Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   

HSV
(TR)
En Hij begon weer onderwijs te geven bij de zee; en er verzamelde zich een grote menigte bij Hem, zodat Hij in een schip ging zitten, op zee; en heel de menigte was op het land aan de zee.
NBV
(NA27)
Weer ging hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om hem heen staan. Daarom ging hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan.
NBG51
(N(A))
En wederom begon Hij te leren bij de zee. En een zeer grote schare verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een schip ging en daarin nederzat op de zee, en de gehele schare was bij de zee op het land.
NW
(WH)
En hij begon wederom te onderwijzen langs de zee. En een zeer grote schare verzamelde zich bij hem, zodat hij in een boot stapte en [daarin] neerzat op de zee, terwijl de gehele schare zich langs de zee aan de oever bevond.
RBV
(BZ+)
En nogmaals begon Hij onderwijs te geven bij de zee, en een grote menigte mensen kwam bij Hem bijeen, zodat Hij in de boot stapte om [daar] te [gaan] zitten op de zee. En heel de menigte mensen was op het land aan de zee.
RBVI
(BZ+)
en    nogmaals    Hij begon    onderwijs te geven    bij    de    zee    en    kwam bijeen    bij    Hem    een menigte mensen    grote    zodat    Hij    stapte    in    [[ de  ]]  boot    om te zitten    op    de    zee    en    heel    de    menigte mensen    aan    de    zee    op    het    land    was  


en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
nogmaals  
 
παλιν
palin
G3825..
gebruikte vertalingennogmaals(29), weer(10), eveneens(7)

nogmaals..
G3825nogmaals
weer, eveneens

ADV
bw..
woordvormbijwoord

nogmaals..
gebruikte vertalingennogmaals(29), weer(10), eveneens(7)
Hij begon  
 
ηρξατο
èrxato
G756..
gebruikte vertalingenbegon(16), Hij begon(5), begonnen(4), zij begonnen(3), begon hij(3), begon Hij(2), begonnen zij(2), begon zij(1), zou beginnen(1), hij begon(1), te beginnen(1)
 G5662..
gebruikte vertalingenbegon(15), antwoordde(7), raakte aan(6), Hij begon(5), begonnen(4), begon hij(3), zij begonnen(3), heeft geboden(3), zij heeft verricht(2), Hij bad(2), antwoordde Hij(2), heeft aangeraakt(2), begonnen zij(2), jullie hebben opgezocht(2), antwoordden(2), begon Hij(2), raakte Hij aan(2), Hij antwoordde(2), hij ontkende(1), zij antwoordden(1), begon zij(1), zij antwoordde(1), schonk hij(1), bidden(1), Hij had geantwoord(1), zij maakten verwijten(1), had geantwoord(1), geboden had(1), hij gebood(1), U vervloekt hebt(1), ontkende hij(1), antwoorden(1), danste(1), jullie hebben gedanst(1), streng gelastte(1), Hij raakte aan(1), aanraakten(1), gebood(1), ik geboden heb(1), beveiligden(1), Hij ontkende(1), hij handelde(1), zij vertelden(1)

beginnen..
G756beginnen

V-ADI-3S
ev ww med-d..
woordvormenkelvoud
werkwoord
medium-deponent

(hij/zij/het) begon..
gebruikte vertalingenbegon(14), Hij begon(5), begon hij(3), begon Hij(2), begon zij(1)
onderwijs te geven  
 
