Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   

HSV
(TR)
En toen het al laat geworden was, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en het is al laat;
NBV
(NA27)
Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: 'Dit is een afgelegen plaats en het is al laat.
NBG51
(N(A))
En toen het reeds laat geworden was, kwamen zijn discipelen tot Hem en zeiden: De plaats (hier) is eenzaam en het is reeds laat.
NW
(WH)
Nu was het al laat geworden, en zijn discipelen kwamen naar hem toe en zeiden: 'De plaats is afgelegen en het is al laat.
RBV
(BZ+)
Nu er al veel tijd was verstreken, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe [en] zij zeiden: 'De plaats is afgelegen en [er is] al veel tijd [verstreken].'
RBVI
(BZ+)
nu    al    tijd    veel    er was {verstreken}    kwamen naar    Hem    de    discipelen    van Hem    zij zeiden    -    afgelegen    is    de    plaats    en    al    tijd    veel  


nu  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
al  
 
ηδη
èdè
G2235..
gebruikte vertalingenal(11), nu al(3), al reeds(1)

al..
G2235al
nu al, al reeds

ADV
bw..
woordvormbijwoord

(nu) al..
gebruikte vertalingenal(11), nu al(3), al reeds(1)
tijd  
 
ωρας
òras
G5610..
gebruikte vertalingenuur(23), moment(7), tijd(2), een uur(2), -(1)

uur..
G5610uur
moment, tijd

N-GSF
v ev zn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) uur..
gebruikte vertalingenuur(6), moment(3), -(1), tijd(1)
veel  
 
πολλης
pollès
G4183..
gebruikte vertalingenvelen(40), grote(22), veel(20), vele(18), vele {malen}(4), groot(4), van vele(1), {des}(1), zeer(1), lange(1), vaak(1), voor veel(1), voor velen(1)

veel..
G4183veel
groot, vaak, lang, veel {maal}

A-GSF
v ev bn gen..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
genetief

(van) grote..
gebruikte vertalingengrote(2), veel(1)
er was {verstreken}  
 
γενομενης
genomenès
G1096..
gebruikte vertalingenhet was geworden(13), gebeurde het(12), wordt(9), gebeuren(7), worden(7), er ontstond(5), is gebeurd(4), er gebeurd was(4), laat het gebeuren(4), waren gebeurd(3), werden(3), kwam er(3), is geweest(2), is geworden(2), gebeurt(2), komt(2), het wordt(2), werd(2), kan zijn(2), gebeurd(2), wees(2), jullie worden(2), hij wordt(2), er gebeurt was(1), er gebeurde was(1), ontstond er(1), er kwam(1), is er gekomen(1), laat gebeuren(1), er is gebeurd(1), het geworden was(1), was geworden(1), gekomen was(1), waren geweest(1), het gebeurde(1), heeft plaatsgevonden(1), het gebeurd(1), er was {verstreken}(1), gebeurd is(1), Hij was(1), kwam(1), word(1), laat er {voortkomen}(1), het zal gebeuren(1), zijn gebeurd(1), had het blijven bestaan(1), werd het(1), werd{en}(1), er gebeurt(1), zal gebeuren(1), gebeurd zijn(1), hij er wordt(1), er ontstaat(1), was(1), geweest(1), plaatsvindt(1), was er gekomen(1), kan worden(1), er is geweest(1), er gebeurde(1)
 G5637..
gebruikte vertalingenhet was geworden(12), er gebeurd was(3), Hij pakte vast(1), er was {verstreken}(1), werd(1), Hij was(1), waren geweest(1), voorbij was(1), gekomen was(1), kwam er(1), komt(1), zijn gebeurd(1), gebeurd zijn(1), geweest(1), wordt(1), er gebeurde(1), was(1), het geworden was(1)

worden..
G1096worden
gebeuren, zijn, ontstaan, komen, plaatsvinden

V-2ADP-GSF
v ev ww med-d..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
werkwoord
medium-deponent

(zij) was geworden..
gebruikte vertalingenhet was geworden(12), er was {verstreken}(1), gekomen was(1), kwam er(1), komt(1), geweest(1), wordt(1)
kwamen naar  
 
