Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   

Dit vers is nog niet vertaald.

  
 
ην
èn
G2258..
gebruikte vertalingenwas(26), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), er waren(3), het was(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), had{den}(2), {werd}(2), was het(2), {kwamen}(1), {kwam}(1), was geweest(1), {hielden}(1), er hadden(1), was Hij(1), {bleef}(1), zij was(1)
 G5713..
gebruikte vertalingenwas(26), verklaarde(14), zij waren(10), waren(8), -(6), Hij was(6), er was(6), hij was(5), Ik was(3), het was(3), er waren(3), zou zijn geweest(2), u bent geweest(2), waren er(2), hadden(2), Hij had(2), was het(2), {werd}(2), had{den}(2), zij was(1), {kwam}(1), {kwamen}(1), was Ik(1), was geweest(1), Hij verklaarde(1), wij hadden {geleefd}(1), er hadden(1), wij waren geweest(1), was Hij(1), {bleef}(1), hij verklaarde(1), {hielden}(1)

waren..
G2258waren
hadden

V-IXI-3S
ev ww -..
woordvormenkelvoud
werkwoord


(hij/zij/het) was..
gebruikte vertalingenwas(24), Hij was(6), er was(6), -(5), hij was(5), het was(3), was het(2), zou zijn geweest(2), had{den}(2), Hij had(2), {werd}(2), was geweest(1), {kwam}(1), zij was(1), {bleef}(1), waren(1), was Hij(1), er waren(1)
  
 
ανδρεας
andreas
G406..
gebruikte vertalingenAndreas(5), van Andreas(1)

Andreas..
G406Andreas

betekent: mannelijk

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

(Andreas)..
gebruikte vertalingenAndreas(2)
  
 
ο
o
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NSM
m ev lw nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(552), -(88), die(42), het(39), wie(36), DIE(9), Die(6), wat(4), dat(3), deze(1), {van} de(1), De(1), DE(1)
  
 
αδελφος
adelphos
G80..
gebruikte vertalingenbroers(19), broer(18), broeder(10), een broer(4), broeders(3), broerder(3), Broer(1)

broeder..
G80broeder
broer

N-NSM
m ev zn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

broer..
gebruikte vertalingenbroeder(5), broer(5), een broer(2), Broer(1)
  
 
σιμωνος
simònos
G4613..
gebruikte vertalingenSimon(16), van Simon(4)

Simon..
G4613Simon

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) Simon..
gebruikte vertalingenvan Simon(4), Simon(2)
  
 
πετρου
petrou
G4074..
gebruikte vertalingenPetrus(42), van Petrus(1)

Petrus..
G4074Petrus

betekent: een rotsblok

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) Petrus..
gebruikte vertalingenPetrus(1), van Petrus(1)
  
 
εις
eis
G1520..
gebruikte vertalingenéén(102), ÉÉN(3), éne(2), {eerste}(2), -(1), tot één(1)

één..
G1520één

A-NSM
m ev bn nom..
woordvormmannelijk
enkelvoud
bijvoegelijk-naamwoord
nominatief

één..
gebruikte vertalingenéén(38), ÉÉN(3), -(1)
  
 
εκ
ek
G1537..
gebruikte vertalingenuit(60), van(37), aan(20), vanuit(11), -(5), bij(5), voor(3), vanaf(3), door(3), naar(2)

uit..
G1537uit
van, naar, aan, bij, door, voor, vanuit, vanaf

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

uit..
gebruikte vertalingenuit(46), van(15), aan(13), bij(4), vanaf(3), vanuit(3), voor(3), -(2), naar(2), door(2)
  
 
των
tòn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GPM
m mv lw gen..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingenvan de(141), de(80), die(8), van die(7), -(3), voor de(3), onder de(2), van(1), dan de(1)
  
 
δυο
duo
G1417..
gebruikte vertalingentwee(57), tweeën(2), aan twee(1)

twee..
G1417twee

A-NUI
bn nom..
woordvormbijvoegelijk-naamwoord
nominatief

twee..
gebruikte vertalingentwee(55), tweeën(2)
  
 
των
tòn
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-GPM
m mv lw gen..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
genetief

(van) de..
gebruikte vertalingenvan de(141), de(80), die(8), van die(7), -(3), voor de(3), onder de(2), van(1), dan de(1)
  
