Regenboog Bijbel Vertaling


RBVI

Uitleg


hoofdstuk
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   

vers
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   
31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   

Dit vers is nog niet vertaald.

  
 
ουδε
oude
G3761..
gebruikte vertalingenook niet(11), en niet(6), en niet(5), ook niet(4), zelfs niet(2), en(2), ook geen(1), noch(1), maar niet(1), zelfs geen(1), ook geen(1), zelfs niet(1), en geen(1), en niet{s}(1)

ook niet..
G3761ook niet
(letterlijk) maar niet, maar geen, ook geen, en niet, en geen, zelfs niet, zelfs geen

ADV
bw..
woordvormbijwoord

ook niet..
gebruikte vertalingenook niet(11), en niet(6), ook niet(4), en niet(4), zelfs niet(2), en(2), ook geen(1), noch(1), maar niet(1), zelfs geen(1), ook geen(1), zelfs niet(1), en geen(1), en niet{s}(1)
  
 
γαρ
gar
G1063..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)

want..
G1063want
dan, toch

CONJ
vw-s..
woordvormvoegwoord-samenvoeging

want..
gebruikte vertalingenwant(197), toch(3), dan(2), -(1)
  
 
οι
oi
G3588..
gebruikte vertalingende(2553), het(619), van de(454), -(244), die(177), van het(62), tot de(61), wat(48), wie(42), aan de(38), dat(27), DIE(26), voor de(24), met de(21), op de(10), van die(9), Die(8), van(6), voor het(6), de toe(5), dan de(5), {tijdens} de(5), aan die(5), deze(5), tot die(5), dit(4), aan het(4), bij de(3), onder de(2), in de(2), tot(2), aan(2), tot het(2), door de(2), voor wie(2), met het(2), {in} de(2), naar de(2), {iemand}(1), {op} de(1), {dat}(1), {wie}(1), over de(1), {met} de(1), {uit} de(1), Wat(1), van wie(1), voor die(1), De(1), {sommigen}(1), op het(1), {naar} de(1), DE(1), dan het(1), aan wie(1), {van} de(1), {voor} het(1)

de..
G3588de
(van/tot) het, die, dat, dit, wie, wat

T-NPM
m mv lw nom..
woordvormmannelijk
meervoud
lidwoord
nominatief

de..
gebruikte vertalingende(256), die(59), -(47), dit(2), het(1), deze(1), {sommigen}(1)
  
 
αδελφοι
adelphoi
G80..
gebruikte vertalingenbroers(19), broer(18), broeder(10), een broer(4), broeders(3), broerder(3), Broer(1)

broeder..
G80broeder
broer

N-NPM
m mv zn nom..
woordvormmannelijk
meervoud
zelfstandig-naamwoord
nominatief

broers..
gebruikte vertalingenbroers(11), broeders(1)
  
 
αυτου
autou
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-GSM
m ev pn gen..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
genetief

(van) hem..
gebruikte vertalingenvan hem(172), van Hem(166), hem(37), Hem(30), Hij(18), van HEM(8), diens(6), hij(3), er(2), over Hem(2), HIJ(1), naar Hem(1), hun(1), zelfde(1), zijn(1), voor hem(1), {dit}(1), dan hij(1)
  
