Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   

HSV
(TR)
Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan totdat al deze dingen gebeurd zijn.
NBV
(NA27)
Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.
NBG51
(N(A))
Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt.
NW
(WH)
Voorwaar, ik zeg U dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan voordat al deze dingen geschieden.
RBV
(BZ+)
Voorwaar, ik zeg jullie dat deze generatie zeker niet voorbij gaat voordat al deze [dingen] gebeuren.
RBVI
(BZ+)
voorwaar    Ik zeg    jullie    dat    zeker    niet    gaat voorbij    de    een generatie    deze    voordat    wie    al    deze    gebeuren  


voorwaar  
 
αμην
amèn
G281..
gebruikte vertalingenvoorwaar(45), amen(3)

amen..
G281amen
voorwaar

HEB
hebr..
woordvormhebreeuws

amen..
gebruikte vertalingenvoorwaar(45), amen(3)
Ik zeg  
 
λεγω
legò
G3004..
gebruikte vertalingenzei(150), zeiden(64), Ik zeg(62), Hij zei(38), zij zeiden(24), zeggen(20), hij zei(14), zei Hij(14), te zeggen(13), zeg(11), zegt(10), wordt genoemd(10), zeg Ik(10), zeiden zij(9), vroegen(7), zij vroegen(4), werd genoemd(4), zij zei(4), zij zeggen(3), zei hij(3), te spreken(2), had gezegd(2), noemt u(2), vroeg(2), ik zeg(2), Hij had gezegd(1), vraagt(1), jullie noemen(1), sprak(1), genoemd werd(1), jullie spreken(1), vertelden(1), noemt(1), heeft gezegd(1), spreekt(1), hij zegt(1), gezegd(1), zegt hij(1), zeggen jullie(1), vraag(1), HIj zei(1), te kunnen zeggen(1), hij vroeg(1), zei{den}(1), u spreekt(1), vroegen zij(1), jullie zeggen(1), Hij vroeg(1), {luidde}(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

zeggen..
G3004zeggen
noemen, vragen, spreken, vertellen

V-PAI-1S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(ik) zeg..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zeg Ik(10), zeg(8), ik zeg(2)
jullie  
 
υμιν
umin
G5213..
gebruikte vertalingenjullie(114), voor jullie(15), aan jullie(8), tot jullie(6), voor {u}zelf(2), {met} jullie(1)

(tot) jullie..
G5213(tot) jullie
voor jullie, aan jullie

P-2DP
mv pn dat..
woordvormmeervoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) jullie..
gebruikte vertalingenjullie(114), voor jullie(15), aan jullie(8), tot jullie(6), voor {u}zelf(2), {met} jullie(1)
dat  
 
οτι
oti
G3754..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)

(om)dat..
G3754(om)dat
want, -, waarom

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

dat..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)
zeker  
 
ου
ou
G3756..
gebruikte vertalingenniet(256), geen(45), geens(13), zeker(12), nee(4), ?(1), -(1), {alleen}(1), niet{s}(1)

niet..
G3756niet
geen, geens[zins], zeker [niet], nee, niet{s}

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(99), geen(21), zeker(12), geens(12), nee(3)
niet  
 
μη

G3361..
gebruikte vertalingenniet(126), geen(28), zins(17), -(16), dan(7), alleen(6), behalve(2), {zonder}(1), {in geval}(1), zeker(1), {anders}(1), soms(1)

niet..
G3361niet
geen, [geen]zins, zeker[geen], dan, alleen, behalve, soms

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(126), geen(28), zins(17), -(16), dan(7), alleen(6), behalve(2), {zonder}(1), {in geval}(1), soms(1)
gaat voorbij  
 