 
ακουσαντων
akousantòn
G191..
gebruikte vertalingenhoorden(18), hoorde(12), horen(10), om te horen(8), laat hij horen(6), jullie horen(6), hoort(6), jullie hebben gehoord(5), hoor(4), zij hoorden(4), zij hebben gehoord(3), luister(2), hoort U(2), hij luistert(2), zij horen(2), zij hadden gehoord(2), hebben jullie gehoord(2), had horen(1), luisterde(1), zij had gehoord(1), zij luisteren(1), hij hoorde(1), Luister(1), had aangehoord(1), het hoorde(1), hoorde het(1), luisten(1), hij luisterde(1), ze horen(1), zal horen(1), had hoorde(1), aanhoort(1), is gehoord(1), zullen jullie horen(1), hebben zij gehoord(1), het werd {bekend}(1), zou horen(1), het hoort(1), kunnen horen(1), hoor!(1)
 G5660..
gebruikte vertalingenhoorden(15), hoorde(11), dankte(5), riep(4), strekte uit(4), keek aan(3), standhoudt(3), zond(3), zij hoorden(3), zweert(3), keek op(2), opkwam(2), vulde(2), Hij had weggestuurd(2), zij voeren over(2), vroeg de zegen(2), zij een lofzang hadden gezongen(2), maak los(2), zij aan een paal hadden gehangen(2), zij bonden(2), zij hadden gehoord(2), hij zond(2), gezonden heeft(2), Hij keek op(1), Hij zuchtte diep(1), gespuwd te hebben(1), had aangehoord(1), zij behaagde(1), hij keek op(1), pakte(1), stuiptrekkingen {bezorgend}(1), schreewend(1), had uitgezonden(1), Hij spuwde(1), Hij pakte(1), hij riep(1), tilde op(1), zij {maakten open}(1), hield vast(1), was gevaren(1), had uitgegeven(1), Hij ging zitten(1), gedaan had(1), zij had gehoord(1), het hoorde(1), neem op(1), Hij riep(1), hij had de moed(1), zij vlochten hadden(1), liet zweepslagen geven(1), hielden(1), hij kocht(1), was opgegaan(1), geloven(1), niet gelooft(1), gelooft(1), zij opkeken(1), kijk zij aan(1), scheurde(1), stenigde zij(1), hij hoorde(1), hij werd somber(1), schreeuwend(1), had horen(1), was gaan zitten(1), Hij terugkwam(1), Hij vroeg de zegen(1), zij brak(1), te kunnen grijpen(1), viel op de knielen(1), verzegelde(1), trouwt(1), {SCHEPPER}(1), hij greep(1), open(1), Hij opende(1), volgen(1), Hij vastte(1), ging zitten(1), hebben vergedragen(1), hij overeengekomen was(1), zij {opsloegen}(1), sluit(1), zij gingen zitten(1), trokken zij(1), zaaide(1), had hoorde(1), had gegrepen(1), hij {liet}(1), gaf opdracht(1), verliest(1), Hij brak(1), Hij gaf opdracht(1), deden(1), onbekommerd(1), zij trokken uit(1), liet hij zweepslagen geven(1), wierp hij(1), zij openden(1), vlochten zij(1), zij vielen op de knielen(1), om neer te bukken(1), Hij strekte uit(1), hij had gerold(1), zij spuwden(1), geraakt heeft(1), zij gegrepen hadden(1), overleden was(1), trouwde(1), bind(1), grepen(1), woont in(1), vermoord hebben(1), sloeg(1), vertrokken waren(1), zond uit(1), hij indoopt(1), deed stuiptrekken(1)

horen..
G191horen
luisteren

V-AAP-GPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) ..
gebruikte vertalingen
  
 
παρα
para
G3844..
gebruikte vertalingenbij(14), langs(6), van(6), {door}(2), -(1), naar(1), naaste(1), met(1), voor(1), {onder}(1), {naar}(1)

bij..
G3844bij
langs, naast*, vanaf*, van, voor, aan*, met

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

bij..
gebruikte vertalingenbij(12), langs(6), van(3), {door}(2), naar(1), {naar}(1), voor(1), {onder}(1)
  
 
ιωαννου
iòannou
G2491..
gebruikte vertalingenJohannes(42), van Johannes(9), dan Johannes(1), aan Johannes(1)

Johannes..
G2491Johannes

betekent: JEHOVAH is een genadige gever

N-GSM
m ev zn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
zelfstandig-naamwoord
genetief