 
επιστευον
episteuon
G4100..
gebruikte vertalingengeloven(6), gelooft(3), geloof(3), jullie hebben geloofd(3), moeten jullie geloven(2), ik geloof(1), zij hadden geloofd(1), u geloofde(1), geloofden(1), wij zullen geloven(1), geloven jullie(1), hebben geloofd(1), zouden geloven(1), u gelooft(1), heb geloof(1)
 G5707..
gebruikte vertalingenzeiden(14), Hij zei(9), zei(8), zij zeiden(5), zei Hij(5), wilde(4), zeiden zij(4), Hij sprak(3), vroeg Hij(3), Hij gaf(3), riepen(3), had(3), zochten(3), hij zei(3), vroegen(3), gaf onderwijs(3), hadden zij(2), hij smeekte(2), verwonderden(2), vroeg(2), zij wilden(2), sloegen(2), volgde(2), lasterden(2), zij zwegen(2), zij zochten(2), bedienden(2), spreidden uit(2), hield(2), Hij vroeg(2), gaf te drinken(2), berispten(2), verweten(2), zij brachten naar(2), hij had(2), had gezegd(2), hij betoonde eer(2), sprak Hij(2), kapten(2), zij zei(2), bracht voort(2), trok rond door(2), smeekten(2), zij riepen(2), smeekte(2), zij hadden gelegenheid(1), HIj onderwees(1), verwonderd(1), Hij wilde(1), zij begrepen niet(1), gaf Hij onderwijs(1), riep hij(1), zegende(1), waren gevolgd(1), hij luisterde(1), zij hoorden(1), zij legden(1), waren(1), zij hadden(1), zij verkondigden(1), hij sprak(1), zagen(1), hadden bediend(1), zei hij(1), zij vroegen(1), zij smeekten(1), hij volgde(1), zij vroeg(1), zij gaven(1), hij wist(1), een vals getuigenis aflegden(1), legden een vals getuigenis af(1), zij sloegen(1), zij vonden er(1), deed(1), liet hij vrij(1), beschuldigden(1), begon te wenen(1), {brachten}(1), bevroeg(1), Hij zweeg(1), volgde van nabij(1), spuwden(1), eer te betonen(1), had de moed(1), zij {vonden}(1), Hij begon te onderwijzen(1), Hij liet toe(1), luisterde(1), Hij zag(1), zij slachten(1), deed hij(1), hij zocht(1), zij had(1), wierpen(1), hoorden(1), legde Hij uit(1), te bespotten(1), hij wilde(1), zweeg(1), zocht hij(1), hield tegen(1), bewaakten(1), hij verkondingde(1), Hij gaf onderwijs(1), was(1), liet toe(1), brachten zij(1), zij bediende(1), vielen in slaap(1), {die} hielden(1), zij lachten uit(1), ging voor uit(1), lag te slapen(1), bediende(1), eer betonen(1), het had(1), zij hielden(1), wilde hij(1), zij klagen(1), te wurgen(1), schuldig was(1), verzochten(1), zij hielden nauwlettend in de gaten(1), hielden zij(1), ging lopen(1), Hij verwonderde(1), lachten zij uit(1), zij drongen samen op(1), Hij had gezegd(1), Hij trok rond(1), gaf(1), genazen(1), koesterde wrok(1), wreven in(1), zij wierpen uit(1), verkondigden(1), kon(1), zij wilde(1), viel neer(1), vielen zij neer(1), zag{en}(1), hadden(1), Hij deed(1), riep(1), gelastte Hij streng(1), hij had gemeenschap met(1), droeg(1), Hij onderwees(1), sprak(1), lette op(1)

geloven..
G4100geloven
vertrouwen

V-IAI-3P
mv ww act..
woordvormmeervoud
werkwoord
actief

(ZIJ) ..
gebruikte vertalingen
  
 
εις
eis
G1519..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)

in..
G1519in
naar, tot, voor, -, om, aan, tegen, tussen, bij

PREP
vz..
woordvormvoorzetsel

in..
gebruikte vertalingenin(168), naar(93), -(37), tot(22), op(20), voor(15), om(9), aan(7), tussen(3), tegen(3), bij(3), tot in(2), {als}(2), over(1), {over}(1)
  
 
αυτον
auton
G846..
gebruikte vertalingenHem(329), van hem(176), van Hem(167), hem(167), tot hen(147), hen(136), van hun(97), tot Hem(62), Hij(48), zij(42), haar(38), tot hem(38), hun(34), het(33), van haar(28), er(20), hij(19), Hem toe(17), voor hen(13), ze(13), aan hen(11), die(11), van hen(10), deze(9), van HEM(8), -(7), aan Hem(7), voor Hem(6), diens(6), bij Hem(6), daar(5), aan hem(5), aan haar(5), zelf(5), voor hem(5), zelfde(5), met Hem(4), {het}(4), tot haar(4), HEM(3), naar Hem(3), {hem}(3), van {hem}(3), Die(2), over Hem(2), met hem(2), tot deze(2), {eraan}(2), {dit}(1), {haar}(1), hetzelfde(1), dat(1), u(1), zijn(1), erop(1), HIJ(1), aan(1), {van} hen(1), aan hun(1), {met} hun(1), tegen hem(1), van deze(1), to haar(1), ervan(1), ZELF(1), door hen(1), hem toe(1), dan hij(1), voor HEM(1), Het(1), dan deze(1), met het(1), hen aan(1), er om(1), met hen(1), {ervoor}(1), er tegen(1), op hen(1), {naar} hen(1), bij hem(1), {Zich}(1)

hem..
G846hem
(van, tot, aan) hem, haar, het, zich, zelf, deze, die, dat, daar

P-ASM
m ev pn acc..
woordvormmannelijk
enkelvoud
persoonlijk-voornaamwoord
acusatief

hem..
gebruikte vertalingenHem(198), hem(81), Hij(9), het(7), hij(7), er(3), HEM(3), zelfde(2), voor Hem(2), aan Hem(2), -(1), {haar}(1), {Zich}(1), van hem(1)


Afwijkingen
Er zijn geen afwijkingen in dit vers.

Basisteksten
BZByzantijnse/meerderheidstekst (2000)
NA27Tekst van Nestle-Aland (1993)
TRTextus Receptus (1896)
WHTekst van Westcott-Hort (1881)