προσελθοντες
proselthontes
G4334..
gebruikte vertalingenkwamen naar(16), kwam naar(5), kwamen naar toe(3), kwam(3), er kwam naar(3), kwam er naar(3), er kwamen(2), Hij was gegaan verder(2), kwam naderbij(2), ging naar(2), kwamen er naar(2), kwamen(2), er kwamen naar(2), ging hij naar(1), kwamen dichterbij(1), gingen zij naar(1), Hij ging naar(1), hij kwam bij(1), gingen naar toe(1), naderde(1), kwam bij(1), kwamen zij naderbij(1), kwamen er(1)
 G5631..
gebruikte vertalingenzag(14), zagen(11), kwam(10), Hij nam(6), kwamen(6), nam(5), zij kwamen(5), had ontvangen(5), zij zagen(5), kom(4), gingen(4), Hij zag(4), kwamen naar(4), stapte(4), ging weg(4), kwam naar(4), hij zag(4), zij lieten achter(4), namen(3), ging heen(3), Hij kwam(3), zij grepen(3), kwamen naar toe(3), zij gingen(3), viel neer(3), zij kwam(3), merkte op(3), hij ging heen(2), ging(2), er kwamen(2), merkte(2), Hij was gegaan verder(2), herkenden(2), vertrok(2), Hij liet achter(2), zij gaan(2), Hij stond op(2), stond op(2), uit ging(2), ging naar(2), hij komt(2), was gekomen(2), Hij stapte(2), zij verlieten(2), komt(2), kwam naderbij(2), zij vertrokken(2), zij ging(2), binnenkwam(2), er kwam naar(2), rende(2), {stak op}(2), ging hij er op uit(2), gingen weg(2), wist(2), Hij verliet(2), gaan(2), stond Hij op(2), hij nam(2), was gegaan(2), bleef staan(2), zij ging uit(1), kwam binnen(1), Hij oplegde(1), zij gingen heen(1), binnenkomen(1), waren gegaan(1), Hij ging naar(1), zij vonden(1), kwam Hij binnen(1), Hij verder liep(1), zij hadden ontvangen(1), lieten zij achter(1), Hij gezegd had(1), hij was weggegaan(1), was {geworden}(1), er was uitgegaan(1), Hij naar binnen ging(1), had geleden(1), hadden gezien(1), waren afgedaald(1), gingen uit(1), Hij stuurde weg(1), weggegaan was(1), gaf(1), ging Hij(1), Hij sprak(1), achterliet(1), kwam er(1), binnen gegaan was(1), zij gingen naar buiten(1), zij lieten begaan(1), gekomen was(1), ging hij naar(1), doordrong(1), -(1), waren opgegaan met(1), zij zag(1), op stond(1), nam af(1), hij verliet achter(1), stonden er op(1), gekomen(1), zij waren gegaan(1), jullie laten na(1), ging binnen(1), hij te weten was gekomen(1), zij liepen rond(1), uit gingen(1), zij te weten waren gekomen(1), nam Hij(1), gegeten(1), gegeten hadden(1), legde op(1), rennen er naar(1), Hij nam bij(1), wierp hij af(1), Hij was opgetaan(1), binnengegaan was(1), zijn gekomen(1), keek aan(1), moeten wij gaan(1), goot(1), vertelde(1), erheen gaan(1), had laten weggaan(1), zij gaan naar binnen(1), Hij vertrok(1), overgeleverd heeft(1), vindt(1), vond(1), hij had gevonden(1), kwam naar toe(1), Hij ging(1), kwamen zij(1), in stapten(1), heen ging(1), bijeenbracht(1), zij weggingen(1), ging Hij naar(1), Hij liep verder(1), afdaalde(1), verliet(1), U neervalt(1), kan komen(1), zij vielen neer(1), instapte(1), gingen naar toe(1), er kwam(1), naderde(1), hij stond op(1), gegeven had(1), zij gingen uit(1), doorzag(1), gekomen waren(1), neem(1), hij kwam er(1), kwamen er(1), kwamen dichterbij(1), verlieten(1), grijpen(1), sprak(1), kwamen zij naderbij(1), hij ging naar(1), ik heb overgeleverd(1), daalde neer(1), gingen zij naar(1), kunnen komen(1), gingen zij(1), zij hadden gehouden(1), namen mee(1), ging Hij heen(1), nam Hij mee(1), kwam bij(1), hij kwam bij(1), zij ontvingen(1), hij ging er op uit(1), laat hij achter(1), Hij had gelegd(1), hebben gezien(1), grepen(1), hij bijeen had laten brengen(1), ga(1), had opgemerkt(1), {komst}(1), valt(1), binnen kwam(1), hadden gehouden(1)

komen naar..
G4334komen naar
gaan naar, naderen, naderbij komen, dichterbij komen