διδασκειν
didaskein
G1321..
gebruikte vertalingenHij gaf onderwijs(3), onderwijs te geven(3), onderwijst(3), gaf onderwijs(3), te onderwijzen(2), onderwijs gaf(2), onderwijs gegeven(2), zij onderwijzen(2), U onderwijst(1), Hij begon te onderwijzen(1), onderwijs aan het geven(1), Hij onderwijs gaf(1), gaf Hij onderwijs(1), onderwijs(1), om te onderwijzen(1), zij onderwezen waren(1), Hij onderwees(1), onderwezen hadden(1), HIj onderwees(1)
 G5721..
gebruikte vertalingente zeggen(10), om te horen(6), te verkondigen(4), had(4), om te genezen(3), onderwijs te geven(3), zeer verontrust te worden(2), horen(2), spreken(2), om aan te houden(2), voor te gaan(2), pas op(2), zeiden(2), te drinken(2), te eten(2), zaaien(2), te vloeken(2), te vermanen(2), voortbrengen(2), dienen(2), om te vergeven(2), om te hebben(2), vasten(2), verwonderde(2), lief te hebben(2), uit te zenden(1), te {banen}(1), te smeken(1), luisten(1), om te verkondigen(1), om uit te werpen(1), uitwerpen(1), nestellen(1), op aandrongen(1), te onderwijzen(1), rondlopen(1), te spreken(1), Hij uit te werpen(1), te misleiden(1), te bespuwen(1), lang bleef(1), te stompen(1), te bedekken(1), te roepen(1), voornaamsten zijn(1), te ondervragen(1), vasthouden(1), te dragen naar(1), verheerlijkten(1), volgen(1), zeer verontwaardigd te worden(1), overkomen(1), roeien(1), om te geven(1), te doen(1), om te doen(1), te plukken(1), sprak(1), zag(1), sliepen(1), om te zaaien(1), te verwijten(1), om te onderwijzen(1), doen(1), te kunnen zeggen(1), te geven(1), kon(1), zij konden uitwerpen(1), treuren(1), er nestelen(1), te hebben(1), vrij te laten(1), te zweren(1), zij spraken(1), om te spreken(1), er plaats was(1), bekend te maken(1), te slaan(1), te zoeken(1), in te laten zien(1), te onderscheiden(1), te lijden(1), houden(1), na te laten(1), er plaats maken(1), vergeven(1)

onderwijs geven..
G1321onderwijs geven
onderwijzen

V-PAN
ww act..
woordvormwerkwoord
actief

te onderwijzen..
gebruikte vertalingenonderwijs te geven(3), te onderwijzen(1), om te onderwijzen(1)
bij  
 
παρα
para
G3844..
gebruikte vertalingenbij(14), langs(6), van(6), {door}(2), -(1), naar(1), naaste(1), met(1), voor(1), {onder}(1), {naar}(1)

bij..
G3844bij
langs, naast*, vanaf*, van, voor, aan*, met

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

bij..
gebruikte vertalingenbij(12), langs(6), van(3), {door}(2), naar(1), {naar}(1), voor(1), {onder}(1)
de  
 
την
tèn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASF
v ev lw acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(226), het(103), -(8), dat(5), {wie}(1), wat(1)
zee  
 
θαλασσαν
thalassan
G2281..
gebruikte vertalingenzee(36)