παρελθη
parelthè
G3928..
gebruikte vertalingengaat voorbij(3), gaan voorbij(2), voorbij gaan(2), voorbij kon gaan(1), laat voorbijgaan(1), {zullen} voorbijgaan(1), zullen voorbijgaan(1), gaan(1), is voorbijgegaan(1), voorbijgaa{n}(1)
 G5632..
gebruikte vertalingenzegt(9), te eten(5), komt(4), zien(3), jullie binnenkomen(3), Ik drink(3), zij zien(3), gaat voorbij(3), wij zeggen(3), uit te werpen(2), jullie zien(2), te vertellen(2), moeten wij betalen(2), jullie vertrekken(2), vraagt(2), zij zeggen(2), IK plaats(2), valt(2), u vertelt(2), gaan voorbij(2), jullie vergeven(2), laten wij zien(2), hij terugbetaald zou hebben(2), overlevert(2), vertel(2), over te kunnen leveren(2), sterft(2), kom(2), zij kunnen zien(2), jullie komen(2), Hij komt(1), zij konden voorzetten(1), U kan leggen op(1), wij in kunnen gaan(1), laten wij gaan(1), kunnen wij vergelijken(1), te laten weten(1), u geeft(1), leggen op(1), was opgestaan(1), geven(1), voor te zetten(1), droeg(1), zij wegleiden(1), zij opstaan(1), zij zijn opgestaan(1), moet nemen(1), vind(1), binnengaat(1), zij drinken(1), wij zien(1), voorbij kon gaan(1), Ik kan eten(1), nalaat(1), achterlaat(1), ontvangt(1), kan binnenkomen(1), te weten zou komen(1), kan vastgrijpen(1), heeft opgelevert(1), hij zegt(1), Ik kan bekijken(1), om in ontvangst te nemen(1), zeggen wij(1), vergeeft(1), Hij moet lijden(1), jullie zeggen(1), U komt(1), werp(1), geef(1), te vertrekken(1), HIJ uitzendt(1), Hij neemt weg(1), ga binnen(1), ga(1), mij halen(1), kunnen wij drinken(1), voorbijgaa{n}(1), spreken(1), ik zeg(1), u zult uitkomen(1), u hebt betaald(1), kunnen we eten(1), jullie drinken(1), jullie eten(1), uitgaat(1), kunnen begrijpen(1), zou zeggen(1), moeten jullie naar toe gaan(1), jullie vinden(1), over te leveren(1), te zeggen(1), het komt(1), zij moeten gaan(1), zouden zeggen(1), zien jullie(1), kunnen jullie ontkomen(1), {vergeeft}(1), kunnen jullie binnenkomen(1), is opgestaan(1), Hij kon leggen op(1), zeggen(1), jullie kunnen vinden(1), behouden(1), jullie vertellen(1), werpt(1)

voorbijgaan..
G3928voorbijgaan

V-2AAS-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) (gaat voorbij)..
gebruikte vertalingengaat voorbij(3), voorbij kon gaan(1), voorbijgaa{n}(1)
de  
 
η
è
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSF
v ev lw nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(119), het(56), -(8), die(5), deze(2), dit(1), dat(1)
een generatie  
 
γενεα
genea
G1074..
gebruikte vertalingengeneratie(9), generaties(5), een generatie(3), aan generatie(1)

generatie..
G1074generatie
afstamming*, geslacht*

N-NSF
v ev zn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

generatie..
gebruikte vertalingeneen generatie(3), generatie(2), aan generatie(1)
deze  
 
αυτη
autè
G3778..
gebruikte vertalingendeze(40), dit(23), die(17), Dit(8), Deze(6), dat(3), {éne}(1)

deze..
G3778deze
dit, die, dat

D-NSF
v ev vnw-d nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
voornaamwoord-demonstratief
nominatief

dit..
gebruikte vertalingendit(6), deze(6), die(3)
voordat  
 
μεχρις
mechris
G3360..
gebruikte vertalingentot op(2), voordat(1), tot aan(1)

tot op..
G3360tot op
tot aan

ADV
bw..
woordvormbijwoord

(voordat)..
gebruikte vertalingenvoordat(1)
wie  
 
ου
ou
G3739..
gebruikte vertalingenwie(54), wat(51), die(46), dat(21), welke(5), waar{mee}(4), waar(4), Wie(4), aan de(3), de(3), Die(3), -(3), {voor Hem}(2), {hen}(2), aan wie(2), waarvan(2), van wie(2), waarover(1), voor wie(1), waarin(1), hij(1), deze(1), {iemand}(1), van {Hem}(1), waar{op}(1), het(1), welk(1), {als}(1)

wie..
G3739wie
wat, welke, waar, die, dat, deze, de

R-GSM
m ev vnw-rl gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
voornaamwoord-relatief
genetief