V-2AAP-NPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) kwamen naar..
gebruikte vertalingenkwamen naar(4), kwamen naar toe(3), kwamen dichterbij(1), kwamen er(1), er kwamen(1), kwamen(1), gingen naar toe(1), kwamen zij naderbij(1)
Hem  
 
αυτω
autò
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-DSM
m ev pn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) hem..
gebruikte vertalingenHem(101), tot Hem(62), hem(45), tot hem(38), Hem toe(17), Hij(6), bij Hem(6), aan Hem(5), aan hem(5), met Hem(4), voor hem(4), voor Hem(4), met hem(2), hij(2), er(2), naar Hem(2), tegen hem(1), erop(1), hem toe(1), bij hem(1), daar(1), er om(1), voor HEM(1)
de  
 
οι
oi
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPM
m mv lw nom..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(256), die(59), -(47), dit(2), het(1), deze(1), {sommigen}(1)
discipelen  
 
μαθηται
mathètai
G3101..
gebruikte vertalingendiscipelen(116), discipel(2), aan discipelen(1), van een discipel(1)

discipel..
G3101discipel
leerling*

N-NPM
m mv zn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

discipelen..
gebruikte vertalingendiscipelen(60)
van Hem  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
zij zeiden  
BZ_TR_V-
λεγουσιν
legousin
G3004..
gebruikte vertalingenzei(150), zeiden(64), Ik zeg(62), Hij zei(38), zij zeiden(24), zeggen(20), hij zei(14), zei Hij(14), te zeggen(13), zeg(11), zegt(10), wordt genoemd(10), zeg Ik(10), zeiden zij(9), vroegen(7), zij vroegen(4), werd genoemd(4), zij zei(4), zij zeggen(3), zei hij(3), te spreken(2), had gezegd(2), noemt u(2), vroeg(2), ik zeg(2), Hij had gezegd(1), vraagt(1), jullie noemen(1), sprak(1), genoemd werd(1), jullie spreken(1), vertelden(1), noemt(1), heeft gezegd(1), spreekt(1), hij zegt(1), gezegd(1), zegt hij(1), zeggen jullie(1), vraag(1), HIj zei(1), te kunnen zeggen(1), hij vroeg(1), zei{den}(1), u spreekt(1), vroegen zij(1), jullie zeggen(1), Hij vroeg(1), {luidde}(1)
 G5719..
gebruikte vertalingenIk zeg(62), zei(61), Hij zei(28), zij zeiden(15), heeft(13), zeggen(11), zeg Ik(10), hebben jullie(10), zei Hij(9), zeg(8), willen jullie(7), hij zei(6), zij hebben(5), jullie horen(5), begrijpen jullie(5), brengt voort(5), nam mee(5), maakt onrein(5), jullie hebben(4), zeiden zij(4), Ik wil(4), Ik doe(4), vasten(4), hij heeft(4), doen(4), blijft zoeken naar(4), wilt u(4), doet struikelen(4), zegt(4), weten jullie(4), denken(4), jullie zien(3), zij zeggen(3), is(3), wil(3), ik wil(3), doen jullie(3), zij vroegen(3), hebben(3), spreekt(3), overtreden(3), zij brachten(3), overlijdt(3), staat op het punt(3), het is beter(3), horen(3), zweert(3), zend uit(3), eten(3), zeiden(3), zij hebben ontvangen(3), bracht(3), wij hebben(3), u wilt(3), is rood(2), kent(2), u denkt(2), zien(2), zij zonden(2), volgt(2), wij willen(2), voortbrengt(2), Hij heeft(2), noemt u(2), {komt}(2), zijn werkzaam(2), eert(2), U ziet(2), eten zij(2), zei hij(2), uitwerp(2), hoort U(2), denkt(2), over heersen(2), wij gaan op(2), jullie doen(2), zij zijn bij gebleven(2), doet U(2), stellen jullie op de proef(2), jullie zoeken(2), lelijk maakt(2), Hij roept(2), {vallen} jullie(2), Hij gaat voor uit(2), vindt(2), laten jullie toe(2), van meer belang zijn(2), hebben wij(2), slapen(2), doen zij(2), jullie meten(2), maakt(2), doet(2), getuigen tegen(2), gieten(2), zij tegen getuigen(2), stelen(2), vergeven(2), U kijkt(2), inbreken(2), trouwen zij(2), IK wil(2), drink(2), ik zeg(2), gehoorzaam zijn(2), noemt(2), is verschuldigd(2), werpt Hij uit(2), neemt weg(1), denken jullie(1), wilt U(1), ik oogst(1), verstikken(1), vrucht