zee..
G2281zee

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

zee..
gebruikte vertalingenzee(20)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
kwam bijeen  
BZ_TR_V-
συνηχθη
sunèchthè
G4863..
gebruikte vertalingenkwamen bijeen(6), bijeen waren gekomen(3), zij brachten bijeen(2), jullie hebben ontvangen(2), kwam bijeen(2), u brengt bijeen(1), zij bijeen waren gekomen(1), ik bijeen breng(1), zullen bijeen komen(1), zal gebracht worden(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen zij bijeen(1), ze brengen bijeen(1), zal bijeen brengen(1), bijeen brengt(1), breng bijeen(1), bijeengekomen(1), bijeenbracht(1), hij bijeen had laten brengen(1)
 G5681..
gebruikte vertalingener gesproken is(5), kwamen bijeen(4), werden verzadigd(4), Hij is opgewekt(4), werden geopend(3), kan vergeleken worden(3), verdorde het(2), verschroeide het(2), verscheen Hij(2), werd gebracht naar(2), kwam bijeen(2), zou worden gered(2), hij geboren was(2), scheurde(2), veranderde Hij van gedaante(2), raakte hij in beroering(2), hij was hersteld(2), is opgewekt(2), is vervuld(2), was gezond(2), werd vervuld(2), zij waren zichtbaar(1), werd{en} opgewekt(1), wij herinneren(1), beefden(1), zij onderwezen waren(1), spleten(1), werd Hij opgenomen(1), Hij werd gerekend(1), bijeen waren gekomen(1), werd gesloten(1), stonden op(1), herinnerde(1), Hij veroordeeld was(1), wordt bekendgemaakt(1), wordt genoemd(1), beefde(1), is gegeven(1), losgemaakt(1), verscheen(1), was zeer verbaasd(1), droogde op(1), werd geopend(1), hij is opgewekt(1), legden aan(1), herinnerde zich(1), was hersteld(1), zij waren verbaasd(1), gezien was(1), Hij werd gedoopt(1), hij was rein(1), het werd {bekend}(1), stond hij op(1), zij waren zeer verbaasd(1), zij raakten in beroering(1), verdorde(1), is overgedragen(1), wordt gerechtvaardig(1), ontwaakte(1), Hij weggestuurd had(1), hij is verdeeld geworden(1), is vetgemest(1), werd bedroefd(1), vol was(1), gegist was(1), was verlost(1), zij stond op(1), werd hij woedend(1), hij bedrogen was(1), werd bevonden(1), is gehoord(1), gebracht(1), was hij gereinigd(1), is er gesproken(1), overgeleverd was(1), werd gebracht(1), gegeven(1), kon verdorren(1), werd verwekt(1), raakte in opschudding(1), stenigde(1), werd hij boos(1), kwamen zij bijeen(1), werd stil(1), werd gevuld(1), werden gebracht naar(1), geboren worden(1), er aanstoot aan namen(1), werden verlost(1), raakten zij in paniek(1), verschenen(1), was genezen(1), werden zij bedroefd(1), werd er gebracht(1), zij werden bedroefd(1), verkort zouden worden(1)

bijeen brengen..
G4863bijeen brengen
bijeen gekomen, ontvangen

V-API-3S
ev ww pas..
woordvormenkelvoud
werkwoord
passief

(hij/zij/het) werd bijeen gebracht..
gebruikte vertalingenkwam bijeen(2)
bij  
 
προς
pros
G4314..
gebruikte vertalingennaar(41), bij(38), om(7), tot(7), met(6), voor(4), -(3), aan(3), onder(1), naar toe(1), {over}(1)

naar..
G4314naar
bij, tot, om, voor, aan, met

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

naar..
gebruikte vertalingennaar(41), bij(38), om(7), tot(7), met(6), voor(4), -(3), aan(3), onder(1), naar toe(1), {over}(1)
Hem  
 
αυτον
auton
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-ASM
m ev pn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

hem..
gebruikte vertalingenHem(198), hem(81), Hij(9), het(7), hij(7), er(3), HEM(3), zelfde(2), voor Hem(2), aan Hem(2), -(1), {haar}(1), {Zich}(1), van hem(1)
een menigte mensen  
 
οχλος
ochlos
G3793..
gebruikte vertalingenmenigte mensen(39), menigten mensen(35), een menigte mensen(14)

menigte mensen..
G3793menigte mensen

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

menigte mensen..
gebruikte vertalingenmenigte mensen(11), een menigte mensen(9)
grote  
BZ_TR_V+
πολυς
polus
G4183..
gebruikte vertalingenvelen(40), grote(22), veel(20), vele(18), vele {malen}(4), groot(4), van vele(1), {des}(1), zeer(1), lange(1), vaak(1), voor veel(1), voor velen(1)

veel..
G4183veel
groot, vaak, lang, veel {maal}

A-NSM
m ev bn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

groot..
gebruikte vertalingengrote(8), groot(2)
zodat  
 
ωστε
òste
G5620..
gebruikte vertalingenzodat(23), zo(3), {om}(1), zo ook(1)

