Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   

HSV
(TR)
En hij predikte en zei: Na mij komt Hij Die sterker is dan ik, bij Wie ik het niet waard ben neer te bukken en de riem van Zijn sandalen los te maken.
NBV
(NA27)
Hij verkondigde: 'Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riemen van zijn sandalen los te maken.
NBG51
(N(A))
En hij predikte en zeide: Na mij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben, nederbukkende, los te maken.
NW
(WH)
En hij predikte en zei: 'Na mij komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig mij te bukken en de riemen van zijn sandalen los te maken.
RBV
(BZ+)
En hij verkondigde [en] zei: 'Na mij komt Hij Die sterker is dan ik. [En] ik ben [zelfs] niet waardig om voor Hem neer te bukken om de riem van Zijn sandalen te ontbinden.
RBVI
(BZ+)
en    hij verkondingde    zei    komt Hij    die    sterker is    {dan} ik    na    mij    {voor Hem}    niet    ik ben    waardig    om neer te bukken    om te ontbinden    de    riem    van de    sandalen    van Hem  


en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
hij verkondingde  
 
εκηρυσσεν
ekèrussen
G2784..
gebruikte vertalingente verkondigen(4), verkondigde(3), wordt verkondigd(2), hij verkondigde(2), verkondigden(1), zij verkondigden(1), verkondingen(1), verkondingden(1), om te verkondigen(1), verkondigd worden(1), hij verkondingde(1), verkondig(1), verkonding(1), zal verkondigd worden(1), Ik kan verkondigen(1), Hij verkondigde(1)
 G5707..
gebruikte vertalingenzeiden(14), Hij zei(9), zei(8), zij zeiden(5), zei Hij(5), wilde(4), zeiden zij(4), Hij sprak(3), vroeg Hij(3), Hij gaf(3), riepen(3), had(3), zochten(3), hij zei(3), vroegen(3), gaf onderwijs(3), hadden zij(2), hij smeekte(2), verwonderden(2), vroeg(2), zij wilden(2), sloegen(2), volgde(2), lasterden(2), zij zwegen(2), zij zochten(2), bedienden(2), spreidden uit(2), hield(2), Hij vroeg(2), gaf te drinken(2), berispten(2), verweten(2), zij brachten naar(2), hij had(2), had gezegd(2), hij betoonde eer(2), sprak Hij(2), kapten(2), zij zei(2), bracht voort(2), trok rond door(2), smeekten(2), zij riepen(2), smeekte(2), zij hadden gelegenheid(1), HIj onderwees(1), verwonderd(1), Hij wilde(1), zij begrepen niet(1), gaf Hij onderwijs(1), riep hij(1), zegende(1), waren gevolgd(1), hij luisterde(1), zij hoorden(1), zij legden(1), waren(1), zij hadden(1), zij verkondigden(1), hij sprak(1), zagen(1), hadden bediend(1), zei hij(1), zij vroegen(1), zij smeekten(1), hij volgde(1), zij vroeg(1), zij gaven(1), hij wist(1), een vals getuigenis aflegden(1), legden een vals getuigenis af(1), zij sloegen(1), zij vonden er(1), deed(1), liet hij vrij(1), beschuldigden(1), begon te wenen(1), {brachten}(1), bevroeg(1), Hij zweeg(1), volgde van nabij(1), spuwden(1), eer te betonen(1), had de moed(1), zij {vonden}(1), Hij begon te onderwijzen(1), Hij liet toe(1), luisterde(1), Hij zag(1), zij slachten(1), deed hij(1), hij zocht(1), zij had(1), wierpen(1), hoorden(1), legde Hij uit(1), te bespotten(1), hij wilde(1), zweeg(1), zocht hij(1), hield tegen(1), bewaakten(1), hij verkondingde(1), Hij gaf onderwijs(1), was(1), liet toe(1), brachten zij(1), zij bediende(1), vielen in slaap(1), {die} hielden(1), zij lachten uit(1), ging voor uit(1), lag te slapen(1), bediende(1), eer betonen(1), het had(1), zij hielden(1), wilde hij(1), zij klagen(1), te wurgen(1), schuldig was(1), verzochten(1), zij hielden nauwlettend in de gaten(1), hielden zij(1), ging lopen(1), Hij verwonderde(1), lachten zij uit(1), zij drongen samen op(1), Hij had gezegd(1), Hij trok rond(1), gaf(1), genazen(1), koesterde wrok(1), wreven in(1), zij wierpen uit(1), verkondigden(1), kon(1), zij wilde(1), viel neer(1), vielen zij neer(1), zag{en}(1), hadden(1), Hij deed(1), riep(1), gelastte Hij streng(1), hij had gemeenschap met(1), droeg(1), Hij onderwees(1), sprak(1), lette op(1)