dragen(1), hebt u(1), hij hield(1), ik bijeen breng(1), scheidt(1), nemen zij aan(1), Hij vond(1), gaat hij heen(1), Ik houd(1), vond Hij(1), Hij ging op(1), Hij opdracht geeft(1), lieten neer(1), eet Hij(1), drinkt(1), zij gehoorzaam zijn(1), vertelden(1), brengt vrucht voort(1), zoeken(1), Ik wil het(1), roept(1), naait(1), u spreekt(1), ik stel onder ede(1), {krijgt}(1), verlangen(1), {doet} scheuren(1), giet(1), {trekt aan}(1), HIJ behagen in heeft(1), het baatte(1), zaait(1), stellen jullie terzijde(1), jullie ontvangen(1), hij zegt(1), zij maakten los(1), U onderwijst(1), wierp(1), gaat heen(1), hij zond(1), zenden(1), zond Hij uit(1), ontbreekt(1), hij volgt(1), Ik geef opdracht(1), u hebt(1), gezag over uitoefenen(1), zij naderden(1), zij riepen(1), Hij nam mee(1), vond(1), brengen naar buiten(1), zetten op(1), kleden(1), dwongen(1), hingen zij aan palen(1), Hij leefde(1), zagen zij(1), zij riepen bijeen(1), jullie noemen(1), het is {zover}(1), slaapt u(1), grepen(1), komt overeen(1), beschuldingen tegen inbrengen(1), jullie spreken(1), samenstroomde(1), ik geloof(1), slaapt(1), wenen jullie(1), Hij zag(1), volgden(1), vroegen(1), houdt(1), wandelen(1), {valt} u {lastig}(1), vraagt(1), namen mee(1), komt het op(1), zij wekten(1), stel onder ede(1), veel hij neer(1), zagen(1), houden vast(1), hij weet(1), herstelt(1), Ik zie(1), ik zie(1), ondervragen(1), hij doet schokken(1), knarsen(1), schuimen(1), hij zag(1), smeekten(1), zij smeekten(1), {maken} onrein(1), Hij doet(1), jullie plaatsen(1), jullie begrijpen(1), jullie herinneren(1), zend hij(1), voorbij ging(1), zien weer(1), verwachten wij(1), lopen(1), grijpen(1), is van meer belang(1), jullie willen(1), op neemt(1), vroeg(1), lastert(1), U uitwept(1), eet(1), zet op(1), zij slaapt(1), {trekt}(1), werpt uit(1), uitwerpt(1), zij horen(1), zij kijken(1), begrijpen(1), ze zien(1), ze horen(1), het hoort(1), Ik spreek(1), spreekt U(1), verstrooit(1), werpen uit(1), zegt hij(1), vindt hij(1), wonen(1), neemt mee(1), hij doet(1), hoort(1), ze schijnt(1), zetten zij(1), HIJ laat opgaan(1), HIJ laat regenen(1), zij menen(1), zij graag(1), aansteken(1), is het nuttig(1), doop(1), als koning regeerde(1), liet hij toe(1), plaatste(1), verliet(1), toonde(1), zij zetten lelijk(1), ze zaaien(1), jullie oordelen(1), jullie nodig hebben(1), ziet u(1), merkt u op(1), vergaren(1), ontvangt(1), bekleedt(1), {ze weven}(1), ze brengen bijeen(1), ze oogsten(1), voed(1), {ze groeien}(1), {ze zwoegen}(1), rukt weg(1), verstikken volledig(1), vergroten(1), zij verbreden(1), zij hebben graag(1), jullie verslinden(1), jullie trekken door(1), jullie versperren(1), zij willen(1), zij leggen(1), onderwijst(1), voorgaan(1), Hij vroeg(1), noemen(1), zij binden samen(1), zij doen(1), maken jullie(1), jullie tienden afstaan(1), zend(1), getuigen jullie(1), samen bijeenbrengt(1), weet(1), het duurt een lange tijd(1), jullie denken(1), jullie zeggen(1), jullie versieren(1), zijn vol(1), jullie reinigen(1), jullie zijn als(1), vol zijn(1), jullie bouwen(1), zij houden(1), zendt hij(1), zeggen jullie(1), zij blijft roepen(1), herinneren jullie(1), wilt(1), lijdt(1), U wilt(1), {terechtkomt}(1), houden zij(1), heen gaat(1), vrucht draagt(1), verkoopt(1), koopt(1), nadert(1), {is}(1), valt hij(1), draagt af(1), ik behandel onrechtvaardig(1), ontbreekt het mij aan(1), zij zei(1), op het punt sta(1), is van plan(1), gezag uitoefenen over(1), hij vroeg(1), maken plaats(1), hij zoeken(1), ontvangen(1), hij zich verheugt(1), u schuldig bent(1), is het beter(1), hij verwacht(1)