zodat..
G5620zodat
zo, zo ook

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

zo(dat)..
gebruikte vertalingenzodat(23), zo(3), {om}(1), zo ook(1)
Hij  
 
αυτον
auton
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-ASM
m ev pn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

hem..
gebruikte vertalingenHem(198), hem(81), Hij(9), het(7), hij(7), er(3), HEM(3), zelfde(2), voor Hem(2), aan Hem(2), -(1), {haar}(1), {Zich}(1), van hem(1)
stapte  
BZ_TR_T-
εμβαντα
embanta
G1684..
gebruikte vertalingenstapte(5), Hij stapte(2), om te stappen(2), stapte Hij in(1), in stapten(1), instapte(1)
 G5631..
gebruikte vertalingenzag(14), zagen(11), kwam(10), Hij nam(6), kwamen(6), nam(5), zij kwamen(5), had ontvangen(5), zij zagen(5), kom(4), gingen(4), Hij zag(4), kwamen naar(4), stapte(4), ging weg(4), kwam naar(4), hij zag(4), zij lieten achter(4), namen(3), ging heen(3), Hij kwam(3), zij grepen(3), kwamen naar toe(3), zij gingen(3), viel neer(3), zij kwam(3), merkte op(3), hij ging heen(2), ging(2), er kwamen(2), merkte(2), Hij was gegaan verder(2), herkenden(2), vertrok(2), Hij liet achter(2), zij gaan(2), Hij stond op(2), stond op(2), uit ging(2), ging naar(2), hij komt(2), was gekomen(2), Hij stapte(2), zij verlieten(2), komt(2), kwam naderbij(2), zij vertrokken(2), zij ging(2), binnenkwam(2), er kwam naar(2), rende(2), {stak op}(2), ging hij er op uit(2), gingen weg(2), wist(2), Hij verliet(2), gaan(2), stond Hij op(2), hij nam(2), was gegaan(2), bleef staan(2), zij ging uit(1), kwam binnen(1), Hij oplegde(1), zij gingen heen(1), binnenkomen(1), waren gegaan(1), Hij ging naar(1), zij vonden(1), kwam Hij binnen(1), Hij verder liep(1), zij hadden ontvangen(1), lieten zij achter(1), Hij gezegd had(1), hij was weggegaan(1), was {geworden}(1), er was uitgegaan(1), Hij naar binnen ging(1), had geleden(1), hadden gezien(1), waren afgedaald(1), gingen uit(1), Hij stuurde weg(1), weggegaan was(1), gaf(1), ging Hij(1), Hij sprak(1), achterliet(1), kwam er(1), binnen gegaan was(1), zij gingen naar buiten(1), zij lieten begaan(1), gekomen was(1), ging hij naar(1), doordrong(1), -(1), waren opgegaan met(1), zij zag(1), op stond(1), nam af(1), hij verliet achter(1), stonden er op(1), gekomen(1), zij waren gegaan(1), jullie laten na(1), ging binnen(1), hij te weten was gekomen(1), zij liepen rond(1), uit gingen(1), zij te weten waren gekomen(1), nam Hij(1), gegeten(1), gegeten hadden(1), legde op(1), rennen er naar(1), Hij nam bij(1), wierp hij af(1), Hij was opgetaan(1), binnengegaan was(1), zijn gekomen(1), keek aan(1), moeten wij gaan(1), goot(1), vertelde(1), erheen gaan(1), had laten weggaan(1), zij gaan naar binnen(1), Hij vertrok(1), overgeleverd heeft(1), vindt(1), vond(1), hij had gevonden(1), kwam naar toe(1), Hij ging(1), kwamen zij(1), in stapten(1), heen ging(1), bijeenbracht(1), zij weggingen(1), ging Hij naar(1), Hij liep verder(1), afdaalde(1), verliet(1), U neervalt(1), kan komen(1), zij vielen neer(1), instapte(1), gingen naar toe(1), er kwam(1), naderde(1), hij stond op(1), gegeven had(1), zij gingen uit(1), doorzag(1), gekomen waren(1), neem(1), hij kwam er(1), kwamen er(1), kwamen dichterbij(1), verlieten(1), grijpen(1), sprak(1), kwamen zij naderbij(1), hij ging naar(1), ik heb overgeleverd(1), daalde neer(1), gingen zij naar(1), kunnen komen(1), gingen zij(1), zij hadden gehouden(1), namen mee(1), ging Hij heen(1), nam Hij mee(1), kwam bij(1), hij kwam bij(1), zij ontvingen(1), hij ging er op uit(1), laat hij achter(1), Hij had gelegd(1), hebben gezien(1), grepen(1), hij bijeen had laten brengen(1), ga(1), had opgemerkt(1), {komst}(1), valt(1), binnen kwam(1), hadden gehouden(1)