verkondingen..
G2784verkondingen

V-IAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) verkondingde..
gebruikte vertalingenhij verkondingde(1)
zei  
 
λεγων
legòn
G3004..
gebruikte vertalingenzei(150), zeiden(64), Ik zeg(62), Hij zei(38), zij zeiden(24), zeggen(20), hij zei(14), zei Hij(14), te zeggen(13), zeg(11), zegt(10), wordt genoemd(10), zeg Ik(10), zeiden zij(9), vroegen(7), zij vroegen(4), werd genoemd(4), zij zei(4), zij zeggen(3), zei hij(3), te spreken(2), had gezegd(2), noemt u(2), vroeg(2), ik zeg(2), Hij had gezegd(1), vraagt(1), jullie noemen(1), sprak(1), genoemd werd(1), jullie spreken(1), vertelden(1), noemt(1), heeft gezegd(1), spreekt(1), hij zegt(1), gezegd(1), zegt hij(1), zeggen jullie(1), vraag(1), HIj zei(1), te kunnen zeggen(1), hij vroeg(1), zei{den}(1), u spreekt(1), vroegen zij(1), jullie zeggen(1), Hij vroeg(1), {luidde}(1)
 G5723..
gebruikte vertalingenzei(80), zeiden(45), heeft(11), had(9), zeggen(9), vroegen(7), er waren(6), sprak(6), hoort(5), om op de proef te stellen(5), slapend(5), hij zei(4), aten(4), zij zeiden(4), te hebben(4), zaaier(4), toeziet(3), doet(3), voortbrengt(3), geloven(3), horen(3), Hij liep(3), verkondigde(3), zegt(3), te zeggen(3), uitwerpen(3), bezittingen(3), zeg(3), zagen(2), zij hadden(2), overgebleven(2), toeroepen(2), zou(2), liefheeft(2), begrijpt(2), levende(2), zij onderwijzen(2), kwaadspreekt(2), lopen(2), onrein {maakt}(2), verkopers(2), opbouwt(2), Hij afbreekt(2), schudden(2), {te} werpen(2), spotten(2), toekeken(2), zij volgden(2), jullie hebben(2), eten(2), doopte(2), ging overleveren(2), hij overlevert(2), van levenden(2), onderwijs gaf(2), spreken(2), verkochten(2), heiligt(2), het leest(2), dorst(2), de borst geven(2), zijn(2), afdaalden(2), bouwers(2), vragen(2), zij sterk zijn(2), zoekt(2), zij er zijn(2), leidt(2), zij zochten(2), volgden(2), wil(2), onderwijs gegeven(2), vraagt(2), Hij gaf onderwijs(2), hij verkondigde(2), genas(2), komende(2), riepen(2), roept(2), neerdalen(2), hebben(2), schreeuwen(1), sneed(1), zij horen(1), zij houden vast aan(1), zij hoedden(1), lag te slapen(1), ontkennen jullie autoriteit(1), gezond van verstand(1), geween(1), gejammer(1), gaan(1), hoorden(1), zij kijken(1), beefde(1), gingen(1), stapte(1), samendringen op(1), verzwakt zijn(1), vasten(1), doop(1), {bewakers}(1), onderwijs(1), hij at(1), Hij omhoog kwam(1), licht begon te worden(1), Hij leefde(1), herstellen(1), beproever(1), zij bewaakten(1), om te bedienden(1), waren aan het herstellen(1), met