Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   

Dit vers is nog niet vertaald.

  
 
εν
en
G1722..
gebruikte vertalingenin(293), op(34), met(29), bij(28), onder(26), door(10), aan(8), tijdens(6), -(6), één(6), vanwege(3), terwijl(3), over(2), binnen(1), {toen}(1), voor(1), te(1), om(1)

in..
G1722in
op, bij, met, onder, door, één, aan, terwijl, vanwege, over, te, tijdens

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

in..
gebruikte vertalingenin(293), op(34), met(29), bij(28), onder(26), door(10), aan(8), tijdens(6), -(6), terwijl(3), vanwege(3), over(2), binnen(1), {toen}(1), om(1), voor(1), te(1)
  
 
τω

G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-DSM
m ev lw dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
datief

(tot) de..
gebruikte vertalingende(57), het(33), tot de(26), aan de(15), met de(10), voor de(10), -(6), DIE(5), de toe(5), aan die(3), tot(2), die(2), aan(2), voor wie(2), tot het(2), {dat}(1), op de(1), aan het(1), tot die(1), naar de(1), {iemand}(1), van de(1)
  
 
κοσμω
kosmò
G2889..
gebruikte vertalingenwereld(9), van wereld(3)

wereld..
G2889wereld
(Grieks) kosmos*, ordelijk samenstel*, geheel van voorzieningen*, versiering*

N-DSM
m ev zn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
datief

(tot) wereld..
gebruikte vertalingen
  
 
ην
èn
G2258..
gebruikte vertalingenwas(26), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), er waren(3), het was(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), had{den}(2), {werd}(2), was het(2), {kwamen}(1), {kwam}(1), was geweest(1), {hielden}(1), er hadden(1), was Hij(1), {bleef}(1), zij was(1)
 G5713..
gebruikte vertalingenwas(26), verklaarde(14), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), Ik was(3), het was(3), er waren(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), was het(2), {werd}(2), had{den}(2), zij was(1), {kwam}(1), {kwamen}(1), was Ik(1), was geweest(1), Hij verklaarde(1), wij hadden {geleefd}(1), er hadden(1), wij waren geweest(1), was Hij(1), {bleef}(1), hij verklaarde(1), {hielden}(1)

waren..
G2258waren
hadden

V-IXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) was..
gebruikte vertalingenwas(24), Hij was(6), er was(6), -(5), hij was(5), het was(3), was het(2), zou zijn geweest(2), had{den}(2), Hij had(2), {werd}(2), was geweest(1), {kwam}(1), zij was(1), {bleef}(1), waren(1), was Hij(1), er waren(1)
  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
  
 
κοσμος
kosmos
G2889..
gebruikte vertalingenwereld(9), van wereld(3)

wereld..
G2889wereld
(Grieks) kosmos*, ordelijk samenstel*, geheel van voorzieningen*, versiering*

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

..
gebruikte vertalingen
  
 
δι
di
G1223..
gebruikte vertalingenom(28), door(26), vanwege(20), omdat(4), over(3), voor(2), {uit}(2), {in}(2), {aan}(1), {tijd}(1), {van}(1), {na}(1)

om..
G1223om
door [bemiddeling van], vanwege, omdat, over, voor, omwille

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

door..
gebruikte vertalingendoor(5), {na}(1), om(1), over(1)
  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
  
 
εγενετο
egeneto
G1096..
gebruikte vertalingenhet was geworden(13), gebeurde het(12), wordt(9), gebeuren(7), worden(7), er ontstond(5), is gebeurd(4), er gebeurd was(4), laat het gebeuren(4), waren gebeurd(3), werden(3), kwam er(3), is geweest(2), is geworden(2), gebeurt(2), komt(2), het wordt(2), werd(2), kan zijn(2), gebeurd(2), wees(2), jullie worden(2), hij wordt(2), er gebeurt was(1), er gebeurde was(1), ontstond er(1), er kwam(1), is er gekomen(1), laat gebeuren(1), er is gebeurd(1), het geworden was(1), was geworden(1), gekomen was(1), waren geweest(1), het gebeurde(1), heeft plaatsgevonden(1), het gebeurd(1), er was {verstreken}(1), gebeurd is(1), Hij was(1), kwam(1), word(1), laat er {voortkomen}(1), het zal gebeuren(1), zijn gebeurd(1), had het blijven bestaan(1), werd het(1), werd{en}(1), er gebeurt(1), zal gebeuren(1), gebeurd zijn(1), hij er wordt(1), er ontstaat(1), was(1), geweest(1), plaatsvindt(1), was er gekomen(1), kan worden(1), er is geweest(1), er gebeurde(1)
 G5633..
gebruikte vertalingengebeurde het(12), er ontstond(4), waren gebeurd(3), werden(3), kwam er(2), zij vergaten(1), was geworden(1), er gebeurde was(1), werd(1), het was geworden(1), het gebeurde(1), is gebeurd(1), er is gebeurd(1), is er gekomen(1), werd{en}(1), werd het(1), vergaten(1), gebeurd(1), kwamen aan(1), er kwam(1), kwam(1), greep vast(1)