zeggen..
G3004zeggen
noemen, vragen, spreken, vertellen

V-PAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) zeggen..
gebruikte vertalingenzij zeiden(15), zeggen(7), zeiden zij(4), zij vroegen(3), zeiden(3), zij zeggen(3), vertelden(1)
-  
 
οτι
oti
G3754..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)

(om)dat..
G3754(om)dat
want, -, waarom

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

dat..
gebruikte vertalingendat(114), -(62), want(43), omdat(24), waarom(2)
afgelegen  
 
ερημος
erèmos
G2048..
gebruikte vertalingenwildernis(9), een afgelegen(4), afgelegen(3), als een wildernis(1)

wildernis..
G2048wildernis
eenzaam*, afgelegen, verlaten, onbewoond*, woestijn*

A-NSM
m ev bn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

afgelegen..
gebruikte vertalingenafgelegen(2), als een wildernis(1)
is  
 
εστιν
estin
G2076..
gebruikte vertalingenis(111), het is(23), betekent(10), is het(9), Hij is(7), er is(7), {hebben}(3), ze is(3), was(2), Hij was(2), het betekent(2), {komt}(2), is er(2), -(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), er zijn(1), het was(1), is hij(1), zijn(1), hij is(1), is Hij(1), {kan} Hij {zijn}(1)
 G5748..
gebruikte vertalingenis(111), zijn(27), het is(23), bent(13), ben(10), betekent(10), is het(9), er is(7), Hij is(7), zij zijn(6), U bent(6), u bent(6), er zijn(5), zijn jullie(4), {hebben}(3), ze is(3), ik ben(3), zijn zij(2), was(2), Hij was(2), -(2), het betekent(2), is er(2), {komt}(2), Ik ben(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), jullie zijn(1), bent u hier(1), jullie {toebehoren}(1), het was(1), wij zijn(1), is hij(1), verklaarde zij(1), hij is(1), ik ben het(1), zij er zijn(1), ben het(1), het bent(1), is Hij(1), zijn er(1), ben Ik(1), bent u(1), {kan} Hij {zijn}(1)

is..
G2076is
betekent, {komt}, {heeft}

V-PXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) is..
gebruikte vertalingenis(111), het is(23), betekent(10), is het(9), Hij is(7), er is(7), {hebben}(3), ze is(3), was(2), Hij was(2), het betekent(2), {komt}(2), is er(2), -(2), HIJ is(2), {kan zijn}(1), er zijn(1), het was(1), is hij(1), zijn(1), hij is(1), is Hij(1), {kan} Hij {zijn}(1)
de  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
plaats  
 
τοπος
topos
G5117..
gebruikte vertalingenplaats(14), plaatsen(4), een plaats(2)

plaats..
G5117plaats

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

plaats..
gebruikte vertalingenplaats(6)
en  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
al  
 
ηδη
èdè
G2235..
gebruikte vertalingenal(11), nu al(3), al reeds(1)

al..
G2235al
nu al, al reeds

ADV
bw..
woordvormbijwoord

(nu) al..
gebruikte vertalingenal(11), nu al(3), al reeds(1)
tijd  
 
ωρα
òra
G5610..
gebruikte vertalingenuur(23), moment(7), tijd(2), een uur(2), -(1)

uur..
G5610uur
moment, tijd

N-NSF
v ev zn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

uur..
gebruikte vertalingenuur(5), tijd(1)
veel  
 
πολλη
pollè
G4183..
gebruikte vertalingenvelen(40), grote(22), veel(20), vele(18), vele {malen}(4), groot(4), van vele(1), {des}(1), zeer(1), lange(1), vaak(1), voor veel(1), voor velen(1)

veel..
G4183veel
groot, vaak, lang, veel {maal}

A-NSF
v ev bn nom..
woordvormvrouwelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

veel..
gebruikte vertalingenveel(1)


Afwijkingen
BZ_TR_V-andere vorm, niet merkbaar  

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)