koorts(1), is rein(1), te plukken(1), om te roepen(1), kwam op(1), Hij verder ging(1), brengen(1), Hij verkondigde(1), wierp uit(1), hij smeekte(1), viel op de knielen(1), het groeide(1), overschaduwde(1), overvloed(1), {hebben} geworpen(1), jullie te overleveren(1), uit gevallen(1), zeer verontwaardigd(1), verslinden(1), willen(1), hij had(1), hij stierf(1), discussiëren(1), Hij onderwijs gaf(1), draagt(1), eet(1), bevestigde(1), meewerkte(1), vergezelden(1), zwijgen(1), wachtte op(1), wandelden(1), weenden(1), onderwijs aan het geven(1), zij {vielen}(1), {voorbijganger}(1), treurden(1), zij doden(1), zij afranselden(1), schuim(1), zij renden naar(1), gelooft(1), uitwierp(1), te hebbem(1), ondervroegen(1), bespraken zij(1), weende {om}(1), zij lopen rond(1), stralend(1), in gesprek(1), brachten(1), legde(1), maken jullie los(1), zij voor uit gingen(1), zij kochten(1), rondliep(1), {te bedelen}(1), nemen(1), zij hebben(1), gingen op(1), ging voor uit(1), wilde(1), verzochten zij(1), HIj zei(1), smeekte(1), ik heb(1), vallen(1), vinden(1), spraken(1), gezegd(1), hij zag(1), hij wilde(1), koorst hebben(1), er gegeten(1), liep(1), liepen(1), gegeten(1), omhoog komt(1), vraag(1), bezorgd te zijn(1), hij {kon}(1), vroeg(1), eisten(1), somber(1), klopt(1), zij waren in gesprek waren(1), op de knielen viel(1), doen(1), verzamelen(1), hij drinkt(1), hij eet(1), Hij eet(1), Hij drinkt(1), zwoegen(1), aan een bloedvloeiing leed(1), ging verder(1), spreekt(1), {hen} doden(1), opdrachten te geven(1), zij dragen(1), bijeen brengt(1), zoek(1), zaait(1), zij aan het hoeden waren(1), aanneemt(1), {zaaide}(1), kijken(1), verder ging(1), het leegstaan(1), zij verlangden(1), zij verlangen(1), zien(1), u vast(1), vast(1), verkopen(1), een lange tijd uitbleef(1), naar het buitenland gaat(1), u oogst(1), u brengt bijeen(1), {hen} dronken zijn(1), handelend(1), dronken(1), zij trouwden(1), werden uitgehuwelijkt(1), malen(1), honger(1), welwillend(1), te onderwijzen(1), zeiden zij(1), zij zei(1), {had} over{ge}leverd(1), die verzwakt zijn(1), zij treuren(1), honger hebben(1), dorsten(1), overleveren(1), zij hongeren(1), zij aten(1), kijkt(1), kochten(1), zij vasten(1), liefhebben(1), zuigelingen(1), Hij terugkeerde(1), zei{den}(1), voor uit gingen(1), oordelen(1), op ging(1), zij betoonde eer(1), Hij zei(1), vervolgen(1), zij vroegen(1), doodt(1), stenigt(1), vroegen zij(1), scheidt van(1), doorslikken(1), uitziften(1), was(1), u draagt(1), valselijk beschuldigen(1), haten(1), {luidde}(1)