worden..
G1096worden
gebeuren, zijn, ontstaan, komen, plaatsvinden

V-2ADI-3S
ev ww med-d..
woordvormenkelvoud
werkwoord
medium-deponent

(hij/zij/het) werd..
gebruikte vertalingengebeurde het(12), er ontstond(4), kwam er(2), werd(1), was geworden(1), het was geworden(1), het gebeurde(1), is gebeurd(1), er gebeurde was(1), er kwam(1), werd{en}(1), werd het(1), gebeurd(1), kwam(1), is er gekomen(1), er is gebeurd(1)
  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
  
 
κοσμος
kosmos
G2889..
gebruikte vertalingenwereld(9), van wereld(3)

wereld..
G2889wereld
(Grieks) kosmos*, ordelijk samenstel*, geheel van voorzieningen*, versiering*

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

..
gebruikte vertalingen
  
 
αυτον
auton
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-ASM
m ev pn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

hem..
gebruikte vertalingenHem(198), hem(81), Hij(9), het(7), hij(7), er(3), HEM(3), zelfde(2), voor Hem(2), aan Hem(2), -(1), {haar}(1), {Zich}(1), van hem(1)
  
 
ουκ
ouk
G3756..
gebruikte vertalingenniet(256), geen(45), geens(13), zeker(12), nee(4), ?(1), -(1), {alleen}(1), niet{s}(1)

niet..
G3756niet
geen, geens[zins], zeker [niet], nee, niet{s}

PRT-N
prt-neg..
woordvormpartikel-negatief

niet..
gebruikte vertalingenniet(145), geen(21), -(1), ?(1), nee(1), {alleen}(1), niet{s}(1), geens(1)
  