(van) wie..
gebruikte vertalingenwie(5), -(2), wat(2), {voor Hem}(2), dat(1), het(1), van {Hem}(1), van wie(1)
al  
BZ_TR_T-
παντα
panta
G3956..
gebruikte vertalingenal(46), allen(38), alles(36), heel(18), elke(13), ieder(12), alle(9), van allen(6), allemaal(4), elk(3), iedere(3), enkel(2), van alle(2), voor al(2), allerlei(2), dan allen(1), tot allen(1), bij ieder(1), onder allen(1), op allen(1), al{tijd}(1), hele(1)

al..
G3956al
alle, alles, allemaal, allerlei, elk, ieder, heel, enkel

A-NPN
o mv bn nom..
woordvormonzijdig
meervoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

al..
gebruikte vertalingenalles(9), al(7), allemaal(1)
deze  
 
ταυτα
tauta
G5023..
gebruikte vertalingendeze(34), {dit}(2)

deze..
G5023deze
{dit}

D-NPN
o mv vnw-d nom..
woordvormonzijdig
meervoud
voornaamwoord-demonstratief
nominatief

deze..
gebruikte vertalingendeze(13), {dit}(2)
gebeuren  
 
γενηται
genètai
G1096..
gebruikte vertalingenhet was geworden(13), gebeurde het(12), wordt(9), gebeuren(7), worden(7), er ontstond(5), is gebeurd(4), er gebeurd was(4), laat het gebeuren(4), waren gebeurd(3), werden(3), kwam er(3), is geweest(2), is geworden(2), gebeurt(2), komt(2), het wordt(2), werd(2), kan zijn(2), gebeurd(2), wees(2), jullie worden(2), hij wordt(2), er gebeurt was(1), er gebeurde was(1), ontstond er(1), er kwam(1), is er gekomen(1), laat gebeuren(1), er is gebeurd(1), het geworden was(1), was geworden(1), gekomen was(1), waren geweest(1), het gebeurde(1), heeft plaatsgevonden(1), het gebeurd(1), er was {verstreken}(1), gebeurd is(1), Hij was(1), kwam(1), word(1), laat er {voortkomen}(1), het zal gebeuren(1), zijn gebeurd(1), had het blijven bestaan(1), werd het(1), werd{en}(1), er gebeurt(1), zal gebeuren(1), gebeurd zijn(1), hij er wordt(1), er ontstaat(1), was(1), geweest(1), plaatsvindt(1), was er gekomen(1), kan worden(1), er is geweest(1), er gebeurde(1)
 G5638..
gebruikte vertalingenwordt(4), gebeuren(2), kan zijn(2), jullie worden(2), het gebeurd(1), komt(1), gebeurd(1), er ontstaat(1), hij er wordt(1), hij wordt(1), gebeurd is(1), er gebeurt(1), laat er {voortkomen}(1), worden(1), kan worden(1)

worden..
G1096worden
gebeuren, zijn, ontstaan, komen, plaatsvinden

V-2ADS-3S
ev ww med-d..
woordvormenkelvoud
werkwoord
medium-deponent

(hij/zij/het) kan worden..
gebruikte vertalingenwordt(4), gebeuren(2), kan zijn(2), er ontstaat(1), gebeurd(1), het gebeurd(1), komt(1), kan worden(1), hij wordt(1), er gebeurt(1), laat er {voortkomen}(1), hij er wordt(1), gebeurd is(1)


Afwijkingen
BZ_TR_T-andere plaats, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)