zeggen..
G3004zeggen
noemen, vragen, spreken, vertellen

V-PAP-NSM
m ev ww act..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
actief

(hij) zei..
gebruikte vertalingenzei(63), hij zei(4), te zeggen(2), zeggen(1), Hij zei(1), vroeg(1), HIj zei(1), zegt(1), gezegd(1)
komt Hij  
 
ερχεται
erchetai
G2064..
gebruikte vertalingenkwam(30), komt(22), zij kwamen(14), komen(13), kwamen(13), Hij kwam(10), kom(6), is gekomen(6), Ik ben gekomen(5), Hij komt(5), kwam Hij(5), zij kwam(4), gekomen is(4), kwam er(3), er kwam(3), te komen(3), kwam{en}(3), kwamen zij(3), hij komt(3), om te komen(2), komende(2), Hij ging(2), er zullen komen(2), zullen komen(2), gingen(2), laat komen(2), er ontstonden(2), was gekomen(2), bent U gekomen(2), gaan(1), {wordt gehaald}(1), komt Hij(1), gingen zij(1), bleven zij komen(1), het komt(1), was {geworden}(1), er kwamen(1), hij zal komen(1), zijn gekomen(1), gekomen(1), gekomen was(1), {komst}(1), zij gingen(1), Ik gekomen ben(1), wij zijn gekomen(1), komen zou(1), ik ben gekomen(1), gekomen waren(1), was gegaan(1), hij kwam(1), kan komen(1), zijn wij gekomen(1), jullie zijn gekomen(1), die komt(1), kunnen komen(1)
 G5736..
gebruikte vertalingenkan(17), komt(14), kwam(8), zij kwamen(8), kunnen jullie(6), ontvangt(5), wordt(4), Hij kwam(4), kwamen(4), overleggen jullie(3), pleegt overspel(3), kwam Hij(3), Ik kan(3), antwoordt U(3), komen voort(2), vereren zij(2), Ik heb medelijden(2), kunnen wij(2), kunnen(2), het wordt(2), kwamen samen(2), komen(2), kunt U(2), worden(2), ligt(1), Hij ging binnen(1), Hij riep bij Zich(1), het komt(1), ontstond er(1), {wordt gehaald}(1), kan hij(1), aannemen(1), {terecht} komt(1), riep bij Zich(1), er kwam samen(1), U kan(1), kan Hij(1), kan er(1), gingen naar(1), ik weet(1), gebeurt(1), pleegt zij overspel(1), kunnen zij(1), er kwamen(1), kwamen zij(1), U kunt(1), er wordt {gehangen}(1), komen uit(1), komt Hij(1), overdenken(1), zij is door een demon bezeten(1), hij heeft epilepsie(1), gaat uit(1), hij komt(1), komt voort(1), kwamen er naar(1), kwamen naar(1), gaat hij(1), gaat hij heen(1), hij wordt(1), vrezen wij(1), komen er binnen(1), Hij kan(1), zij gingen binnen(1), er kwam(1), overspel pleegt(1), er ontstond(1), hij gaat(1), u kunt(1), plaatsvindt(1), hij kwam(1), kom(1), overlegden(1)

komen..
G2064komen
gaan, onstaan

V-PNI-3S
ev ww med/pas-d..
woordvormenkelvoud
werkwoord
medium/passief-deponent

(hij/zij/het) komt..
gebruikte vertalingenkomt(12), kwam(5), Hij kwam(4), kwam Hij(3), {wordt gehaald}(1), er kwam(1), hij kwam(1), komen(1), hij komt(1), komt Hij(1)
die  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
sterker is  
 
ισχυροτερος
ischuroteros
G2478..
gebruikte vertalingensterke(5), sterker is(1), sterker(1)

sterke..
G2478sterke

A-NSM-C
bn nom..
woordvormbijvoegelijk-naamwoord
nominatief

sterker..
gebruikte vertalingensterker is(1), sterker(1)
{dan} ik  
 
μου
mou
G3450..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)

mij..
G3450mij
ik

P-1GS
ev pn gen..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) mij..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)
na  
 
οπισω
opisò
G3694..
gebruikte vertalingenachter(5), na(4), {volg}(2), achterna(1), terug(1)

achter..
G3694achter
na, terug, later, {volg}

ADV
bw..
woordvormbijwoord

na..
gebruikte vertalingenachter(5), na(4), {volg}(2), achterna(1), terug(1)
mij  
 
μου
mou
G3450..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)

mij..
G3450mij
ik

P-1GS
ev pn gen..
woordvormenkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) mij..
gebruikte vertalingenvan Mij(74), van mij(24), van MIJ(16), Mij(12), mij(3), {dan} ik(2), voor Mij(1), {naar} Mij(1), {voor} Mij(1)
{voor Hem}  
 
ου
ou
G3739..
gebruikte vertalingenwie(54), wat(51), die(46), dat(21), welke(5), waar{mee}(4), waar(4), Wie(4), aan de(3), de(3), Die(3), -(3), {voor Hem}(2), {hen}(2), aan wie(2), waarvan(2), van wie(2), waarover(1), voor wie(1), waarin(1), hij(1), deze(1), {iemand}(1), van {Hem}(1), waar{op}(1), het(1), welk(1), {als}(1)

wie..
G3739wie
wat, welke, waar, die, dat, deze, de

R-GSM
m ev vnw-rl gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
voornaamwoord-relatief
genetief