instappen..
G1684instappen

V-2AAP-ASM
m ev ww act..
woordvormmannelijk
enkelvoud
werkwoord
actief

(hij) stapte..
gebruikte vertalingenstapte(2)
in  
 
εις
eis
G1519..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)

in..
G1519in
naar, tot, voor, -, om, aan, tegen, tussen, bij

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

in..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)
[[ de  ]]
BZ_TR_A
το
to
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASN
o ev lw acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(132), het(96), -(13), dat(8), wat(8), deze(1)
boot  
 
πλοιον
ploion
G4143..
gebruikte vertalingenboot(28), boten(1), een boot(1)

boot..
G4143boot

N-ASN
o ev zn acc..
woordvormonzijdig
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

boot..
gebruikte vertalingenboot(14)
om te zitten  
 
καθησθαι
kathèsthai
G2521..
gebruikte vertalingenzitten(7), zat(6), ging zitten(3), zit(3), er zaten(2), om te zitten(2), zaten(1), er zat(1), gaan zitten(1), zullen zitten(1), zij zaten(1), Hij zat(1), zij zaten neer(1)
 G5738..
gebruikte vertalingenom te zitten(2), te komen(2), konden(1), kunnen(1), te groeten(1), ging(1), kon(1), te bidden(1), komen(1), overspel pleegt(1), aanzat(1)

(neer)zitten..
G2521(neer)zitten
gaan zitten

V-PNN
ww med/pas-d..
woordvormwerkwoord
medium/passief-deponent

te zitten..
gebruikte vertalingenom te zitten(2)
op  
 
εν
en
G1722..
gebruikte vertalingenin(293), op(34), met(29), bij(28), onder(26), door(10), aan(8), tijdens(6), -(6), één(6), vanwege(3), terwijl(3), over(2), binnen(1), {toen}(1), voor(1), te(1), om(1)

in..
G1722in
op, bij, met, onder, door, één, aan, terwijl, vanwege, over, te, tijdens

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

in..
gebruikte vertalingenin(293), op(34), met(29), bij(28), onder(26), door(10), aan(8), tijdens(6), -(6), terwijl(3), vanwege(3), over(2), binnen(1), {toen}(1), om(1), voor(1), te(1)
de  
 
τη

G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-DSF
v ev lw dat..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
datief

(tot) de..
gebruikte vertalingende(73), het(54), -(13), op de(7), tot de(5), voor de(3), voor het(3), van het(2), aan de(2), met het(2), naar de(1), met de(1), {voor} het(1)
zee  
 
θαλασση
thalassè
G2281..
gebruikte vertalingenzee(36)

zee..
G2281zee

N-DSF
v ev zn dat..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
datief

(tot) zee..
gebruikte vertalingenzee(6)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
heel  
 
πας
pas
G3956..
gebruikte vertalingenal(46), allen(38), alles(36), heel(18), elke(13), ieder(12), alle(9), van allen(6), allemaal(4), elk(3), iedere(3), enkel(2), van alle(2), voor al(2), allerlei(2), dan allen(1), tot allen(1), bij ieder(1), onder allen(1), op allen(1), al{tijd}(1), hele(1)

al..
G3956al
alle, alles, allemaal, allerlei, elk, ieder, heel, enkel

A-NSM
m ev bn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

ieder..
gebruikte vertalingenieder(10), heel(6), iedere(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
menigte mensen  
 