(van) Johannes..
gebruikte vertalingenvan Johannes(9), Johannes(6), dan Johannes(1)
  
 
και
kai
G2532..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)

en..
G2532en
ook, nu, dan, -, zelfs, {maar}, {toen}, {toch}, {met}, {als}

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

en..
gebruikte vertalingenen(2176), ook(98), nu(30), {maar}(12), dan(8), én(6), -(6), {toen}(5), zelfs(5), {toch}(4), {met}(1), {als}(1)
  
 
ακολουθησαντων
akolouthèsantòn
G190..
gebruikte vertalingenvolgden(12), volgde(8), volg(6), zij volgden(4), waren gevolgd(2), volgen(2), zijn gevolgd(2), blijven volgen(2), volgt(2), hij volgde(1), hij volgt(1), ik zal volgen(1), volgden zij(1), zij volgen(1)
 G5660..
gebruikte vertalingenhoorden(15), hoorde(11), dankte(5), riep(4), strekte uit(4), keek aan(3), standhoudt(3), zond(3), zij hoorden(3), zweert(3), keek op(2), opkwam(2), vulde(2), Hij had weggestuurd(2), zij voeren over(2), vroeg de zegen(2), zij een lofzang hadden gezongen(2), maak los(2), zij aan een paal hadden gehangen(2), zij bonden(2), zij hadden gehoord(2), hij zond(2), gezonden heeft(2), Hij keek op(1), Hij zuchtte diep(1), gespuwd te hebben(1), had aangehoord(1), zij behaagde(1), hij keek op(1), pakte(1), stuiptrekkingen {bezorgend}(1), schreewend(1), had uitgezonden(1), Hij spuwde(1), Hij pakte(1), hij riep(1), tilde op(1), zij {maakten open}(1), hield vast(1), was gevaren(1), had uitgegeven(1), Hij ging zitten(1), gedaan had(1), zij had gehoord(1), het hoorde(1), neem op(1), Hij riep(1), hij had de moed(1), zij vlochten hadden(1), liet zweepslagen geven(1), hielden(1), hij kocht(1), was opgegaan(1), geloven(1), niet gelooft(1), gelooft(1), zij opkeken(1), kijk zij aan(1), scheurde(1), stenigde zij(1), hij hoorde(1), hij werd somber(1), schreeuwend(1), had horen(1), was gaan zitten(1), Hij terugkwam(1), Hij vroeg de zegen(1), zij brak(1), te kunnen grijpen(1), viel op de knielen(1), verzegelde(1), trouwt(1), {SCHEPPER}(1), hij greep(1), open(1), Hij opende(1), volgen(1), Hij vastte(1), ging zitten(1), hebben vergedragen(1), hij overeengekomen was(1), zij {opsloegen}(1), sluit(1), zij gingen zitten(1), trokken zij(1), zaaide(1), had hoorde(1), had gegrepen(1), hij {liet}(1), gaf opdracht(1), verliest(1), Hij brak(1), Hij gaf opdracht(1), deden(1), onbekommerd(1), zij trokken uit(1), liet hij zweepslagen geven(1), wierp hij(1), zij openden(1), vlochten zij(1), zij vielen op de knielen(1), om neer te bukken(1), Hij strekte uit(1), hij had gerold(1), zij spuwden(1), geraakt heeft(1), zij gegrepen hadden(1), overleden was(1), trouwde(1), bind(1), grepen(1), woont in(1), vermoord hebben(1), sloeg(1), vertrokken waren(1), zond uit(1), hij indoopt(1), deed stuiptrekken(1)

volgen..
G190volgen

V-AAP-GPM
m mv ww act..
woordvormmannelijk
meervoud
werkwoord
actief

(WIJ/JULLIE/ZIJ) ..
gebruikte vertalingen
  
 
αυτω
autò
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-DSM
m ev pn dat..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
datief

(tot) hem..
gebruikte vertalingenHem(101), tot Hem(62), hem(45), tot hem(38), Hem toe(17), Hij(6), bij Hem(6), aan Hem(5), aan hem(5), met Hem(4), voor hem(4), voor Hem(4), met hem(2), hij(2), er(2), naar Hem(2), tegen hem(1), erop(1), hem toe(1), bij hem(1), daar(1), er om(1), voor HEM(1)


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)