(van) wie..
gebruikte vertalingenwie(5), -(2), wat(2), {voor Hem}(2), dat(1), het(1), van {Hem}(1), van wie(1)
niet  
 
ουκ
ouk
G3756..
gebruikte vertalingenniet(256), geen(45), geens(13), zeker(12), nee(4), ?(1), -(1), {alleen}(1), niet{s}(1)

niet..
G3756niet
geen, geens[zins], zeker [niet], nee, niet{s}

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(145), geen(21), -(1), ?(1), nee(1), {alleen}(1), niet{s}(1), geens(1)
ik ben  
 
ειμι
eimi
G1510..
gebruikte vertalingenben(10), ik ben(3), Ik ben(2), wij hadden {geleefd}(1), is(1), wij waren geweest(1), ben het(1), ik ben het(1), ben Ik(1)
 G5748..
gebruikte vertalingenis(111), zijn(27), het is(23), bent(13), ben(10), betekent(10), is het(9), er is(7), Hij is(7), zij zijn(6), U bent(6), u bent(6), er zijn(5), zijn jullie(4), {hebben}(3), ze is(3), ik ben(3), zijn zij(2), was(2), Hij was(2), -(2), het betekent(2), is er(2), {komt}(2), Ik ben(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), jullie zijn(1), bent u hier(1), jullie {toebehoren}(1), het was(1), wij zijn(1), is hij(1), verklaarde zij(1), hij is(1), ik ben het(1), zij er zijn(1), ben het(1), het bent(1), is Hij(1), zijn er(1), ben Ik(1), bent u(1), {kan} Hij {zijn}(1)

ben..
G1510ben

V-PXI-1S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(ik) ben..
gebruikte vertalingenben(10), ik ben(3), Ik ben(2), ben Ik(1), ben het(1), ik ben het(1)
waardig  
 
ικανος
ikanos
G2425..
gebruikte vertalingenwaardig(2), {voldoening}(1), aanzienlijke(1), voldoende(1), waard(1)

waard(ig)..
G2425waard(ig)
voldoende, {aanzienlijk}

A-NSM
m ev bn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

waardig..
gebruikte vertalingenwaardig(2), waard(1)
om neer te bukken  
 
κυψας
kupsas
G2955..
gebruikte vertalingenom neer te bukken(1)
 G5660..
gebruikte vertalingenhoorden(15), hoorde(11), dankte(5), riep(4), strekte uit(4), keek aan(3), standhoudt(3), zond(3), zij hoorden(3), zweert(3), keek op(2), opkwam(2), vulde(2), Hij had weggestuurd(2), zij voeren over(2), vroeg de zegen(2), zij een lofzang hadden gezongen(2), maak los(2), zij aan een paal hadden gehangen(2), zij bonden(2), zij hadden gehoord(2), hij zond(2), gezonden heeft(2), Hij keek op(1), Hij zuchtte diep(1), gespuwd te hebben(1), had aangehoord(1), zij behaagde(1), hij keek op(1), pakte(1), stuiptrekkingen {bezorgend}(1), schreewend(1), had uitgezonden(1), Hij spuwde(1), Hij pakte(1), hij riep(1), tilde op(1), zij {maakten open}(1), hield vast(1), was gevaren(1), had uitgegeven(1), Hij ging zitten(1), gedaan had(1), zij had gehoord(1), het hoorde(1), neem op(1), Hij riep(1), hij had de moed(1), zij vlochten hadden(1), liet zweepslagen geven(1), hielden(1), hij kocht(1), was opgegaan(1), geloven(1), niet gelooft(1), gelooft(1), zij opkeken(1), kijk zij aan(1), scheurde(1), stenigde zij(1), hij hoorde(1), hij werd somber(1), schreeuwend(1), had horen(1), was gaan zitten(1), Hij terugkwam(1), Hij vroeg de zegen(1), zij brak(1), te kunnen grijpen(1), viel op de knielen(1), verzegelde(1), trouwt(1), {SCHEPPER}(1), hij greep(1), open(1), Hij opende(1), volgen(1), Hij vastte(1), ging zitten(1), hebben vergedragen(1), hij overeengekomen was(1), zij {opsloegen}(1), sluit(1), zij gingen zitten(1), trokken zij(1), zaaide(1), had hoorde(1), had gegrepen(1), hij {liet}(1), gaf opdracht(1), verliest(1), Hij brak(1), Hij gaf opdracht(1), deden(1), onbekommerd(1), zij trokken uit(1), liet hij zweepslagen geven(1), wierp hij(1), zij openden(1), vlochten zij(1), zij vielen op de knielen(1), om neer te bukken(1), Hij strekte uit(1), hij had gerold(1), zij spuwden(1), geraakt heeft(1), zij gegrepen hadden(1), overleden was(1), trouwde(1), bind(1), grepen(1), woont in(1), vermoord hebben(1), sloeg(1), vertrokken waren(1), zond uit(1), hij indoopt(1), deed stuiptrekken(1)

