen
van het veld  
 
αγριον
agrion
G66..
gebruikte vertalingenvan het veld(2)

van het veld..
G66van het veld
wilde*

A-NSN
o ev bn nom..
woordvormonzijdig
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

wilde..
gebruikte vertalingen


Afwijkingen
BZ_TR_T-andere plaats, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)