οχλος
ochlos
G3793..
gebruikte vertalingenmenigte mensen(39), menigten mensen(35), een menigte mensen(14)

menigte mensen..
G3793menigte mensen

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

menigte mensen..
gebruikte vertalingenmenigte mensen(11), een menigte mensen(9)
aan  
 
προς
pros
G4314..
gebruikte vertalingennaar(41), bij(38), om(7), tot(7), met(6), voor(4), -(3), aan(3), onder(1), naar toe(1), {over}(1)

naar..
G4314naar
bij, tot, om, voor, aan, met

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

naar..
gebruikte vertalingennaar(41), bij(38), om(7), tot(7), met(6), voor(4), -(3), aan(3), onder(1), naar toe(1), {over}(1)
de  
 
την
tèn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-ASF
v ev lw acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
acusatief

de..
gebruikte vertalingende(226), het(103), -(8), dat(5), {wie}(1), wat(1)
zee  
 
θαλασσαν
thalassan
G2281..
gebruikte vertalingenzee(36)

zee..
G2281zee

N-ASF
v ev zn acc..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
acusatief

zee..
gebruikte vertalingenzee(20)
op  
 
επι
epi
G1909..
gebruikte vertalingenop(88), over(39), in(12), tegen(12), bij(12), met(11), van(10), voor(8), aan(5), {naar}(3), {ten tijde}(2), -(2), jegens(1), {om}(1), {tussen}(1), {langs}(1)

op..
G1909op
over, bij, tegen, met, van, voor, in, aan, {ten tijde}

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

op..
gebruikte vertalingenop(78), over(30), van(9), tegen(8), in(8), bij(7), met(5), voor(5), aan(3), {ten tijde}(2), {naar}(2), {langs}(1), {om}(1), {tussen}(1)
het  
 
της
tès
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GSF
v ev lw gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingende(96), van de(48), het(35), van het(19), -(3), voor het(2), {in} de(2), bij de(1), {met} de(1), {naar} de(1), die(1), dan het(1)
land  
 
γης
gès
G1093..
gebruikte vertalingenaarde(38), land(11), grond(7), gebied(2), voor land(2), van aarde(1)

aarde..
G1093aarde
land, grond, gebied

N-GSF
v ev zn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) aarde..
gebruikte vertalingenaarde(24), grond(3), land(2), van aarde(1)
was  
BZ_TR_V+
ην
èn
G2258..
gebruikte vertalingenwas(26), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), er waren(3), het was(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), had{den}(2), {werd}(2), was het(2), {kwamen}(1), {kwam}(1), was geweest(1), {hielden}(1), er hadden(1), was Hij(1), {bleef}(1), zij was(1)
 G5713..
gebruikte vertalingenwas(26), verklaarde(14), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), Ik was(3), het was(3), er waren(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), was het(2), {werd}(2), had{den}(2), zij was(1), {kwam}(1), {kwamen}(1), was Ik(1), was geweest(1), Hij verklaarde(1), wij hadden {geleefd}(1), er hadden(1), wij waren geweest(1), was Hij(1), {bleef}(1), hij verklaarde(1), {hielden}(1)

waren..
G2258waren
hadden

V-IXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) was..
gebruikte vertalingenwas(24), Hij was(6), er was(6), -(5), hij was(5), het was(3), was het(2), zou zijn geweest(2), had{den}(2), Hij had(2), {werd}(2), was geweest(1), {kwam}(1), zij was(1), {bleef}(1), waren(1), was Hij(1), er waren(1)


Afwijkingen
BZ_TR_V-andere vorm, niet merkbaar  
BZ_TR_V+andere vorm, merkbaar  
BZ_TR_T-andere plaats, niet merkbaar  
BZ_TR_A[[ komt voor  ]]

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)