(neer) bukken..
G2955(neer) bukken

V-AAP-NSM
m ev ww act..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
actief

(hij) (neer) te bukken..
gebruikte vertalingenom neer te bukken(1)
om te ontbinden  
 
λυσαι
lusai
G3089..
gebruikte vertalingenontbindt(2), maak los(2), ontbonden(2), maken jullie los(1), zij maakten los(1), om te ontbinden(1), jullie ontbinden(1), losgemaakt(1)
 G5658..
gebruikte vertalingenredden(4), kraait(4), om te halen(4), te scheiden(3), om te ontbinden(3), om te roepen(3), doen(3), plunderen(2), om te doen(2), te spreken(2), om te horen(2), om te bedienen(2), om te vragen(2), om te tonen(2), te waken(2), te grijpen(2), ter dood te laten brengen(2), zitten(2), onrein maken(2), om te berichten(2), ter dood laten brengen(2), om te scheiden van(2), om te vervullen(2), rein maken(2), te bevragen(1), om te kunnen verzadigen(1), zij heeft gezalfd(1), doe(1), aan paal gehangen te worden(1), om te schrijven(1), om te kijken naar(1), te zweren(1), opbouwen(1), spreken(1), afwijzen(1), gesproken had(1), {geven}(1), afbreken(1), roepen tot(1), kwaadspreken(1), om te vernietigen(1), binden(1), om te zaaien(1), in bewang houden(1), voorbereiding op begravenis(1), wit maken(1), om mee te gaan(1), om te grijpen(1), geloven(1), dichtbij komen(1), om te gaan zitten(1), om goed te doen(1), om slecht te doen(1), ter doden(1), te redden(1), weer kijken(1), zouden geloven(1), te pijnigen(1), begraven(1), te begraven(1), doden(1), vernietigen(1), te verbranden(1), onthullen(1), om tweedracht(1), het vragen(1), maken(1), om te doden(1), om terug te keren(1), om eer te betonen(1), kan verwekken(1), {te ontdoen}(1), zweert(1), om te verlangen(1), met verwondering(1), weg te sturen(1), in het openbaar ten schande maken(1), aan een paal te hangen(1), te geselen(1), beroeren(1), om te maken(1), om te misleiden(1), te doen(1), te bespotten(1), te trouwen(1), genezen(1), te tonen(1), wij kunnen verzadigen(1), om te redden(1), houden(1), om te scheiden(1), barmhartig zijn(1), om te kopen(1)

ontbinden..
G3089ontbinden
losmaken, verbreken*

V-AAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

om te ontbinden..
gebruikte vertalingenom te ontbinden(1)
de  
 
τον
ton
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASM
m ev lw acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(263), het(76), -(23), die(7), DIE(4), dat(3), Die(2), wat(1)
riem  
 
ιμαντα
imanta
G2438..
gebruikte vertalingenriem(1)

riem..
G2438riem

N-ASM
m ev zn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

riem..
gebruikte vertalingenriem(1)
van de  
 
των
tòn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GPN
o mv lw gen..
woordvormonzijdig
meervoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingenvan de(24), de(19), het(5), die(3), van die(2), dan de(2), van het(1), op het(1), over de(1)
sandalen  
 
υποδηματων
upodèmatòn
G5266..
gebruikte vertalingensandalen(3)

sandaal..
G5266sandaal

N-GPN
o mv zn gen..
woordvormonzijdig
meervoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) sandalen..
gebruikte vertalingensandalen(1)
van Hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)