 
εγνω
egnò
G1097..
gebruikte vertalingenweten jullie(5), merkte op(3), te weten zou komen(2), te kennen(1), ik wist(1), had opgemerkt(1), zullen jullie begrijpen(1), te laten weten(1), hij wist(1), hij te weten was gekomen(1), zij begrepen(1), zij te weten waren gekomen(1), hij weet(1), zij merkte(1), zij merkten(1), bekend zal worden(1), laat het weten(1), Ik heb gekend(1), laat weten(1), jullie hadden begrepen(1), wist(1), hij had gemeenschap met(1), begrepen zij(1), om te kennen(1), wordt gekend(1), weet(1)
 G5627..
gebruikte vertalingenzei(133), Hij zei(21), kwam(16), zij zeiden(13), zeiden(12), hebben jullie gelezen(9), viel(8), heeft gezegd(7), zag Hij(7), is gekomen(6), zei Hij(6), ging(6), Ik ben gekomen(5), gingen(5), kwamen(5), zijn jullie uitgegaan(5), zeiden zij(5), zij namen(4), zij aten(4), hij zei(4), Hij ging(4), zij zagen(4), nam(3), Hij vertrok(3), zij kwamen(3), jullie hebben ontvangen(3), is dood(3), Hij wierp uit(3), vluchten(3), hij binnenkwam(3), Hij kwam(3), ging uit(3), Hij zag(3), voerden weg(3), hij zag(3), vroegen(3), gingen zij(3), ging voort(3), viel neer(3), kwam er naar(3), kwam{en}(3), Hij had gezegd(2), jullie hebben opgehaald(2), zij zei(2), zagen zij(2), ging hij weg(2), gekomen is(2), zij brachten(2), kwam binnen(2), zij brachten bijeen(2), hebt U verlaten(2), zij wierpen(2), zij voerden weg(2), kwam er(2), Hij heeft gezegd(2), ging Hij(2), vond Hij(2), ik heb gezegd(2), vluchten weg(2), viel Hij neer(2), vertrok(2), gingen zij weg(2), wierpen(2), zij vonden(2), stierf(2), hebt gezegd(2), hebben wij gezien(2), jullie hebben gekleed(2), hij ging(2), zag hij(2), hielden(2), er ontstonden(2), kwamen op(2), bent U gekomen(2), zij gingen(2), ging Hij op(2), at{en} op(2), ging weg(2), at(2), wij hebben gezien(2), zij hadden gezien(2), nam mee(2), zei hij(2), het stortte in(2), zij had voortgebracht(2), kwam Hij(2), zagen(1), kwamen zij(1), zij stonden versteld(1), herkenden(1), zij gingen zitten(1), Hij {klom} omhoog(1), zij aangenomen hebben(1), wij zijn gekomen(1), zij kwamen samen(1), kwamen eerder(1), ze liepen gezamelijk snel(1), wierp neer(1), zond Hij weg(1), kwam Hij binnen(1), het was(1), {verdween}(1), vertrok vandaar(1), liepen zij snel(1), onderging(1), Hij kwam binnen(1), Hij is uitzinnig(1), zij merkte(1), Hij was binnengekomen(1), vertelde(1), hij ging heen(1), er kwamen(1), opstaat(1), rende hij(1), stond zij op(1), hij heeft geworpen(1), {voorbereiding}(1), zij dronken(1), sloegen zij(1), heeft(1), heeft er {in} geworpen(1), zij wierp er {in}(1), zij hebben er {in} geworpen(1), hieuw af(1), vluchtte weg(1), te gaan(1), Hij dood was(1), overviel(1), Hij nam(1), gezegd had(1), grepen(1), hij vertrok naar(1), zegt U(1), hebben gehad(1), ging hij uit(1), hij gestorven was(1), hij stond op(1), te staan(1), er kwam(1), {stak}(1), bracht(1), Hij(1), hebben gezien(1), vertrokken(1), hij stierf(1), zij begrepen(1), zij spraken(1), hij ging weg(1), vonden(1), merkte(1), kwam Hij omhoog(1), zij kwam(1), om te vragen(1), vond(1), vroeg Hij(1), kwam naar(1), ontvingen(1), nam Hij(1), ik ben gekomen(1), trok uit(1), u binnengekomen(1), zij hielden(1), hij nam nee(1), ze kwamen om(1), begrepen zij(1), Hij sprak(1), zij ontvingen(1), hij vond(1), wierpen zij(1), Ik sprak(1), vielen zij neer(1), jullie hebben meegenomen(1), wij hebben meegenomen(1), stapte Hij in(1), ging verder(1), zij hebben gezien(1), zij herkenden(1), er op ging uit(1), zij gingen erheen(1), ik weggegaan ben(1), werpen(1), Hij gesproken had(1), kwam hij tegen(1), gingen heen(1), Ik heb gevonden(1), zij vonden er(1), vonden zij er(1), er kwam naar(1), heeft gezien(1), zag(1), sloegen(1), {hieuw} af(1), merkte op(1), ik heb gezondigd(1), ombrengen(1), er kwam uit(1), troffen zij(1), is voorbijgegaan(1), stond(1), ik heb geleden(1), Ik gekomen ben(1), hebben wij uitgeworpen(1), meenamen(1), ik wist(1), stormde tegen(1), zij merkten(1), zij hebben gehad(1), binnenging(1), jullie zijn gekomen(1), wij zien hebben(1), hebben wij zien(1), zij stelden vast(1), zijn wij gekomen(1), hebben wij gekleed(1), Ik heb gekend(1), hebben wij ontvangen(1), kwamen binnen(1)

kennen..
G1097kennen
weten, merken, begrijpen, opmerken, gemeenschap, te weten komen

V-2AAI-3S
ev ww act..
woordvormenkelvoud
werkwoord
actief

(hij/zij/het) merkte..
gebruikte vertalingenzij merkte(1)


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)